Uil

Een overlijdensbericht in De Volkskrant slingerde me terug in de tijd. Tweede helft zeventiger jaren, zeg ik uit mijn hoofd. De vakgroep taalbeheersing, een van de vier smaldelen die samen de studierichting Nederlandse taal- & letterkunde vormden, was verwikkeld in een hardnekkige richtingenstrijd. Er waren wetenschappelijk medewerkers die vonden dat de toekomst van de jonge discipline een helder omkaderde object en doelstelling nodig had, zodat er geen verwarring zou zijn wat tot het domein van de taalkunde behoorde, en wat tot dat van de taalbeheersing. Wij wilden de taal niet beheersen. We wilden de taal bevrijden; geweldloos communiceren, kan dat? En vervolgens de proletarische wereldrevolutie, goedschiks indien mogelijk, kwaadschiks als dat nodig was. We organiseerden ons in werkgroepen en het was nog niet zo makkelijk daarvoor een begeleider te vinden. Gelukkig troffen wij de man die vijftig jaar later een familiebericht moest opstellen omdat zijn partner was overleden.

In de werkgroepen die we samen organiseerden, luisterde hij vooral, stelde vragen die ons verder hielpen, vatte samen wat wij te berde brachten en legde verbindingen die wij nog niet zagen, om ons zo te overtuigen dat we vooruitgang boekten, al was de taal nog geketend in kapitalistische verhoudingen en de wereldrevolutie nog ver. Geen van onze doelen kwam in zicht, maar ik kijk op de werkgroepen terug als de leerrijkste van mijn leven.

Onze begeleider had zijn vrouw ontmoet in het Lambert ten Katehuis, waar het Instituut voor Neerlandistiek was gevestigd. Toen zij was afgestudeerd, verhuisden ze, met hun eerste dochter naar het Noorden van het land, waar hij zich bekwaamde als schrijnwerker en kunstschilder en zij een loopbaan begon in het sociaal werk. Ergens in de jaren tachtig hebben we hen nog eens bezocht. Op de terugweg was het donker en toen ik voor mijn fiets een gedaante zag fladderen, nog zwarter dan de nacht, wist ik dat ik voor het eerst van mijn leven een uil had gezien.

Boven de advertentie stonden twee regels in het Duits: Du, laß dich nicht verhärten / in dieser harten Zeit . De openingsregels van het lied Ermutigung van Wolf Bierman (1936). In de onderwerpregel van mijn mail aan mijn oude leraar citeerde ik uit hetzelfde lied de laatste twee regels van de vierde strofe:  Du brauchst uns, und wir brauchen / grad deine Heiterkeit., ik betuigde mijn medeleven, riep hem op  goede moed te houden; de taal die geketend is aan pogingen nabestaanden in zak en as te sterken.

Reactie op de mail kwam op de dag dat Wolf Biermann zijn negenentachtigste verjaardag vierde, vijftien november. Mijn ogen volgden het onthutsende relaas. Galwegkanker. Het is vanaf het allereerste begin bergafwaarts gegaan. Drie maanden was ze aan het bed gekluisterd voor ze met morfine is ingeslapen. Het afscheid was indrukwekkend. Fraai herfstweer, honderd bezoekers overal vandaan, warme woorden en muziek van Marlène Dietrich (Sag mir wo die Blumen sind), Mercedes Sosa, Miriam Makeba, Wolf Biermann, en – bij het uitrijden van de baar – ‘Voorwaarts en niet vergeten’.

En dat het allemaal zo’n halve eeuw geleden in het Lambert ten Katehuis begonnen was. In die grote zaal van het pand op de Keizersgracht was een fraaie plafondschildering met cupido’s in de hoeken. Ik ben al op m’n veertiende van m’n geloof afgevallen, maar dit kan geen toeval zijn.

Dit bericht is geplaatst in zaliger nagedachtenis met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *