Roekeloze ritmen

Dertig juni 1989 onderging Jan G. (Gommert) Elburg in het AMC een hartoperatie waarbij zijn hartklep werd vervangen door een exemplaar van een varken. Na de schrik kwamen overmoed en de baldadigheid. De dichter ondertekende een bericht aan zijn collega Koos Schuur (1915 – 1995) met ‘het oude hazenhart met een varkensklep’. Aan een oud collega van de Gerrit Rietveld Academie beschreef hij zichzelf als ‘treife als een matze met ontbijtspek’. Elburg zou nog drie jaar leven.

Vijf maanden na zijn operatie vierde hij zijn zeventigste verjaardag. Zijn uitgever en twee collega-dichters verzorgden een vriendenboek, dat onder de titel ‘Alles voor niets’ nog hetzelfde jaar verscheen. Er stonden bijdragen in van Lucebert, Campert, Kouwenaar, Constant, Vinkenoog, Eugène Brands en Sonja Prins, maar ook van dichters van na De Vijftigers als Kopland, Van de Waarsenburg, Beurskens en Van Deel.

De hartperikelen van de jarige dichter spelen in een aantal van de bijdragen een prominente rol. Leo Vroman (1915 – 2014) maakte een tekening van het menselijk hart dat zich voedt met een twijg waaraan blaadjes ontluiken. Een pijl doorboort het orgaan. In het gedicht Of ik als dichter beter weet schrijft hij: Geen wetenschap van ons gevoel / geen dichterschap zo uitgebuit / in wetenschap van ons geluid / uit zich in woordeloos gewoel / zoals mijn hart zich uit.

H.C. ten Berge (1938) was vrijmoediger. Zijn gedicht (Langzame uitstapper) begint met de regels: Steeds meer filters maken de hand bedachtzaam / maar het hart wil roekeloze ritmen /. Na vier strofen maakt levenslust plaats voor benul van de onvermijdelijke aftakeling. Het vuur geroofd, gedoofd, weer aangestoken / maar de lever stilaan opgegeven / Steeds minder banden te slaken / Maar steeds meer verliezen geslikt  De laatste drie strofen bieden een meedogenloos uitzicht op het voorland van de jarige: Zich voor altijd kwijt te raken, / aarde mond aaneengeklonken / Landschap met vooroverliggende gestalte – / aan grond en keel ontsnapt verstikt / Gehuil dat klimt tot aan de sterren: / de wolfskwint van hem die zich nachtegaal waant

Had Elburg Ten Berge nodig om hem aan zijn sterfelijkheid te herinneren? Een jaar eerder was zijn bundel Haaks op de uitvlucht verschenen, waarin hij schrijft: Jan, en Gommert, en Elburg, aan mijn hartje knagend / drievoudig daderschap, breek uit je schiere cellen: / herdenken wij tevens aan de open vuilnisbak / onze ontwapenende vrede met het schouderophalen, / de voorlaatste druppel – bloed? mogelijk – ooit / plots dribbelend op de verhitte, te poetsen plaat.

De dichter ontfutselde kwaliteit van leven aan de zelfkant van het bestaan. Hij zocht zijn heil  op de plaatsen waar het afval is verzameld: prijs de dag prijs de rotzooi / van ronkend blik het lawaai en de schrik / prijs de wind om de lekkende vuilniszak, en prees de dag vooral vòòr het avond was: prijs een godganselijk godvergeten / goed lullig niet te vervangen leven / voor je leuterend strompelend uitgejoeld afgaat.

Het was trouwens niet zijn hart dat Elburg fataal werd.

Dit bericht is geplaatst in lijf en leden, zaliger nagedachtenis met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *