Er was nog tijd

‘Ik zal hem hier niet opsteken, hoor.’ Ik zit op een bankje voor het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, met mijn rug naar het Oosterpark en naast me neemt een jonge vrouw plaats, met de nodige tussenruimte, dat wel. ‘Werk je in het ziekenhuis?’ vraagt ze. Ik antwoord dat ik op de tram wacht. Ze kijkt om zich heen, ziet dat bij de abri’s geen zitplaatsen meer zijn, zelf werkt ze wel in het ziekenhuis. De ene keer op locatie west, de andere keer op locatie oost. Locatie west is fijner. Maar ze moet wel vroeg op. Niet dat ze vaak te laat komt, maar het komt vaak genoeg voor dat ze op het laatste moment nog een ‘uber’ appt om op tijd te komen. Ze werkt in de parkeergarage. Dan maakt ze eindelijk werk van de baal shag die ze in haar hand heeft en begint een sigaret te rollen.

Terwijl ze verderop staat te roken voert haar baal shag me terug naar mijn vader. Hij is al jaren overleden. Hij viel zomaar in het gangetje tussen de huiskamer en de keuken, mijn jongste zus zette het op een schreeuwen en belde daarna met een snik in haar stem 112. De ambulancebroeders lieten er geen gras over groeien en brachten mijn vader met gillende sirenes naar het ziekenhuis. Daar werd hij met spoed geopereerd. Daarna is hij niet meer bij kennis geweest, een paar dagen later werd zijn dode lichaam thuis gebracht. Op de kop af een week na de eerste touretappeoverwinning van Michael Boogerd in Aix-les-Bains.

De column van Eva Meijer (1980) die afgelopen dinsdag in Trouw verscheen, heet Brief aan mijn vader. Ze schrijft: Er was nog tijd. Ik dacht: de volgende column schrijf ik over jou. Maar ik kan je deze niet meer voorlezen. En eigenlijk heb ik nu de woorden niet. En ze schrijft: We hoefden eigenlijk niks meer te zeggen. Woorden zijn haast overal beter in dan wij maar soms hebben we ze helemaal niet nodig.

Ik leende tijdens de uitvaartdienst van mijn vader de woorden van Lucebert (1924 – 1994). De eerste regel luidt hetzelfde als de titel van het gedicht: als je weet waar ik ben zoek me dan en de laatste regel luidt: maar waar ik in het tikken stik adem jij in mijn voort .

Tijdens het lezen meende ik dat de eerste persoon enkelvoud uit de openingsregel naar mijn vader verwees en de eerste persoon enkelvoud uit de slotregel naar mij. Wat er in de zestien regels tussen begin en slot gebeurde bleef een vermoeden.

Toen de bundel Oplossingen verscheen, interviewde Jessica van Geel de schrijfster Marja Pruis (1959) voor Trouw. ‘Ik ben pas gaan publiceren toen hij overleden was.’ Haar vader stierf in 1995. ‘In die tijd recenseerde ik al wel voor De Groene, maar ik schreef over buitenlandse literatuur en biografieën en zo. Toen ik mijn ouders’ huis ging opruimen [haar moeder is inmiddels ook overleden] kwam ik dat weer allemaal in mapjes tegen. Ze hadden alles van mij bewaard. Mijn vader las alles.

Maar dat klopt niet. Pruis’ vader stierf in dezelfde vroege zomer als de mijne. 1996.

Toen mijn vader stierf was hij vijfenzestig jaar en acht maanden. Ik nam me voor langer dan hij te leven.

Dit bericht is geplaatst in zaliger nagedachtenis met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *