Zegge

In de stilte van de allerlaatste avondkloknacht praten Daan Heerma van Voss en Pieter van der Wielen over angst. Voor Heerma van Voss (1986), die er een boek over schreef, is dat een erfelijke kwestie die hij heeft kunnen herleiden tot een beroemde  voorvader, de etnomusicoloog Jaap Kunst (1891 – 1960) die in de vroege jaren twintig geluidsopnames verzamelde van traditionele Indische muziek, nadat hij in 1915 al eens een poging had gedaan om een voordracht van Louis Couperus in Groningen te vangen in notenschrift. Over angst gaat het dan niet meer, of het moest de vrees zijn van Kunst dat de oorspronkelijke Indische gamelanklanken zouden worden overwoekerd door gitaarmuziek en jazz uit de nieuwe wereld. Die vrees was misschien niet ongegrond, maar van de Tielman Brothers en Blue Diamonds had nog niemand gehoord en er loerden in de jaren van het interbellum wel andere nachtmerries.

Ik was de tuin ingelopen om de lange border kritisch in ogenschouw te nemen. De  zegge had vorig jaar uitbundig gebloeid en vervolgens de leefomgeving van de rode roos ingenomen. Het scheen de roos niet te deren. De takken rezen vol in blad uit een wolk van gras. Toch leek het me beter om de zegge terug te snoeien, de rode roos is al meer dan dertig jaar oud. Mijn vader heeft hem nog gezet, zij het niet op deze plaats. En nu ik beter keek zag ik tot in de wijde omgeving zaailingen zeggegras opschieten. Dat kon zo niet doorgaan.

In het pas verschenen Willem die Madoc maakte, probeert Nico Dros (1956) het raadsel van het meest virtuele verhaal uit de Nederlandse letterkunde, zoals Frits van Oostrom (1953) dat noemde, nog groter te maken. In de beroemde eerste regels van Van den vos Reynaerde maakt de schrijver van het dertiende-eeuwse dierenepos zich bekend als de auteur van een verhaal dat luistert naar de naam Madoc of Madocke. Die naam wijst op Keltische roots. Er figureert een Maduc in de verhalen over Walewein en Koning Arthur. Er is een zeevaarder bekend die ongeveer zo heet en die, ver voor Columbus, de kusten van Amerika heeft bezocht. Willems tijdgenoot Jacob van Maerlant (1230 – 1300) kent Madoc wel; hij prijst zijn Rijmbijbel aan met de waarschuwing: Want dit nes niet Madocs droem, No Reinaerts no Arturs boerden. En er is nog een verwijzing naar Madoc in het Diets, uit een tekst met de titel Die borchgrave van Couchi, waarin staat: Noch wanic, ridder, dat ghi doeft, Of dat ghi sijt in Madox drome. Als er in het Diets gesproken wordt over Madoc, dan is dat onder dekking van de nacht, in dromenland. Zoals het een tekst betaamt die het daglicht niet kan velen.

Ik ga terug om mijn laarzen aan te trekken en vul de groenbak met zaailingen, zevenblad, woekerende hop en klimop. Ik stuit op winde en brandnetel, waar ik de schop onder zet en handschoenen voor aan doe. Dan snoei ik de zegge terug en constateer dat het een gek gezicht is, die kale rozentakken die alleen aan de uiteinden in blad zijn geschoten.

Willem die Madoc maecte, / Daer hi dicke omme waecte, De dichter, wie hij ook zijn moge, laat er geen misverstand over bestaan dat de schrijver van de droomverhalen van Madoc, zelf de verleidingen van nachtgedachten heeft weerstaan. Willem is woke.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *