Na het vorige tuinklusje was de snoeischaar achtergebleven. Het was gaan regenen, een snelle aftocht was geboden, krabber, harkje, groenbak in een greep mee gegrist, de deur haastig toegesloten. Ik vond de schaar een paar dagen later op de tafel in de tuin, roestvlekken op de snijvlakken die knarsten in mijn hand. Dan doet olijfolie wonderen. Met een keukenpapiertje wreef ik de messen tot ze glommen, de veer liet ik een nachtje staan in wat olie in een glas. De volgende dag opnieuw afnemen met keukenpapier, voel toch eens hoe licht het gereedschap nu weer opent en sluit.
We hebben het over de stadstuin in Amsterdam Oost. Zestig vierkante meter, persicaria (in een wolk van zoemende insecten), helianthus, rudbeckia, phlox, hemerocallis (uitgebloeid), buddleja, wolfsmelk (uitgezaaid), lavatera, de laatste petunia, ooievaarsbekken die van geen ophouden weten, leeuwenbek aan het eind van zijn latijn en een bloeiende crocosmia die het beter zou doen met wat meer zon. Maar ja, een tuin op het oosten, en ja, de altijd groene taxushaag die licht en voedsel wegneemt. Genoeg daarover, aan het werk.
De klimroos tegen de muur is een woekerende kluwen geworden met lange kale scheuten die naar de slaapkamerramen van de bovenburen reiken. Dan is de snoeischaar niet genoeg, daar moet de takkenschaar aan te pas komen. En een trapje, anders kan ik er niet bij. Handschoenen aan, uitkijken voor de doornen als er zo’n takkenbos omlaag komt. Voorzichtig op de tafel manoeuvreren en straks kort knippen in de groenbak.
De katten uit de buurt komen geregeld langs; slokje water uit de zinken teil, loeren naar een merel die luidruchtig weg vlucht. Een roodborstje bekijkt het vanaf de tafel, koolmeesjes scharrelen in de haag. Een koppel stadsduiven om op het meubilair te schijten, een vlaag mussen, af en toe eksters, tegen de schemering een rat. En twee egels, begin juli, toen het ook zo droog en warm was. Die hadden we nog niet eerder gezien. We hebben gelijk een bak water voor hen klaar gezet.
De langste takken waren weggehaald, ik pakte de snoeischaar om de roos weer strak tegen de gevel te fatsoeneren en werd een zacht piepen gewaar. Toch nog schade aan de schaar, ik bewoog hem in mijn hand, hervatte mijn knipwerk, ontvlocht de afgeknipte twijgen, de snoeischaar zat in mijn achterzak en het piepen ging door.
Diep in de roos, tegen de muur, een meter of twee boven de grond zag ik tussen de takken een nest. Zal ik zo wegpakken, dacht ik, het is augustus, het broedseizoen is klaar. Maar toch, dat piepen.
Ik keek tegen de grauwe bolle onderkant van het nest. Ook als ik op het trapje klom kon ik niet over de rand kijken. Had ik maar een handspiegel, of wacht, de hoge huishoudtrap staat in de meterkast.
Daar was ik alweer, trap uitgeklapt en omhoog geklauterd, turen in de wirwar van rozentwijgen en bladeren, naar dat plekje waar het donker was en weer dat piepen klonk. Ik had mij voorbereid op opengesperde snavels op dunne nekjes en van die toegeknepen oogjes, op een ongerust ouderpaar dat verderop herrie maakt. Niets daarvan, de stilte van augustus, in het nest een zacht bed van donkerblonde veren waaraan kop noch staart te onderscheiden viel, dat niet bewoog, of toch, langzaam op en neer ging; een ademtocht of het kloppen van een hart.
En dat piepen.