Moeder was gestorven en werd bijgezet in het graf van haar man Freek en zijn eerste vrouw. Om de groeve stonden de kinderen: Helmer, Lieke en Magda, schoonzoon Tim en de kleinkinderen Anka en Frank. Moeder heeft in de achtste roman van Henry Sepers (1955) ‘Moeder is een ding’ net zo min een naam als de vrouw die Freek had liefgehad voor hij moeder ontmoette. Helmer was vijf toen hij moeder leerde kennen, de vrouw was een jaar dood. Juffrouw Valk van de kleuterschool had met een warme en innige knuffel afscheid genomen van Helmer, die de volgende dag met zijn vader naar het andere eind van de stad verhuisde, om bij moeder te gaan wonen. Over de vrouw is daarna niet meer gesproken.
Door Freek Splinter en zijn echtgenote in elk geval niet. Helmer groeide op, schreef poëzie en vergaarde enige bekendheid met bundels als Kinderschim, De gewiste vrouw, In de nevels van het jarenwoud en Nachtvergrijpen. Zijn vader was trots op zijn beroemde zoon, prees het taalgebruik, maar over de inhoud sprak hij niet. Moeder ging het boven de pet, eigenlijk had ze meer op met haar schoonzoon. Die liet zijn handen tenminste wapperen, in tegenstelling tot haar zoon die leefde van de subsidies die hij ontving voor onbegrijpelijke boekjes met erg veel wit op de pagina’s. Critici duidden de gedichten als een verlangen naar intimiteit en de behoefte om de leegte in de dichter zelf te omsingelen met woorden. Citaten die het prima deden op een achterflap.
Als Helmer zijn vader naar zijn vroegste jeugd vroeg, kreeg hij nul op het rekest en ook moeder gaf niet thuis. Na de dood van zijn vader is Helmer naar diens beste vriend David van Akkeren gegaan, hij moest de vrouw toch ook gekend hebben. David zuchtte. Toen stond hij op. Resoluut. ‘Ik kan je niet helpen’, zei hij. Het is niet aan mij. Nu was ook moeder overleden en was er niemand meer om de vragen over vroeger aan te stellen. Ooit zal ik over deze dingen dichten, ik sla beelden op in mijn hoofd. Tegelijkertijd knaagt het benul dat vragen de voorkeur verdienen boven de antwoorden. Wat moest ik aan met het besef van ondoorgrondelijkheid van mijn bestaan, als daar een weten voor in de plaats kwam? Waarover kon ik dan nog schrijven?
Een oude buurvrouw, tante Ida, bindt Helmer op het hart de praatjes die er over zijn moeder rondgingen niet te geloven; Een engel, een opdracht van boven, hoe verzinnen ze het.
Als Helmer via de uitgeverij een condoleancebericht krijgt van juffrouw Valk, besluit hij haar op te zoeken. Hij mag Anita zeggen. Zij had zijn gedichten gelezen en voelde de aanwezigheid van zijn echte moeder. Alsof haar geest over de bladzijden zweefde, maar nooit wilde neerdalen.
Dat verhaal van tante Ida kende ze ook. Er zou een engel aan het sterfbed van je moeder zijn verschenen. De dominee vertelde dit in zijn preek tijdens de afscheidsdienst. Ongepast vond ik het verhaal. Idioter kan het niet.
En toch. Een valk is ontegenzeggelijk een gevleugeld wezen en Anita is bij mijn weten het enige woord (hoewel, IJsbrand?) dat zowel eigennaam als oxymoron is; een menselijke naam die zichzelf ontkent elke keer dat hij wordt genoemd. Is er meer nodig voor een engel?