Terug naar Zwanenburg

Ik had al een paar uur geslapen toen ik, even voor twaalf uur, wakker werd. Een vliegtuig misschien, de luchtverkeersleiding weet van geen avondklok. Ik zette de radio aan, hoorde het staartje van Met het oog op morgen, het eerste nieuwsbulletin van de nieuwe dag en de begintune van het programma Nooit meer slapen. Pieter van der Wielen interviewde Matthijs van Boxsel (1957), de auteur van het pas verschenen boek De topografie van de domheid. Utrecht, dacht ik, de Domstad. Of Domburg op Walcheren. Dommelen, schoot me te binnen, onder de rook van Valkenswaard. Of Domrémy aan de Maas op de grens van Lotharingen, waar de maagd van Orléans geboren werd. Het vraaggesprek op de radio richtte de blik naar het Oosten, naar Kampen dat zijn naam heeft gegeven aan de Kamper Ui, verhalen van spreekwoordelijk geworden domheid. Om die te begrijpen moest men terug naar de tijd van de Hanze en daarvoor, de rivaliteit tussen steden als Zwolle en Kampen.

Van Boxsel benadrukte dat domheid niet gezien moest worden als gebrek aan intelligentie. Het was een zelfstandige eigenschap die van alles te maken had met de zintuigen. Dom was ook wel een ander woord voor doof en stom, maar het verlies van spraak en gehoor werd in voorkomende gevallen ook weer gecompenseerd door andere kwaliteiten; beeldend vermogen, ruimtelijk inzicht. Nee, het past ons niet neer te kijken op de domheid. Ze is onuitroeibaar en uiteindelijk wat alle mensen met elkaar verbindt. De waanzin is onze gemeenschappelijke geestelijke achtergrond, de enige echte bron van het gezond verstand, schreef Cornelis Verhoeven (1928 – 2001). De domheid is ongrijpbaar, nooit de uitkomst van een voornemen, ze verschijnt eerst als het te laat is.

In mijn halfslaap mijmerde ik over de vraag of mijn woonplaats Zwanenburg ook een plaatsje zou verdienen in de Topografie van de domheid. Ik groef in mijn gedachten naar verhalen over het dorp. Tevergeefs, er was niets in mijn geheugen dat in aanmerking kwam, tot me de naam van Bas Heijne (1957) te binnen schoot. Heijne was al eens omschreven als een boekenjongetje uit Zwanenburg. De romancier, essayist, columnist en P.C. Hooftprijswinnaar had vijf jaar geleden het verdriet van de Zwanenburgers om de sluiting van het zwembad in het begin van de jaren negentig,  gebruikt om de kloof die de burgers scheidt van het bestuur en de politiek te duiden.

Heijne is weliswaar in Nijmegen geboren, maar bracht zijn jeugd door in het dorp nabij Halfweg aan de noordwestelijke rand van de Haarlemmermeerpolder.  Een forenzenplaats, in een tijd waarin – verkondigde iedereen – helemaal niets gebeurde, zo beschreef Heijne Zwanenburg in een vraaggesprek met het dagblad Trouw dat ging over de tien geboden. Verderop in het interview verandert Zwanenburg van een plaats op de kaart van Noord Holland langzaam in een gemoedstoestand. Had Billy Joel zijn New York state of mind die – I don’t have any reasons / I’ve left them all behind – langs de domheid schampt, Bas Heijne koestert een andere, bitterzoete weemoed. Ik heb heel lang met een groot verlangen rondgelopen, kon wegdromen bij de gedachte aan al de openbaringen die mij nog ten deel zouden vallen. Tot die tijd zat ik in Zwanenburg, waar niets gebeurde, omringd door mensen die mij veelal weinig interesseerden. Mijn reactie daarop was geen opstandigheid, maar verdoving. Het is een gevaar dat bij mij altijd op de loer ligt: als ik mezelf niet kan realiseren, of me onbegrepen voel, verdoof ik mezelf of hoe zal ik het zeggen, maak ik mezelf ongevoelig voor dingen. Zodra het me tegenzit, of ik op onbegrip stuit, keer ik terug in die veilige maar claustrofobische cocon van mijn jeugd. Dan keer ik even terug naar Zwanenburg.

Verdoving, ongevoeligheid voor de dingen, onbegrip en desinteresse. De troost van de domheid precies op de plaats waar ik woon. Ik sliep met een tevreden glimlach weer in.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *