Degene die de klappen opvangt, spreekt in de eerste persoon enkelvoud. Schelvis is de naam. Een rauwe bult littekenweefsel op de linkerwang getuigt van de eerste keer, een verwoeste bekkenbodem en een lange revalidatieperiode van de tweede. Als Nadia de Vries (1991), de auteur van ‘Overgave op commando’, waarvan Schelvis het hoofdpersonage is, over haar protagonist spreekt, gebruikt ze het woord ‘hen’. Ik zie dan gelijk een hoen van het vrouwelijk geslacht voor me, kalkoen, kip, kwartel, maakt niet uit. Ik zal dat woord niet gebruiken om een persoon aan te duiden die zich niet met een bepaald gender identificeert. In het boek blijft Schelvis’ identiteit in het ongewisse.
Schelvis groeit op in een dorp aan de kust onder de rook van de grote fabriek waar de meeste bewoners hun geld verdienen. Anderen, onder wie Schelvis’ moeder, zijn orderpicker in het distributiecentrum. Op de speciale school leerden we geen vreemde talen of wiskunde, in plaats daarvan bakten we brood en timmerden we vogelhuisjes. Een enkele keer metselden we een muur.
Een jaar of zeven geleden namen ze op zo’n school een politieman met vroegpensioen aan. Tijdens de techniekles raakte hij slaags met de leerlingen. Er vloog een krukje door het lokaal, iemand werd in zijn nekvel gegrepen. Het incident haalde De Telegraaf. Minister Slob beloofde een plan van aanpak waarvan niet meer is vernomen, net als van de zij-instromer en de minister zelf. Ik houd niet van bemoeizuchtige dingen, waarvan het lot een prominent voorbeeld is, net als astrologen, en de marechaussee, aldus Schelvis.
Na de eerste klappen vertrekt Schelvis naar de grote stad. Aan een periode van dakloosheid komt een eind als Ruud de haveloze verschijning, blauwe haren, vieze kleren en die wond op de wang, een kamer aanbiedt. Maar zijn gulheid kwam met een prijs. Binnenshuis was de knoop van mijn spijkerbroek vaker los dan vast, en de droge handpalmen van Ruud, alsook zijn eeltige vingers, deden me aan messen denken.
Koos van Zomeren (1946) las Han Kang Ik zeg geen vaarwel en schreef: Een eindeloze vracht ik-zinnen, je wordt er werkelijk hoorndol van. De Vries past de ik-vorm toe om informatie over haar hoofdpersoon achter te houden. Is dat wat Van Zomeren stoort? De suggestie dat de afstand tussen lezer en protagonist minimaal is, terwijl ik ook een barricade opwerpt tussen beide?
Op een prikbord in de gemeenschappelijke ruimte van de flat waar Ruud woont, leest Schelvis de oproep: Heeft u ooit iets ingrijpends meegemaakt waarover u de wereld graag wil vertellen? Neem dan contact met ons op. Dat was misschien een uitweg. Ik zou een nieuwe woning kunnen vinden. De lezende mens zou mij verlossen.
Pardon? Is dat dezelfde lezer die met de ik-vorm op afstand wordt gehouden?
Schelvis maakt kennis met publiciste Tanja, ze had erg mooie ogen en rook naar de zee, en wordt haar stagiair. Tot het takenpakket behoort het beantwoorden van de mail. Tanja leert haar pupil dat het lichaam een grillig ding is en dat onzichtbaarheid een privilege. In het donker kun je bewegen hoe je maar wilt.
Maar toen Tanja het in een van haar artikelen had opgenomen voor een man die van vier hoog zwaar gewond voor de deur van een drukke supermarkt was terecht gekomen, stroomde haar inbox vol met haatmail. De lezende mens bleek kwaad dat hun dagelijkse nieuws was onderbroken met een dergelijke ellendeling, die er bewust voor had gekozen zichzelf te verwonden.
Nee, van de lezende mens moet je het ook niet hebben.