Rijles

Twee factoren stuwden de leescultuur in Europa op tot grote hoogte. De ene: de leerplicht, de andere: de ontwikkeling van het spoorwegnet. De leerplicht zorgde voor een groter publiek dat leesvaardig was, in het spoor van een goed verzorgde dienstregeling van nationale en internationale treinen ontstonden reeksen van massaal geproduceerde goedkope boeken die via automaten en kiosken op de stations hun weg vonden naar lezende reizigers. Een eeuw later is het met de taalvaardigheid van de gemiddelde schoolverlater zorgelijk gesteld en is het openbaar vervoer de mokerslag van de covidpandemie nog niet te boven. Wel heeft een op de vijf volwassenen een rijbewijs en rijden er op het Nederlandse wegennet meer dan tien miljoen personenauto’s rond. Dat roept de vraag op hoe dat zit met de relatie tussen taalvaardigheid en rijvaardigheid.

Harmen Peeters was onderweg naar huis toen zijn telefoon ging. Hij stuurde zijn auto in een parkeervak, nam zijn telefoon op, maar de verbinding was al verbroken. Peeters verwachtte bericht van de politie die op zoek was naar zijn zoon die sinds een dag of wat vermist was. Peeters besloot gelijk naar het bureau te rijden. Dan hoort hij achter zich een schreeuw. In zijn spiegel ziet hij een vrouw op een fiets – een kind achterop – met twee voeten aan de grond op straat staan. Dat scheelde niets. Even gelooft Harmen in hogere machten. Zo staat het in hoofdstuk veertien van Witte Paarden & blauwzuur, het debuut van Cees van den Boom (1997), dat vervolgt met: Interpretatie van het bovenaardse, en in het verlengde daarvan het duiden van het onverklaarbare in een roman, lag niet in zijn natuur. Daarom ook waagde hij zich nimmer buiten de kaders van het weet- en meetbare, las hij geen fictie en had hij ook nooit begrepen wat de academische zin van literatuur is. Maar wel een rijbewijs dus.

Het hoofdpersonage van Tot alles in beweging komt, het prozadebuut van Ester Naomi Perquin (1980), heet Ela. Zij kreeg haar rijlessen destijds cadeau van de vader van haar eerste twee kinderen, maar een succes was het niet: de rijinstructeur die me rond mijn achttiende lesgaf, zei na een bijna-ongeluk dat ik ‘typisch zo iemand’ was die niets automatiseert. ‘Hooguit je eigen ademhaling’. Na zeven lessen had ze er de brui aan gegeven. Er was iets mis met de manier waarop ik naar de dingen keek. Ik registreerde gevaar wel maar greep niet in; op de een of andere manier wilde ik toch graag zien hoe het af zou lopen. Ze is het eens met haar moeder, een verstokte lezeres met een uitgesproken mening over mensen die goed kunnen autorijden: ‘zo’n vermogen treft bij uitstek mensen met een ernstig beperkte verbeeldingskracht’.

De betrekkingen tussen Ela en haar partner knapten er niet van op. En dan heeft hij het niet over de rijlessen die je stuk voor stuk verpest. Nee, hij schreeuwt niet tegen je, hij uit zich godverdomme. Dat zou jij ook eens moeten proberen.

De postbode, ook een lezer, noemt een boek een venster op de wereld. De moeder van Ela moet er niets van hebben. ‘Een echte lezer wil geen venster op de wereld,’ zei ze. ‘Die wil een schutting tussen zichzelf en de medemens.’

Als Harmen Peeters even later het politiebureau betreedt, staat er: De baliemedewerkster was een invalide. Die toespeling op de openingszin van Nooit meer slapen van W.F. Hermans (1921 – 1995) is aan Peeters niet besteed.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *