Onderweg

Nederland is te klein voor roadnovels. Het is onmogelijk om zich te verliezen in de wegen en de vlakke weiden. Autorijden heeft hier niets romantisch, het is stressen en jakkeren. De schaarse Nederlandstalige roadnovels zoeken het dan ook al snel over de grens. Ik herinner me ‘De slakken van Cannêt d’Olt’ van Ben Borgart (1940 – 2016) uit het begin van de jaren zeventig, die naar het zuiden van Frankrijk leidde. ‘Gibraltar’ van Renske Jonkman (1982) begint op de Amsterdamse Zuidas en eindigt in Essaouira aan de Atlantische kust van Marokko. P.F. Thomése (1958) stuurt zijn personage J. Kessels van Tilburg naar Hamburg en weer terug. Boxgeur van Vincent van Warmerdam (1956) speelt in de Verenigde Staten, volgt het spoor van de trans Siberische spoorlijn van Moskou tot Mongolië, zwenkt zuidwaarts richting Peking en pleistert enige tijd op een idyllisch eiland van de Indonesische archipel.

Niemand schrijft mooiere reisreportages dan Cees Nooteboom (1933). De beschrijvingen van de tochtjes in het Natuurdagboek van Nescio (1882 – 1961) zijn ontroerend. De verhalen over de wandeltochten van Jacob van Lennep (1802 – 1868) en Jac. P. Thijsse (1865 – 1945)  onovertroffen, maar roadnovels zijn het niet; want geen auto en geen rock ’n rollmuziek.

Die van Kessels is een Toyota Kamikaze met een cd-apparaat aan boord. Met zijn bruingerookte nicotinevingers schoof hij de cd in de gleuf en daar jankte op volle sterkte het verloren gewaande vaderland genaamd Texas onze cabine binnen. Een oude landrover rijdt van Amsterdam naar Marokko en uit de opengedraaide ramen hoor je muziek van The Doors. De auto in Boxgeur is een ivoorkleurige Chrysler Newport 1963. Onderweg is er weinig. Ja, keiharde blauwe luchten en muziek: FM-rock of country-and-western of onze eigen meegebrachte cassettebandjes.

The Invisible Chiefs bestaat uit Rem, gitaar, Manny, drums en zang, en Elsa, de jongere zus van Manny die basgitaar speelt. Een cassette met vier van hun liedjes had enige bekendheid gekregen op de campusradiostations. Midden jaren tachtig, een geheimzinnige auto-immuunziekte dreigde een eind te maken aan de vrolijke losbandigheid die sinds de jaren zestig over de naoorlogse generatie vaardig was geworden. Later zou die ziekte de naam AIDS krijgen. Want dat is een derde kenmerk van een roadnovel; de duivel zit de personages op de hielen.

Het is geen geoliede tournee, het is een romantisch verlangen naar de wortels van de Amerikaanse muziek die het drietal voortjaagt van Los Angeles naar Toronto, Canada, en weer terug. Manny, wordt ziek, Elsa heeft heimwee en gaat terug naar Nederland. Rem krijgt er niet alles van mee. Hij is op de vlucht voor het vaderschap.

‘Zal ik dan maar met zoon en al bij jou intrekken?, zei ze om me op de proef te stellen.

Ik zette me schrap. ‘Wil je niet liever iets voor jezelf?’

‘Je bedoelt dat jij dan lekker je gang kunt blijven gaan?’

‘Jij predikt toch onafhankelijkheid?’

‘Ja, en wie betaalt de rekeningen?’

Toen wist ik even niet meer wat ik zeggen moest.

Op drie april vorig jaar was Vincent van Warmerdam te gast bij het radioprogramma Nooit meer slapen. Hij sprak over de jaren tachtig als een schizofrene tijd. Je wist nooit precies waar je aan toe was, altijd was er de vraag: wat is eigenlijk de bedoeling?

Op die vraag zou ik het antwoord ook niet weten.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *