Moerasiris

De leemte in de correspondentie van de scholier Arthur Rimbaud (1854 – 1891) tussen 2 november 1870 en 17 april 1871, valt in de periode dat de wapens spraken. Op 19 juli 1870 had Napoleon III Duitsland de oorlog verklaard, vooral in de hoop dat een snelle victorie het keizerrijk zou redden. Een half jaar en meer dan een kwart miljoen doden en gewonden later lag Straatsburg in puin, broeide in een gehavend Parijs de Commune, en was het zaad voor de Grote Oorlog gekiemd.

Lag het aan het krijgsgewoel, de posterijen of aan de correspondenten? Dat de oorlog Rimbauds aandacht had, kunnen we opmaken uit enkele regels uit het postscriptum bij zijn voorlopig laatste brief aan zijn leraar Georges Izambard: Oorlog: – geen beleg van Mézières. Wanneer wel? Men heeft het er niet over. – Mézières is de vestingstad aan de Maas ten zuiden van Rimbauds woonplaats Charleville. Het aanstormende dichterstalent prees zichzelf bij het progressieve dagblad Le Journal de Charleroi aan als een strijdlustige journalist die in elke stijl kon schrijven. De uitgever van de krant, Jules des Essarts, nodigde hem aan tafel om kennis te maken, maar vond hem geen bruikbare aanvulling voor zijn redactie.

Dat Rimbaud die maanden veel van huis was, hielp ook niet. Na de zomervakantie bleven de schooldeuren gesloten. Arthur ontvluchtte het regime van zijn moeder en de benauwende burgerlijkheid van Charleville en nam de benen naar Fumay, Vireux, Charleroi, Brussel en Douai om na een kort verblijf in zijn geboorteplaats naar Parijs te gaan, waar hij kort voor de Communards bezit namen van de straten, verdween, hoewel getuigen hem later hebben horen zeggen dat hij in Parijs was tijdens de revolutie.

Ondertussen oefende Rimbaud het bohèmebestaan en eiste traditionele versvormen op voor nieuw idioom en een nieuw geluid: En rijmend in de wonderlijke schaduwplekken, / Liet ik als liersnaren de elastieken rekken / Van mijn gekneusde schoenen, dicht aan ’t hart een voet. In die periode ontstond ook Le dormeur du val,over een dode soldaat bij de beek, liggend op een bed van blauwe waterkers en gladiolen. Dat gegeven had George Sand (1804 – 1876) in 1833 beschreven in haar roman Lélia. Met authentieke ervaring heeft het gedicht weinig te maken, al was het maar omdat gladiolen in geen enkele Flora van de Ardennen uit die tijd voorkomen. Waarschijnlijk gaat het om moerasirissen.

Op oudejaarsavond 1870 woedde er een sneeuwstorm in de Franse Ardennen en bestookten  de Duitsers Mézières met zevenduizend granaten en brandbommen. Een dag later zag Rimbaud van een afstand hoe de brandweer machteloos was, omdat de leidingen waren bevroren. Misschien is die ervaring terechtgekomen in Een seizoen in de hel uit 1873: ’s Ochtends was mijn blik zo afwezig en liep ik er zo wezenloos bij dat de mensen op de weg mij misschien niet eens meer zagen. Plotseling schemerde het slijk in de steden mij rood en zwart voor ogen, alsof een zwaaiende lamp op de spiegel in een aangrenzende kamer scheen, als een schat in het woud! Het beste, riep ik, en ik zag een zee van rook en vlammen aan de hemel; en links en rechts laaiden de rijkdommen als een kermis van bliksemstralen.

Of in de regels: ik droom van een Oorlog, gerecht of gedwongen, van heel onvoorziene logica. Het is zo simpel als een muzikale zin.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *