Meudon 2

Theo van Doesburg heeft zijn zelfontworpen woning in Meudon nooit betreden. De website van het Van Doesburghuis beschrijft het atelier als ‘een aantal kubische ruimtes die als een spiraal om het trappenhuis heen zijn gemonteerd op zodanige wijze dat geen sprake is van verdiepingen’. Toen het in 1930 bijna klaar was, speelde zijn astma weer op en vertrokken de constructivist in woord en dada en zijn vrouw Nelly van Moorsel op doktersadvies naar Davos. Daar overleed Van Doesburg op zeven maart van het volgende jaar. Nelly van Doesburg keerde terug naar Meudon en woonde er tot haar dood op 1 oktober 1975.

In het jaar dat het echtpaar Van Doesburg Meudon verliet, arriveerde daar vanuit Florence de auteur die juist furore had gemaakt met de roman Het fregatschip Johanna Maria. Zijn zoon Arthur, die als Sjeu door het leven ging, wilde graag studeren bij de kunsthistoricus Henri Focillon (1881 – 1943) in Parijs. Er volgde een huizenjacht in de regio. In de pas verschenen biografie van Arthur van Schendel (1874 – 1946) schrijft Rob Groenewegen (1960): Stad en land liep hij af, soms putte hem dat zo uit dat hij zich per taxi liet verplaatsen. Bij een bepaalde gelegenheid viel hij in een trappenhuis ook nog van de trap af.

Toen hij in Parijs niets kon vinden, viel zijn oog op het voormalige huis van de Nijhoffs in Bellevue-Meudon. Helaas lag het te afgelegen voor de letterkundige die een geoefend wandelaar was, maar niet kon autorijden en een hekel had aan fietsen. Tenslotte vindt hij aan de Grande Rue een geschikte woning. Aan zijn vriend Willibrord Lampen schrijft hij: een treintje, dat zooiets als een tram is, houdt op honderd passen van hier stil en brengt je binnen een kwartier midden in de stad. Dat is vooral voor Sjeu heel gemakkelijk, al is er ook spijt: Hadden wij nu nog maar de zon van Firenze, eigenlijk héél Firenze hier, dan zou het nog mooier zijn.

Van Schendel kon er niet onmiddellijk aarden. In de zomer van 1931 verbleven hij en zijn vrouw in Ascona, Domburg, Den Haag en Amsterdam. In Meudon verschanste hij zich in zijn werkkamer om de Bijbelsche verhalen door Arthur van Schendel drukklaar te maken en het jaar daarop werkte hij zich in de Koninklijke Bibliotheek door de documentatie voor zijn volgende project: De Waterman. Pas toen in mei 1932 Du Perron (1899 – 1940) en Bep de Roos op loopafstand van de woonstee van Van Schendel een appartement betrokken, werd Meudon een beetje eigen. Du Perron en Van Schendel vonden elkaar ook in het zingen van Indische liedjes uit hun jeugd, schrijft Groenewegen. 

Jan Greshoff (1888 – 1971) logeerde regelmatig in Meudon. Rond de klok van negen uur in de avond trok Van Schendel zich terug om te schrijven. Greshoff herinnert zich: in het aangrenzend vertrek zaten wij gevieren druk te redeneren of we maakten een schaterende jazzmuziek en dansten. ’s Nachts was het doodstil en hoorde hij alleen het neerleggen van een pijp op het asbakje, het aanstrijken van een lucifer, het klokken van het bier in het bierglas.

Dat de schrijver van De wereld een dansfeest daar zelf ook niet vies van was, bewijzen de enige bewegende beelden van hem, die juist in Meudon zijn gemaakt. We zien hoe de schrijver en zijn gezin bezoek ontvangt en weer uitzwaait, daarna poseert met zijn vrouw Annie, zijn dochter Kennie en met Sjeu, om daarna, pijp in de mond, een dansje te doen met Kennie.

In juni 1933 kan Sjeu als vrijwilliger aan de slag in het Rijksmuseum, Van Schendel en zijn vrouw verhuizen gelijk terug naar Italië.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *