‘Memory is a muscle’, aldus George Steiner (1929 – 2020). Was het in gesprek met Wim Kaizer (1946 – 2023) op de VPRO-televisie? Of tijdens een lezing in de Amsterdamse Koepelkerk in een van de laatste decennia van de vorige eeuw? Alles goed en wel, mijnheer Steiner, maar dan wel een spier zoals het hart er een is. Men kan die sterker maken door te bewegen en goed te eten, uiteindelijk trekt hij zich niets van ons aan en klopt en pompt en stopt al naar het hartje begeert.
Voor Marcel Proust (1871 – 1922) was een Madeleine-cakeje gedoopt in een kopje thee voldoende om een stroom herinneringen op gang te brengen die de zevendelige romancyclus À la recherche du temps perdu zou gaan vullen. Die vreemde samenloop van omstandigheden gaat sindsdien als mémoire involontaire door het leven. Terwijl hij de laatste hand legde aan het slotdeel van zijn zoektocht naar de verloren tijd, publiceerde Carry van Bruggen (1881 – 1932) het eerste deel van haar jeugdherinneringen; Het huisje aan de sloot. Het volgende jaar verscheen Avontuurtjes. Het laatste deel, Vier jaargetijden, kwam in 1924 uit en was opgedragen aan haar broer Jacob Israël de Haan die op dertig juni van dat jaar in Palestina was vermoord.
Kende Caroline de Haan, zoals Van Bruggen in haar jeugd heette, het geheim van de Madeleine-cakejes? Er is niets wat daarop wijst. Wel kende zij de tovermacht die het geheugen ontsluit. Een vroege lentedag en dan wandelen door de polders, langs de dijken en dat iemand zingt: Ik ging op zek’re dag aan het varen / Over de diepe, wijde zee. / In een bootje ging ik varen / En mijn zusje nam ik mee… Toen het al bijna winter was hoorde ze op school hetzelfde liedje. En haar griffel rolde uit haar vingers over de lei tot de onderrand en stokstijf zat ze voor zich uit… want daar rook ze onverwacht de reuk van gras, dat nog moest komen en liep in de wind en in de zon hoog langs de dijk
Dat die tovermacht niet iedereen gegeven is, lezen we in het vervolg van het verhaal. Jaap Halberstadt is al zestig jaar een goede vriend van Carolines opa. Als Halberstadt de slaap niet vatten kan, neuriet hij niggentjes, Joodse gezangen, voor zich uit. Hij zong ‘Ngoleinoe’ en ‘Mongousor’ en ‘Mangariew’ en alles… en toen ineens zong hij iets… en wist zelf niet wat het was. Hij zou het de Rebbe vragen, maar hoe onthoud je een liedje dat je vergeten bent? Opa’s vriend herkende het lied in het tikken van de klok, maar de volgende ochtend kon hij de klok bezwaarlijk meenemen naar de Rebbe. Onderweg blijft hij zingen om de niggen niet kwijt te raken tot in het huis van de Rebbe. Op hetzelfde moment dat hij de Rebbe de deur in hoort komen en dat hij even luistert wat de visboer zegt dat de bot kost… daar is hij zijn niggentje kwijt…
Zocht ik niet naar een van die winterzinnen, waar Carry van Bruggen zo goed in was? Tussen de witte aarde en de zwarte hemel zingt de wind in de bomen, die half wit als de aarde en half zwart als de hemel zijn. Het is een donker, grommend lied, dat de ruimten van hemel en aarde vervult. En dat toen de telefoon ging en de voorzitter van de zangvereniging zei dat de repetitie woensdag wegens de weersomstandigheden niet zou doorgaan.