Ken uzelf

In 1959 verscheen in het tijdschrift Systematic Zoology een artikel van de botanicus William Stearn (1911 – 2001) die de grondlegger van de taxonomie Carl Linnaeus (1707 – 1778) lof toezwaaide. Wel merkte hij op dat er iets ontbrak aan ‘Systema Natura’, het levenswerk van Linnaeus, waarin alle levende wezens, planten en mineralen systematisch zijn beschreven. Linnaeus definieerde de verschillende soorten op basis van een specimen, hetzij levend, hetzij geconserveerd, desnoods een afbeelding voor hij ze opnam in zijn systeem. Stearn constateerde dat alle beschrijvingen teruggaan op een type in zijn verzameling, op één na; de homo sapiens. Dan moest de mens die Linnaeus bij het catalogiseren voor ogen stond, degene zijn die hij het beste kende, zichzelf!

Een staaltje Engelse humor? Zeven jaar later bekrachtigde het International Committee on Zoological Nomenclature (ICZN) de veronderstelling van Stearn en riep het lichaam van Linnaeus uit tot het officiële type van de homo sapiens. Jason Roberts, auteur van Every Living Thing, dat vorig jaar verscheen en onlangs in het Nederlands is vertaald, waaruit ik deze kennis put, spreekt er schande van. Het is onmogelijk om het feit goed te praten dat het ICZN er in 1959 toen de Tweede Wereldoorlog nog maar veertien jaar geleden was, niet in slaagde om de implicaties te bespreken van het benoemen van een Noord-Europeaan als de typische mens.

In de eerste editie van Systema Natura had Linnaeus de moed om de Anthropomorpha een plaats te geven in het dierenrijk. De orde bestond uit luiaards, mensapen en mensen, die op elkaar leken omdat ze geen staart hadden. Als hij even later een beschrijving geeft van de soort homo, ontbreekt elk kenmerk en schrijft Linnaeus eenvoudigweg Nosce te ipsum, ken uzelf.

De tweede editie was achtenzeventig pagina’s dikker. Aan de orde van de mensachtigen waren de miereneters toegevoegd en de mensensoort was onderverdeeld in vier variëteiten: de Witte Europeaan, de Rode Amerikaan, de Geelbruine Aziaat en de Zwarte Afrikaan. Jason Roberts spreekt van vier catastrofale lemma’s.

In de editie van 1758 bleken de inzichten van Linnaeus van kwaad tot erger voortgeschreden. Over de Homo sapiens americanus schreef hij nu dat die opvliegend, eigenzinnig en vrij was en zich liet leiden door gewoontes. Die van Afrika was slim, traag en onverschillig en volgt zijn of haar grillen. De Aziatische variant is hooghartig, streng en hebzuchtig en wordt gedreven door meningen. De Europese, tenslotte, is zachtaardig, schrander en inventief en volgt wetten.

Dat het ook anders kon bewees Linnaeus’ tijdgenoot Georges-Louis de Buffon (1707 – 1788), bewaarder van Le Jardin du Roi, de latere Jardin des Plantes in Parijs en auteur van vijfendertig delen Histoire Naturelle. Sinds het verschijnen van de eerste editie van Systema Natura, had hij zijn bedenkingen bij de methode van zijn collega-geleerde. Wie zich uitsluitend liet leiden door uiterlijke kenmerken van een specimen bij het definiëren van onveranderlijke soorten, zet de schepping een masker op. Buffon zag de levende natuur als een dynamisch netwerk en vermoedde, honderd jaar voor Darwin er met de Beagle op uit trok, dat de verschillende soorten uit elkaar waren voortgekomen; met kleine opeenvolgende stapjes die zich uiteindelijk tonen in uitkomsten die niet kunnen worden misverstaan.

De Linnean Society geeft op haar website toe dat Linnaeus’ classificatie een van de achttiende-eeuwse wortels van het moderne wetenschappelijke racisme is en wil de gevolgen daarvan aanpakken.

Wat kunnen wij van het Linnaeuskoor daaraan bijdragen als we dit najaar de Linnaeuscantate zingen?

Daar zijn nog wat repetities voor nodig.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *