‘De bus rijdt als een kamer door de nacht’, luidt de eerste regel van Afsluitdijk, misschien wel het bekendste gedicht van Vasalis (1909 – 1998). Het verscheen in de bundel ‘Parken en Woestijnen’ uit 1940 en moet terug gaan op een ervaring van bijna een eeuw geleden. In 1933 is de afsluitdijk voltooid, pas daarna kon het traject worden opgenomen in de dienstregeling van het streekvervoer. De onverlichte dijk, het donkere water, het schaarse licht van de bus dat weerkaatst in de ramen en naar buiten schijnt. Vasalis schrijft: ‘Daar zie ik ook mezelf. Alleen / mijn hoofd deint boven het watervlak, / beweegt de mond als sprak / het, een verbaasde zeemeermin.’.
Ik benijd de dichteres om haar bustocht. De bus die door mijn woonplaats rijdt is doorgaans leeg, op de bestuurder na. Vooruit, af en toe een eenzame passagier op de voorlaatste bank bij het raam. Lijn 161 verbindt het treinstation van de hoofdplaats van de polder met dat bij de voormalige Suikerfabriek. ’s Nachts en in de weekeinden is de dienstregeling opgeschort; op werkdagen passeert het voertuig eens per uur. Op de NS-stations komen en gaan elk kwartier wel treinen. Aan het traject hoeft het niet te liggen; de polder is net zo vlak en als het nacht is even donker als het IJsselmeer. Dan maar geen zeemeermin. Willem van Toorn (1935 – 2024) schreef in het gedicht Polder dat het wel kan: op reis door de lage mist / tegen de avond, tussen Amsterdam en Leiden / in een bus van Maarse en Kroon.
Ik had de rugleuning van mijn stoel naar achteren gezet en luisterde met gesloten ogen naar het strijkkwartet no. 4 in E mineur van Antonín Dvořák, toen dat plotseling bruut werd onderbroken. Kort na een uur ’s middags. Mijn leeslamp was uit, vanuit de keuken ontbrak het vertrouwde zoemen van de koelkast. Met de gaslevering was niets mis en theewater opzetten kon gewoon. Een klein half uur hoorde ik de koelkast weer en zag ik vanuit een ooghoek hoe de lamp aanfloepte. Van Dvořák is die middag niet meer vernomen.
De volgende dag liep ik na mijn wandeling door de westelijke randen van de stad voor de brandweerkazerne langs om de doorgaande weg over te steken. Het klopte niet. Auto’s onderweg naar het dorp stonden stil, uitgaand verkeer was er niet. De chauffeur van lijn 161 manoeuvreerde zijn lege bus achteruit, naar rechts, vooruit, linksaf en verdween in de richting waar hij volgens dienstregeling juist vandaan kwam. Het verkeer achter de bus aarzelde om de vrijgekomen plaats op de weg in te nemen.
Voor de brug over de ringvaart zag ik rode verkeerslichten, de slagbomen neer, net als het brugdek. Oversteken was tussen de stilstaande auto’s gemakkelijk en terwijl ik de brug naderde zag ik de brugwachter uit zijn huisje komen. Hij gebaarde met zijn armen en handen het is gedaan, niets aan te doen naar de auto’s die uit vier richtingen aansloten.
Niet voor mij, dan toch. Als ik bukte, kon ik gemakkelijk onder de slagbomen door. Daar lag de verlaten brug. Ik dacht aan het wonderlijk gespleten heden uit de laatste regel van Afsluitdijk toen uit de hemel een oorverdovend en onheilspellend lawaai losbarstte. In een tijdsbestek van nog geen drie minuten vlogen vier F-35 gevechtsvliegtuigen laag over.
Die oefening van defensie op Schiphol, ik had erover gelezen.