Kleren maken de man, dat weet iedere sollicitant en iedereen die een beroep uitoefent in uniform. In de wereld van de fictie geldt dat eens temeer, de kerstman en sinterklaas bestaan pas zodra ze aangekleed zijn, superman valt samen met zijn kostuum, wie zou assepoester zijn zonder glazen muiltjes en klein duimpje zonder zevenmijlslaarzen? Maar de garderobe van de protagonist uit ‘Van de kleermaker en de prins’ maakt het wel erg bont. Dingeman, heet de kleermaker. Trekt hij zijn schoenen aan, dan nemen die gelijk een loopje met hem, nog voor hij zijn pantalon heeft dichtgeknoopt, dansen zijn benen al naar de pijpen, en hoe hij zich ook verzet, zijn kleren geven geen krimp, ze trekken zich er niets van aan. Zelfs zijn sokken protesteren als hij ze probeert te stoppen.
Het verhaal is het derde van vier uit de bundel Seizoenen van Koos Dubbelman (1955) die vorig jaar verscheen. De eerste woorden, Er was eens,doen vermoeden dat we met een sprookje te maken hebben. Er is inderdaad dankbaar gebruik gemaakt van de gereedschapskist van de volksvertelling. Zijn kleren sturen de kleermaker op een gevaarlijke reis door donkere bossen en hoge bergen. Dingeman vertrouwt op de stok die hij van een vreemdeling heeft gekregen en gelukkig wordt hij onderweg dankzij toevallige ontmoetingen van het nodige voorzien, al is het hem een raadsel wat hij met het kostuum en hoofddeksel moet die hij, voor hij de bergen in trekt, van een collega heeft gekregen. Over de top ontrolt zich voor zijn ogen een adembenemend landschap met een kasteel in de verte. Als hij daar vertelt dat hij in zijn eentje van over de bergen is gelopen, zeggen ze dat hij een sprookje vertelt.
Wendingen in het verhaal worden steevast in drie porties opgediend. Eerst de waarschuwing van mist in de bergen, dan de omineuze verandering van weer, tenslotte de ondoordringbare witte deken, en als er ook nog wind opsteekt, dreigt de doos met de hoed over de rand van het ravijn te verdwijnen. Pas bij zijn derde poging slaagt de kleermaker erin het kasteel binnen te komen, hij heeft dan al twee keer een optocht met wagens uitzinnige jonge vrouwen langs zien komen; de prins gaat binnenkort trouwen, maar met wie?
Anders dan in de traditionele sprookjes is Dingeman niet de verpersoonlijking van het goede, op dapperheid is hij niet te betrappen, hij is eenvoudig de dupe van zijn kleren. In zijn outfit het kwaad zien, miskent dat de kleermaker alleen daardoor zijn reis kon voltooien. Dood speelt geen rol in deze vertelling, dat Dingeman zonder kleerscheuren alle gevaren overleeft, is nauwelijks zijn verdienste, zijn kracht zit ‘m in zijn geduld en zijn lijdzaamheid. Wat kun je anders als hoofdpersoon van een sprookje in een onttoverde wereld?
Het valt Dingeman op dat de kleren van de prins lijken op het kostuum dat hij al die tijd met zich mee heeft gesjouwd. Zelf ziet hij eruit als een vieze zwerver, hij heeft zich al weken niet gewassen of geschoren. Voor hij zijn opwachting bij de prins maakt, kan hij zich opfrissen en verzorgen. Hij trekt het kostuum aan van de oude collega en zet de hoed op zijn hoofd. De oude zwerver staat niet meer op uit het hoopje vieze kleren dat achterblijft. Het falende geheugen doet de rest. Na een jaar weet niemand meer dat er iets vergeten is