Aan een haak

Tijdens de pandemie waren er berichten over zorgen over baby’s die in hun eerste levensmaanden uitsluitend gezichten zagen met een mondkapje. Dat van de verloskundige, de vroedvrouw, de kraamhulp, ouders, broertjes, zusjes. Zwaaiende grootouders buiten voor het raam. Zouden de pasgeboren kindjes zich kunnen hechten aan alleen een paar ogen? Hoe moesten ze ooit leren lachen, als het hun niet was voorgedaan?

Het is januari 2021. Je bent twee dagen en bijna twee nachten oud. Het kindje slaapt in een bedje van plexiglas, zijn moeder spreekt het in gedachten toe. In het donker van mijn ziekenhuisbed word jij een kubistisch samenraapsel. Naast mij ligt mijn kind, en het heeft geen gezicht. Ik probeer niet in paniek te raken. We bevinden ons in het eerste hoofdstuk van Als de dieren, het debuut van de Vlaamse Lieselot Mariën (1986), één van de zes genomineerden voor de Libris literatuurprijs. Negen maanden heb ik je gedragen, en toch voelde het alsof je in enkele seconden dwars door mij heen gevallen was.

Het kind zal in april 2020 zijn verwekt. Een maand eerder las Ingmar Heytze (1970) zijn gedicht Vogels, vissen voor op radio 1: Ik ben net zo bang als jij, net zo bezorgd voor iedereen die ik niet missen kan. Hij leest: Maar in Wuhan hoor je vogels zingen. Boven China was de lucht nog nooit zo blauw. In Venetië zien ze vissen in het helderste water sinds tijden. En besluit met: We zijn een virus dat een virus heeft gekregen.

Als de ik-persoon uit het eerste hoofdstuk later naar de foto’s van haar en haar zoon kijkt, lukt het haar nauwelijks zichzelf te herkennen. Ze spreekt van een vrouw in mijn kleren, meent dat het te maken heeft met een moment in augustus 2021 waarop ik jou hoorde huilen en je de rug toekeerde; het moment waarop zij je troostte en ik de trap af liep. Het moment dat ik en de vrouw in mijn kleren niet meer samenvielen.

In diezelfde maand steeg het aantal besmettingen in België tot ongeveer 500 per dag. In het hele land werd een mondmaskerplicht ingevoerd en een avondklok verordend. Uit die tijd dateert de foto van haar en een vriendin die ook dat jaar een kind gekregen heeft. Twee tevreden glimlachende moeders op een picknickdeken, elk met een stevige baby van ongeveer acht maanden op de arm. Nee, deze kinderen zou het, pandemie of geen pandemie, aan niets ontbreken.

Ook in de stad, waar ze met haar baby in de draagzak loopt, trekt men zich niets aan van de aanbevelingen om de gevolgen van de pandemie te beperken. Er lopen zoveel mensen in deze straat, er lopen zoveel mensen. Ze stompen met hun boodschappentassen tegen mijn dijen, ze spreken voor zich uit in telefoons die ze in hun hoofddoek knellen, ze roepen naar elkaar van weerszijden van de straat. Voor een slagerij staat een bestelwagen met daarin het kadaver van een schaap. In dit moederschap hangt mijn lijf aan een haak, druipt mijn bloed uit mijn vlees.

Dat voorjaar was in de Vlaamse versie van Beleef de lente te zien hoe de slechtvalk zodra de eieren braken, haar jongen verorberde. De beelden werden ijlings offline gehaald. Een expert verklaarde dat dit niet de natuur is. Voor het scherm is de vrouw in mijn kleren, het kind slapend op haar buik, er getuige van. Ik weet hoe het komt en het is afschuwelijk.

Maar dus geen Covid.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *