‘Alles is in alles’, luidt de kop boven het vraaggesprek in De Volkskrant van afgelopen zaterdag van Onno Blom met Atte Jongstra (1956). Jongstra schreef op verzoek van de voorzitter van de Vroman Foundation Theo Mulder, een biografie van Leo Vroman, de dichter, schrijver, illustrator, wetenschapper, pacifist die in februari 2014 op achtennegentigjarige leeftijd overleed. Blom heeft het over ‘een averechtse, gefragmenteerde biografie, 992 pagina’s vol wetenswaardigheden en eigenaardigheden’. Zo kennen wij Atte Jongstra die ons eerder verbijsterde met titels als ‘Groente’, ‘Worst’, ‘De avonturen van Henry II Fix’ en ‘Diepte’, lak heeft aan verhaallijnen en serendipiteit als levensbeginsel heeft. Zou ‘Wat de stoel wil weten’ uit de bundel ‘Soms is alles eeuwig’ uit 2009 ook een plaatsje in de levensbeschrijving krijgen?
Het was geen stoelpoot, het was een stapel trottoirtegels waaraan ik mijn tenen stootte. Ik zocht in de bijna dichtgegroeide tuin een plaatsje voor de kleinbloemige zonnebloemen Helianthus debilis die, sinds ik ze begin maart had gezaaid, uit hun potjes groeiden. Een blik op de perken, de handen vol kluiten en spruiten, geen aandacht voor waar ik mijn voeten, gestoken in teenslippers, moest planten en dan die aanvaring met de tegels met daarop een aarden pot waaraan een scherf ontbrak. Terwijl ik de pijn verbeet en traanvocht terug in de klieren dwong, herinnerde ik mij geen gekraak. Van een bloedende wond was evenmin sprake. Misschien viel het mee, als ik voorzichtig deed, kon ik het drietal getroffen tenen zelfs een heel klein beetje bewegen.
Au! Telkens als diezelfde blote / tenen tegen diezelfde poten / van diezelfde leunstoel stoten / vloek ik met hetzelfde woord / en hoop dan dat die stoel het hoort / omdat wij allebei bestaan. schreef Vroman. Ik maakte mijn tuinklusje af, voorzichtiger, langzamer, evenwicht zoekend met anderhalve voet en zocht daarna een veilig heenkomen voor de televisie waar Wout Poels, Giulio Ciccone en Einer Rubio probeerden met voorsprong aan de slotklim in Pila te beginnen. Als Jonas Vingegaard zijn stuur en trouwring heeft gekust en winnend over de finish is gereden, verlaat ik het scherm om een glas wijn te halen. Of ik last van stijve spieren heb, wil mijn lief weten. Het onzachte treffen van tenen en tegels laat een strompelend spoor na. Het ergste is al geweest, mompel ik, en denk: het meeste moet nog komen.
De godganselijke nacht verscheen zes jaar eerder dan Soms is alles eeuwig. De eerste regel van het openingsgedicht luidt: ‘Toen ik nog leefde’, zei de stoel, en in de laatste strofe is de stoel nog niet uitgepraat: Kom maar eens lekker op mijn schoot / dan laat ik vier pootafdrukken na / in het peinzen van je tapijt. De stoel van zes jaar later is minder toeschietelijk en bromt: ‘Komt daar nooit een einde aan?’
Als ik de volgende ochtend de benen over de bedrand zwaai, is de aarzeling daar opnieuw. Kan ik wel staan op die voet, en zie ik het goed? Is de boel niet opgezwollen? Wankelen naar de badkamer. Van de dagelijkse wandeling zal het niet komen, maar fietsen lukt nog, al moet ik ervoor zorgen bij onverwacht stoppen de rechtervoet aan de grond te zetten. Juist wat ik niet gewend ben. En hoe moet dat als ik er vanmiddag op uit ga om vlierbloesem te plukken om siroop te maken?
Vroman antwoordt: ‘Geduld, mijn brave stoel, geduld! / Maar dit keer was het weer jouw schuld.
De stilte van de stoeptegels bevalt me beter.