Zonder woorden

Tijdens de studie Nederlands kwamen allerlei aspecten van de moedertaal voorbij, van letterkunde tot logopedie en van grammatica tot gespreksanalyse, maar zwijgen was er niet bij. Daarvoor moesten we wachten tot in 1999 daarover een themanummer van tijdschrift in boekvorm Raster verscheen en een keur aan binnenlandse en buitenlandse auteurs er hun licht over lieten schijnen. ‘Volledigheid in dezen is uiteraard ver te zoeken’, schreef de redactie in het Ten geleide. Zo schitterde Hans Faverey (1933 – 1990), toch de dichter die met het ene woord het andere wist en voor wie het wit van de pagina misschien wel belangrijker is dan het zwart, door afwezigheid en ontbrak ook het vijfde verhaal uit het drie jaar eerder verschenen ‘Gewaagd leven’ van Astrid Roemer (1946 – 2026).

In dat vijfde verhaal bevinden we ons in Suriname tijdens de roerige beginjaren tachtig. Dat schooljaar is Iris nieuw in de klas bij Onno. Zij is een migrantenkind dat van de Antillen is over gekomen, hij is een zoon van een predikant en een zorgmedewerkster die in een dienstwoning in de jungle wonen. Onno besloot een maand lang niet te spreken. Hij keek de kunst af van Iris, die zich afzijdig hield van het gedoe van haar klasgenoten, omdat ze geen hoge pet op had van het onderwijs dat haar werd aangeboden. Zij had door vooral niets te zeggen en te doen iedereen duidelijk gemaakt, dat zij alleen heil zag in een schooljaar dat met vakantieonderbrekingen gewoon door bleef lopen. Onno is verliefd op haar, zat wel eens bij haar in het gras. Hij had geen antwoorden, geen vragen. Als hij de moed opbrengt langs haar huis te gaan, is daar een opstootje gaande; er ligt een slang op het terras. Het lukte Onno het dier te vangen en naar de dierentuin te brengen. Als dank wordt hij met de familie mee uit eten genomen.

Zijn moeder snapte er niets van en was woedend op haar zoon. Roemer schrijft dat het resulteerde in een woordenwisseling die leek op een samenspraak tussen twee personen die dezelfde woorden gebruiken maar daar verschillende betekenis aan geven. Voor Onno is de maat vol. Voortaan zweeg hij. Het was zijn manier om zijn weerzin tegen de mogelijkheden van geschreven en gesproken taal uit te drukken. Zo probeerde hij de macht van het alfabet te breken; zolang iedereen is opgesloten in het eigen gelijk, is praten zinloos. Niet spreken gaf hem rust van binnen en moest de waarheid dwingen zich behoorlijk te vertonen. Hij kreeg bijval van zijn docente geschiedenis die meende dat de samenleving in Suriname gered kan worden als de politici en andere machthebbers het zouden kunnen opbrengen hun mond voor een maand dicht te houden. Dat vond weerklank op het schoolplein. Er moest een tijd aanbreken van weigeren te luisteren, weigeren te spreken, weigeren te geloven, weigeren te bidden ..

Terwijl de maand vorderde, groeide bij Onno’s moeder waardering voor zijn onderneming. Ze is van mening dat het eigen organisme de aangever hoort te zijn tot gezond menselijk contact plus dat elk soort onthouding reinigt. Werd hij in de klas gedwongen het zwijgen te verbreken, dan riep hij Au zolang hij kon. Iris vertelde hem ondertussen verhalen op een bankje in de Palmentuin, voor haar het toppunt van romantiek. Als de eenendertig dagen bijna voorbij zijn zegt ze: Onno, als je nu van me houdt hoef je alleen maar mijn lippen aan te raken.

Dit bericht is geplaatst in bij de les, zaliger nagedachtenis met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *