Zingen

‘Meneer, weet u wel dat Sjoerd vandaag jarig is?’ Ik wist het niet. Vijftien jaar is hij geworden en hij zit in vier havo. Of ze al voor hem hebben gezongen. ‘Als jullie dat doen, ben ik gelijk weg’, zegt de jarige. Meer aanmoediging hebben we niet nodig; het ‘Lang zal hij leven’ wordt ingezet en het feestvarken neemt gelijk de benen, het lokaal uit en zoekt een heenkomen op een van de tafels die in het leshuis staan. Als het ‘Hiep, hiep, Hoera’ is verstomd waarschuw ik hem dat de kust veilig is en dat hij terug kan komen. Zodra hij binnen is, begint het zingen natuurlijk opnieuw.

Volgens het Koornetwerk Nederland zijn er in ons land 1.700.000 zingende mensen, amateurs en professionals, solisten en koorleden. Het netwerk heeft weet van tienduizend geregistreerde koren, maar het aantal wilde koren kent niemand precies. Toch verbleekt de Nederlandse koortraditie bij die van het Verenigd Koninkrijk. En het koorleven van de Britten staat op zijn beurt in geen verhouding tot dat van de Baltische staten en dan in het bijzonder Estland waar tijdens het jaarlijkse zangfeest üldlaulupidu de ene helft van de bevolking in grote stadions de andere helft toezingt. Is het waar dat de zanglust toeneemt naarmate men de magnetische noordpool nadert?

In de vroege jaren zestig van de zestiende eeuw rustten de Antwerpse kooplieden Jonghelinck, Hoefnagel en Hooftman drie schepen uit voor een expeditie naar het Noorden. Ze waren uit op walvisvlees, olie en traan en het ivoor van walrustanden, maar er was ook het gerucht dat men op zoek ging naar een Noordelijke doorvaartroute naar Azië. Drie jaar later keerde een van de drie schepen terug naar de Scheldestad. De opvarenden zagen er haveloos en vermagerd uit en keken met een lege blik om zich heen. Geen wist te vertellen wat er met de anderen was gebeurd. Het ruim was gevuld met walvisvlees en walrustanden en een ruime kooi die met een zwarte doek was bedekt toen hij op de wel gehesen werd. In de kooi huisde een monster, meer precies een moederdier met haar jong. Jeroen Olyslaegers (1967) doet er verslag van in zijn vorig jaar verschenen roman Wildevrouw.

Het vrouwdier en het kind vonden onderdak bij de beroemde kaartenmaker Abram Ortelius, maar zijn behuizing was bij nader inzien ongeschikt, waarna het gezelschap een kamer kreeg In de Engel op het Zand waar herbergier Beer de scepter zwaaide. Hij hield de wildevrouw en haar kind verborgen voor zijn gasten, maar lang kon dit niet duren. De Skraelingen maakten zelf hun aanwezigheid bekend door te zingen.

Ik noem het ‘gezang’ omdat ik er geen ander woord voor heb. Het klonk alsof het een duivel of een engel wilde bezweren. Woorden kon ik niet herkennen, het waren klanken die soms hoog gingen, soms heel diep, alsof een vrouwenstem die van een man werd en omgekeerd, of als een mens die verandert in een beest en omgekeerd.

Dat voor de jagers in het hoge noorden voor de jacht begint het visgerei net zo goed op orde moet zijn als het lied, wisten we al uit de tekst Neuriën op Nipissak van H.C. ten Berge (1938). Jeroom uit het boek van Olyslaeger, die op de noordpool blind is geworden, weet het ook: De wilden daar zingen tot het ijs kraakt, waardoor zij kunnen varen waar geen ander dat kan. Dat gezang was het laatste wat ik hoorde vooraleer ik mijn zicht verloor.

Op de afgelopen persconferentie deelde demissionair premier Rutte mee dat de terrassen langer open mogen en dat iedereen weer binnen en buiten mag sporten. Zingen, waar dan ook, wordt dringend ontraden. En een boek lenen mag ook niet.

Dit bericht is geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *