Tuxford

De foto zou dan uit de tweede helft jaren negentig van de negentiende eeuw zijn. Zwart-wit, natuurlijk, staand formaat, waarschijnlijk buiten genomen. Er is geen lucht te zien, geen horizon, geen schaduw, geen regen. Een jongeman op een rotan stoel. Wijdbeens, ellebogen op de knieën, vingertoppen van de ene hand losjes tegen die van de andere. De blik naar de grond gericht, ongeveer anderhalve meter voor zich, zit hij voor een begroeide muur. Zitting en rug van de stoel zijn met een batikachtige doek bekleed. Wit overhemd, das, gesloten vest, wollen colbert, bijpassende broek zonder vouw, donkere sokken, lichte lage veterschoenen. Pet op het hoofd, een pijp in de linker mondhoek. Snor. Het ziet er naar uit dat de onbekende fotograaf een paar meter rechts voor de man stond. ‘Leraar te Engeland’, luidt het onderschrift. De man is Arthur van Schendel (1874 – 1946).

Wat mij er toe bracht schoolmeester te worden weet ik niet meer, maar zeker was het geen roeping of berekening van een voordelige loopbaan. Daar er al eerder een poging was geweest om weg te trekken is het wel mogelijk dat alleen een zucht naar het vreemde land mij dreef. Ik was een-en-twintig toen ik het in de zin kreeg naar Engeland te gaan en van iemand hoorde dat men daar gemakkelijk op een school terecht kwam. Deze herinnering van Van Schendel uit 1937 verscheen voor het eerst in de bundel Herdenkingen uit 1950, vier jaar na het overlijden van de schrijver. Hij was op vijf maart 1895 eenentwintig geworden. Het is het jaar dat hij een studie MO Engels begint en debuteert met de roman Drogon. In het najaar was hij in het district Nottinghamshire aangekomen in het plaatsje Tuxford. Een bleke jongeman, dien ik Mr Frank mocht noemen, liet mij in het studeer- en tevens woonvertrek van den headmaster, zijn vader. Het eerste wat hij zeide was dat ik, aangezien het al vier uur was, mijn taak den volgenden morgen kon beginnen en hij vroeg of ik behalve het Frans, het vak waarvoor ik als foreign master was aangenomen, ook Latijn wilde onderwijzen. Het docententekort is van alle tijden. Even later vraagt Mr. Frank of Van Schendel zich niet ook met de mathematica kon belasten.

Behalve zijn eigen herinneringen zijn er nauwelijks bronnen om de onderwijscarrière van Van Schendel te documenteren. In de jaren 1896 en 1897 is hij ingeschreven op het adres van zijn moeder in Den Haag. Brieven uit die periode aan Willem Kloos (1859 – 1938) reageren op de recensie die Kloos schreef van Drogon, die aan Van Eeden (1860 – 1932) over het realisme, Edgar Allan Poe en Auguste de Villiers de l’Isle-Adam, de idolen van Van Schendel en reppen niet over Nottinghamshire.

Of toch. Er is nog een rijmloos gedicht uit 1944 dat Tuxford heet van de schrijver van Een Hollands drama: De bovenmeester met zijn zwarten mantel, / Geleerde collega cap en grijzen  baard, / Die als een statig spook schreed door de gangen, / Verwekte bij de jongens stil ontzag. De geest van Dickens waarde er nog rond.

Dat Van Schendel tenminste één Engelse kerst heeft genoten, kunnen we opmaken uit de volgende regels: En Kerstmis kwam met jubelende klokken / En sneeuw over de vlakte van het land, / De toren maakte bij den witten morgen / En weder bij den stillen ondergang / Een juichend feest van tonen op en neder, / Een rossig licht scheen door ’t gekleurde raam / Waar stemmen hymnen zongen in de kerk.

Zoals het vroeger was.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *