Pleister

Het was nog voor de pandemie, een jaar of zeven acht geleden. Een borrel met de collega’s die les gaven aan de leerlingen van de hoogste klassen van het HAVO, in een van de eetcafés van Krommenie. Mijn wekelijkse stukjes kwamen ter sprake en de collega economie vroeg: ‘Waarom doe je dat?’. Hij een biertje, ik een biertje. ‘Laat me even denken’, zei ik. Waarom ik er mee begon, wist ik nog wel. Een paar keer per jaar vroeg de medewerkster publiciteit me iets te schrijven voor het personeelsblad of voor het magazine dat elk trimester aan de ouders van onze leerlingen werd gestuurd. De opdracht overviel me dan, zodat ik besloot tekstjes te schrijven als het mij uitkwam en ik bij een volgend verzoek uit voorraad kon leveren. Toen het  intranet op school verscheen, was het mogelijk die stukjes voor iedereen op school zichtbaar te maken. Maar dat was tien jaar geleden, die school had ik inmiddels verlaten. Wat was het antwoord op de vraag waarom ik het nu, of nog steeds, deed?

Op 5 januari 1964 schreef Daniël Robberechts (1937 – 1992) in zijn dagboek: Wat het leven leefbaar maakt. De zelfmoordgedachte daagt regelmatig weer op. Ik zou er misschien aan kunnen ontsnappen door me cynisch uit te leven (rokkenjager) of door een nieuw, opdringerig beroep te gaan uitoefenen waarin de bezinning op het leven uitgesloten zou zijn (leraar); in beide gevallen een vlucht, een pleister op een houten been, met het gevaar dat de ontnuchtering veel erger zou zijn. Ik las het deze week en was verrast door zijn beknopte en heldere kwalificatie van het beroep van leraar, terwijl ik uit eigen ervaring wist dat bezinning, zo niet op het leven, dan toch op de bizarre beroepspraktijk, althans voor mij, een manier was om het hoofd boven water te houden. Daar waren die wekelijkse stukjes ook voor nodig.  Robberechts deed er inmiddels alles aan om carrière te maken in de literatuur en was hard op weg om de meest bekroonde onuitgegeven Vlaamse schrijver (zijn eigen woorden) te worden.

Ik had het Dagboek ’64 ~’65 van Robberechts uit de kast genomen omdat ik eerder in de week in de Java bookshop was gestuit op een monografie over zijn werk van Arjen Mulder (1955). Mulder studeerde biologie aan de VU, schreef poëzie en volgde in de eerste helft van 1978 een stoomcursus pedagogiek om zijn eerstegraads lesbevoegdheid te halen. Vijfenveertig jaar later noemt hij het een traumatische ervaring. Wat ik me had voorgesteld als een open ontmoeting tussen leraar en leerlingen rond een interessant gespreksonderwerp, de biologie, zag ik verwrongen worden tot emotionele chantage (…) het ontwrichte mijn ziel en brak mijn poëtisch mechaniek aan stukken, ik voelde hoe de delen zich herschikten tot een karikatuur. Ik wist dat ik nooit meer een gedicht zou schrijven. Van les geven is het ook niet gekomen, voor zover ik kan nagaan.

En dan te bedenken dat de schrijverscarrière van Robberechts voor een belangrijk deel is mogelijk gemaakt met het inkomen dat zijn vrouw Cee verdiende in het onderwijs.

Het was te lang stil gebleven. Het antwoord dat ik gaf was: om de gekkigheid voor te blijven. De collega economie liet het even bezinken, nam een slok van zijn bier en zei: Ja, dat begrijp ik wel…

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *