Gordijnen

Wat doen we met ‘en’? Een voegwoord, schrijven de grammatica’s voor, nevenschikkend nog wel. Ik was leraar Nederlands en de gangbare onderwijsmethodes schaarden ‘en’ onder de ‘signaalwoorden’; zag je ‘en’ staan in de tekst dan mocht je verwachten dat er een opsomming gaande was. Als in ‘één en één is twee’. Dat er bij ‘en’ sprake is van meer dan één (en bij ‘of’ en ‘noch’ niet) konden we beamen. Maar in de gangbare interpretaties van bijvoorbeeld ‘misdaad en straf’ of ‘lief en leed’ is dat toch een banaal gegeven. Hoe werkt dat dan bij ‘Mythen en stoplichten’, de titel van de bundel van Alara Adilow (1988) waarmee ze in 2022 debuteerde?

Het vierendertigste gedicht heet Onderwerpen waar ik over wil schrijven en begint met De onmacht, het bijgeloof, de achterdocht, het wantrouwen, racisme, ontkenningen, instituties, ontwrichtingen. en eindigt met De verdraaide feiten, de vermommingen, de gordijnen van ambiguïteit, de schoenen die meer dan de huur van de sociale huurwoningen kosten, maskers, zwarte magie. Mythen en stoplichten noemt ze niet. Waar heeft ze die dan voor nodig, als ze er niet over wil schrijven?

In het titelgedicht staan de woorden Mythen en stoplichten niet in het gedicht zelf, alleen in de titel. Het woord mythen of mythes kan ik in de hele bundel maar twee keer vinden, het woord stoplicht of stoplichten dertien keer. De eerste keer in het gedicht Kwatrijn: Ik wacht de hele nacht bij rood stoplicht / bleke regen regent; natte gevels, tegels, wegen / rode lippenstift en ik heb geen kleren aan. en de laatste keer in de laatste strofe van het gedicht Metamorfose: Ik wachtte jaren op de hoek op klanten / alle stoplichten gloeiden als totempalen / de hemel hing als een slappe fallus aan de nacht. De stoplichten helpen om de stad, de straat en de zelfkant op te roepen. Over mythes komen we alleen te weten dat ze van de maan komen: De maan rookt haar coke /  vertelt haar mythes aan de kinderen en de vrouwen / de dealers / asielzoekers, alcoholisten / poëten, schoonmakers / revolutionairen die in hetzelfde flatgebouw wonen. /

Onlangs verscheen het prozadebuut van Alara Adilow: Kijk es naar al dat licht. De titel heb ik niet aangetroffen in de tekst van de roman. Stoplichten wel, bijvoorbeeld in de openingszin van het laatste hoofdstuk: De zweetdruppels in haar moeders schaamhaar en okselhaar glinsteren in het rode licht van het stoplicht voor het huis. Ik denk niet dat het licht van de titel van een stoplicht komt.

Het prozaboek geeft meer informatie over wat we onder mythes moeten verstaan, dan de gedichtenbundel. Een zin tussen haakjes uit het vijfde hoofdstuk luidt: (De constituent van de ware vorm van het subject wordt niet getoond door de vorm die het lichaam draagt, elk lichaam heeft een vorm, elk lichaam schept vele mythes.) Niet onze fysieke verschijning bepaalt wie we zijn, maar de reputaties en geruchten die ons vooruitsnellen en achtervolgen, als ik het goed begrijp. Mythen die je voortstuwen. Mythen die je belemmeren. Wanneer wordt een mythe een leugen?, vraagt hoofdpersoon Sagal zich af in het derde hoofdstuk De zomer is genadeloos. Even verder staat: Onderweg naar school blowde ze een jointje met Khadija, en haar leraar Nederlands leek op Wile E. Coyote, vond ze. Zonder mythen ben je geen mens maar een dier zonder vertellingen over een schijnbaar vallende zon.

Nee, Sagal heb ik niet in de klas gehad.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *