Doubs

Op het fietspad ten zuiden van het Rijk van de Keizer is een boek verscheurd. Over een afstand van enkele honderden meters kleven de bladen aan het natte asfalt of voegen zich ongemakkelijk naar het bevroren gras in de berm. Bladzijden met een identieke bladspiegel; twee kolommen, vrije regelval nochtans geen poëzie, het eerste woord van de regel doorgaans vet gezet. Pagina’s van een woordenboek, naar het lijkt, maar in de wandeling is niet te zien met welke taal we van doen hebben. Tot dat, even verder, daar het omslag ligt dat ik herken als de voorlaatste editie van Het Groene Boekje, de Woordenlijst Nederlandse taal van de taalunie en Van Dale. Geen woordbetekenissen, maar wel per woord, alfabetisch gerangschikt, de verdeling in lettergrepen, het woordgeslacht en als het om een werkwoord gaat, de vervoeging ervan. Op de koop toe biedt het boekje een overzicht van de beginselen van de spelling.

De eerste helft van Moet dwalen, het nieuwe boek van Charlotte Mutsaers (1942), gewaagt van een echtelijke woordenwisseling. Haar naam is Florence Vischbeen – Fleur – de zijne Isidorus Rudolf Witlamm von Waldorf – Isi – . Hij is vierenzestig jaar, zij zo’n dertig jaar jonger. Samen zijn ze de weg kwijt in een bos, niet ver van Besançon, in het stroomgebied van de Doubs. Isi zet, ten einde raad, haperend, zijn lievelingslied in: Moet… dwalen… moet… dwa-hálen. Fleur corrigeert haar echtvriend: je zingt die zin zonder onderwerp zodat niemand weet wie er dwalen moet. Is dat ironie, of wat is het? Isi vraagt zich af waarom de grammatica erbij moet worden gehaald. Zo ga je toch niet met elkaar om? Fleur zingt al: ‘k Moet dwálen, ‘k moet dwá-há-len, langs bergen en langs dá-hálen’. Isi verzucht: Je hebt gelijk juf.

Mutsaers was niet de eerste die het versje als gids gebruikte bij het schrijven. Ida Gerhardt (1905 – 1997) was haar voor. Zij publiceerde het gedicht Kinderliedje in de bundel Het Veerhuis uit 1945: ‘k Moest dwalen, ‘k moest dwalen / langs bergen en langs dalen; /  zoo zong het in mijn kindertijd, Het liedje bracht de dichteres tot vragen, eind’looze verwondering, verten en eenzaamheid. Hoe kan het anders als je dwalen moet? Terwijl het liedje toch ook gaat over dansen, over moeten en laten, over bergen en dalen, gaan en staan, zwaaien en stampen.

Wat bezielt iemand om het boekblok van de kaft te scheiden, de bladen (in de laatste editie van de Woordenlijst meer dan zeshonderd) los te scheuren en prijs te geven aan de elementen? Of heeft een roedel honden van de uitlaatservice de taalgids te grazen genomen?

Dat taalweetjes de onderlinge verhoudingen niet ten goede komen, benadrukt Mutsaers’ roman andermaal. Isi heeft Elan ontmoet, die hem uit de penarie heeft geholpen. Isi vraagt hem of hij weet wat fourgeotte betekent. Open plek in het woud, antwoordt Elan, al houdt hij een slag om de arm. Isi: Zo’n open plek heet in het Frans toch clairière? Elan: Kan wel wezen. Maar waarom sla je nu een lexicaal zijweggetje in. Ik ga toch ook niet zeggen dat zo’n open plek in onze eigen taal wel eens laar wordt genoemd? Zulke omwegen dienen voor niks anders dan zelfverheffing.

Langs het pad liggen de woorden. Klaar om te worden meegenomen door de wind en eindelijk antwoord te geven op Bob Dylans vragen.

Dit bericht is geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *