Fungilore

Voordat hij zijn winkel een week of wat zou sluiten, vroeg ik mijn groenteman of hij al cantharellen had gezien. Het moest nog augustus worden, de hondsdagen waren nog niet afgelopen, was ik niet te vroeg met mijn verlangen? Jawel, ze waren er, maar liever wachtte mijn leverancier tot na de vakantiesluiting. Volgens zijn klandizie hoorden paddenstoelen bij de herfst, nattigheid, warme truien en vroeg invallende duisternis. Ik volgde de gedachtegang, maar stemde er niet mee in, herinnerde mij zomerse uitstapjes naar Duitsland waar tot onze verrassing Pfifferlingen op de kaart stonden. Een paar dagen later trof ik ze trouwens in de schappen bij de Lidl, maar dat is dan ook een Duitse supermarktketen.

Het is nooit te vroeg voor de voorpret van het paddenstoelenseizoen. In het even beknopte als veelzijdige Godenspijs of duivelsbrood noemt de auteur Ton Lemaire (1941) de datum van vijftien juni, de naamdag van Sint Vitus, over wie het verhaal gaat dat hij die dag op zijn blinde, witte paard door de bossen rijdt en zwamzaden rondstrooit. En als op vier juli Sint Procopus wordt herdacht, kijkt men naar de lucht of er regen zal vallen. Als dat het geval is zal het een goed paddenstoelenjaar worden.

Fungilore noemt Lemaire de discipline waartoe deze weetjes behoren; volkse kennis (‘folklore’) omtrent ‘fungi’, zwammen/paddenstoelen. Tegenwoordig zou men het etnobotanie of etnomycologie noemen. Godenspijs verscheen in 1995.

Vier jaar eerder publiceerde Anneke Brassinga (1948) haar Fungilore: een gedicht van 63 regels dat aftrapt met de woorden Fungilore, c’est moi. Dat haar wieg in Schaarsbergen stond, moet daar mee te maken hebben. Als dochter van de Veluwe zou ze bekend kunnen zijn met de gouden glans van Hanenkammen onder bomen in de nazomerzon, al maakt ze daarvan geen gewag in haar gedicht: In plaats van natuur hebben wij nu / het lichaam en daar komt fungilore uit: / saga’s over viri, cilli en schimmels, al / wat woekert in de dompige krochten / waar liefde zucht.

Linnaeus (1707 – 1778) noemde paddenstoelen bedelaars en vraatzuchtig, omdat ze parasiteerden op resten van ‘hogere’ planten of omdat hij geen raad wist met een levende soort waaraan stamper noch meeldraad te onderscheiden viel en die oppopte, voor iemand er het zaad van had gezien. De ambiguïteit van de soort bracht Lemaire ertoe paddenstoelen limineel te noemen, omdat ze een drempelfunctie vervullen tussen lucht en aarde, hemel en onderwereld en wie zich nog  nieuwjaarskaarten herinnert uit de jaren zestig van de vorige eeuw en eerder, weet dat daarop zelden een paddenstoel, rood met witte stippen, ontbrak. Een symbool van geluk op de drempel van oud en nieuw. Onze ouders werden ondertussen niet moe ons te waarschuwen geen zwammen te eten; ze markeerden ook de grens tussen deze en de andere wereld.

Brassinga borduurt erop voort en neemt fungilore te baat om het einde van onze wereld te verkennen: De poolkappen smelten ervan, ozon / verkookt. Fungilore, grote bedorven aardbol, / vliegenzwam waarop wij spitsroeden lopen / tussen stippen, joggende roodkapjes op weg / naar grootmoeders dood. Hoe te protesteren en / waartegen precies? Daar heeft ook Rouke van der Hoek (1952) het over in het gedicht Openbaring, dat beging met: De toekomst is aan het mycelium! en eindigt met: verteer de wapenarsenalen / vernietig het rijk van de boze // (als je toch die kant uitgaat).

Omdat het toch die kant uitgaat.

Dit bericht is geplaatst in eten & drinken met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *