Eerst veranderde de brievenbus van kleur. De PTT heette voortaan Post nl en daar hoorde de kleur oranje bij. Maar wie op de plaats waar hij een rode brievenbus wist, naar een oranje exemplaar zocht, kwam nog al eens bedrogen uit. Het aantal brievenbussen is de afgelopen tijd meer dan gehalveerd, en waar ze nog zijn, staan ze verdekt opgesteld, in een hoek van een supermarkt of winkelcentrum, in een gang van een treinstation.
Dagelijks worden er acht miljoen brieven bezorgd en dertigduizend mensen helpen mee die brieven op de mat te laten vallen lees ik in Het gezoem van bijna alles, de nieuwe roman van Coco Schrijber (1961). De post is een zaak van leven en dood.
Cato Goudschenker is postbode op een druppelvormig eiland in de Atlantische oceaan, drieënvijftig jaar, ze woont alleen in een kleine huurwoning met een terras dat over het eiland uitkijkt en over de zee zover het oog reikt. Haar oude buurvrouw, Sor Toyota, trekt er als verpleeghulp elke dag met haar oude auto op uit. Zij wees haar op de vacature voor postbesteller. In een vorig leven was Cato hoogleraar filosofie. Denken is wat ze het liefste doet. En klimmen, maar daar gaat het nu nog niet over, staat er. Cato is ervan overtuigd dat alles wat je denken kunt, bestaat. Net als haar naamgenote die naar de botermarkt ging en kon maken wat ze wou, al was daar wel boter voor nodig.
Cato dekt de tafel op het terras, zet er zes stoelen omheen. Ze heeft kroketjes gefrituurd met geitenvlees, paddenstoelen en aubergines. Er zijn knapperige aardappeltjes, jonge sla met uienringen, avocado en passievrucht. Voor toe is er chocolademousse, flan met peer in honingrum en Hollandse appeltaart, voor haar Hollandse kinderen. Als alles is opgediend, schenkt ze zich alvast een glas wijn in, wacht op wat komen gaat.
Achtenveertig uur later moet ze van de buurman horen dat ze al die tijd geslapen heeft. Iedereen was uitgenodigd, niemand is op komen dagen. Ratten, meeuwen en duiven hebben een ravage achtergelaten. Ze veegt wat keutels van de tafel. Het gezoem van bijna alles heeft iets in gang gezet wat onomkeerbaar is. In de haven regelt ze een passagiersplek op een vrachtschip naar Peru, de besneeuwde toppen van de Andes zijn haar reisdoel.
Haar baan heeft ze opgezegd. Voor ze vertrekt wil ze een brief achterlaten. Maar voor wie? Kinderen heeft ze niet, drie waren al dood voor hun geboorte, de tweeling was vijf jaar toen ze verpletterd werden door de ijskast. Haar ouders overleden voor ze achttien was. Sor Toyota is op haar verjaardag met de auto in het ravijn gereden, 96 jaar. Ze besluit op internet naar verwanten, nu ja, naamgenoten op zoek te gaan.
Een brief is een geschenk. Een stuk of zeven Goudschenkers vindt ze. In Nederland, Italië en Nieuw Zeeland. Soms alleen een naam, af en toe volledige adresgegevens. In Peru brengt ze haar brieven naar het postkantoor voor ze de bergen in gaat. Terwijl Cato’s sporen worden uitgewist in de zachte maar onverbiddelijke witheid, komen haar brieven aan. Ze worden ongelezen weggegooid, door de verkeerde ter harte genomen, komen te laat zonder vergeefs te zijn, zetten aan tot onomkeerbare daden.
Zo had ze het gedacht, onderweg naar Peru. Ik mag dan Goudschenker heten, maar goud schenk ik niet, ik schenk leegte.