Hartstocht

We hebben het over een eerste liefde. En we hebben het over Calella. Zon, zee, strand, lange  avonden die pas als het avondmaal genoten is enige verkoeling brengen. Een bries, een ritseling in de bladeren als de schemering ten einde loopt en het zomaar aangenaam is om buiten te zijn, ontdekken dat er geen andere mensen zijn, dat de nacht nog moet beginnen.

De lange pandemie verandert alles, soms zo snel dat we het nog niet beseffen, soms zo geleidelijk dat het niet bij ons opkomt de vergelijking met vroeger te maken. Nemen onze leerlingen, zodra het laatste examen gemaakt is, nog onmiddellijk een vlucht naar de zon? Chersonissos, Salou … en weer op tijd terug voor de diploma-uitreiking? Is dat wel te doen nu de examenperiode voor het tweede jaar op rij is uitgerekt tot drie tijdvakken, menige vakantiebestemming de reiziger voor onverwachte coronaverrassingen stelt en de bagageafhandeling op de Nederlandse luchthavens een janboel is? Dan is Calella ver. Maar pas op, we  hebben het hier niet over de strandbestemming ten zuiden van Lloret, maar over Calella de Palafrugell dat noordoostelijk van Barcelona ligt.

Het is drieëntwintig augustus 1918, de oorlog duurt al vier jaar en de griepepidemie neemt inmiddels onheilspellende vormen aan. Josep Pla (1897) heeft zich de taak gesteld de eerste liefde van Conxita en Marti te beschrijven. Hij gebruikt er meer dan zevenduizend woorden voor. Er was geen wind, geen gehuil, geen geheimenis: slechts het vermoeide gezwoeg van de zee viel te horen. Achter de steile kustwand raadde men de vage pracht van het dorpje. Pla heeft meer op met het decor dan met de acteurs van zijn geschiedenis. Hij was een robuuste knul met een vierkant bleek gezicht vol rode aangezichtspuntjes, die een enigszins slome manier van lopen had en sprak met een neusstem. Conxita was een teergebouwd spichtig meisje met een verwelkt-roze teint, uitdrukkingsloze ogen, een tand die op grappige wijze over haar lip heen stak en een neus die de natuur overdreven had. Maar wat geeft het, ze waren verliefd.

Het is een onmogelijke taak. Pla is ervan overtuigd dat alleen schrijvers met een grote verbeeldingskracht een eerste liefde op papier kunnen brengen, terwijl hij, journalist in wording, gaat voor de waarheid en niets dan de waarheid. De gevoelens de situaties, de woorden zijn door mij met zorg om de getrouwheid ervan op papier overgebracht. Dat is waarschijnlijk de reden waarom het alles bij elkaar zo gewoontjes is.

Hij verontschuldigt zich bij voorbaat voor de banaliteit van zijn verhaal. Maar het is niet zijn schuld. Het komt door het onderwijs! Mannen en vrouwen krijgen op school uitgebalanceerd onderwijs: men leert er hun geschiedenis en grammatica, cijferen en scheikunde, gymnastiek en Frans. Ik zou niet weten waarom zij geen les konden krijgen in idealisme, genegenheid en liefde.

Dat zijn grote woorden. Ik mag er niet aan denken dat de minister de opdracht geeft een leerplan en een doorlopende leerlijn te ontwerpen voor elk van de drie disciplines. Gelukkig is dat ook niet de richting waarin Pla het zoekt. Hartstocht, daar gaat het om.

In andere tijden was hartstocht niet anders en als zij heftiger leek was dat omdat de mensen beter onderwijs hadden genoten en welbespraakter waren. De eerste vereiste om hartstocht te ervaren is de kunst zich uit te drukken.

Dat wij, van moedertaalonderwijs, het maar weten.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Weerwoord

‘Het geschreven woord’ is de titel van het laatste hoofdstuk van ‘Het voorbeeld van hun liefde’ dat Dirk van Weelden (1957) dit jaar publiceerde. Het boek begint met een stapel brieven die zijn ouders, Gerrit en Ank, elkaar voor hun huwelijk schreven. Gerrit voer op de grote vaart en werd later opgeroepen voor militaire dienst tijdens de politionele acties in Indië. Ank woonde bij haar ouders en volgde een opleiding voor maatschappelijk werk. Van Weelden is een jaar jonger dan ik. In het boek vergelijkt hij zijn eigen weg naar volwassenheid met die van zijn ouders, nu ja wat hij daarvan uit de brieven en zijn eigen herinneringen kan achterhalen, en doet daarvan verslag aan zijn kinderen Sebas en Chris.

Bij mij op zolder moet een aantal mappen liggen met brieven van een vriendin die na de vierde klas de middelbare school verliet en ging werken met geestelijk gehandicapte kinderen. Toen ik ging studeren verloren we het contact met elkaar. Nu is ze visagiste en reist ze sets af om acteurs op te maken. Eigenlijk kan je zeggen dat ik acteurs help te zijn wie ze moeten zijn. We schreven elkaar elke week. Vijftig jaar later kan ik mij er geen regel meer van herinneren, redenen om mijn geheugen op te frissen zijn er niet.

Iedere brief die je leest, brengt iets dat ver weg is en een tijd geleden werd gedacht en geschreven dichtbij. Alles wat je schrijft verdwijnt de verte in en zal pas later gelezen worden. En iedere lezer is even helemaal alleen met de brief. Vrees ik de eenzaamheid van brieven van vijftig jaar geleden?

Van Weelden groeide op in Rotterdam. Zijn vader was opgeklommen tot een hoge functie in wat men nu Human Resources noemt bij het voedselimperium Koninklijke Scholten Honig. Dirk studeerde filosofie in Groningen in de jaren tachtig toen feminisme en kraakbeweging floreerden en onder haastig gekalkte afbeeldingen van een bom de woorden no future op de muren waren geschreven. Van Weelden hoorde nergens bij en zou schrijver worden. In het laatste jaar van het decennium debuteerde hij met Martin Bril (1959 – 2009) met Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril en Van Weelden.

Boeken zijn een dikker soort brieven, schreef Jean Paul (1763 – 1825), maar meer dan boeken nodigen brieven uit tot weerwoord. Wie een brief ontvangt wordt geacht die te beantwoorden. Als Jan Hanlo (1912 – 1969) binnen een week geen antwoord ontving op zijn brief, stuurde hij er bezorgd nog een achteraan. Zei ik bezorgd? De toon van verbolgenheid, de kiem van een brouille, kon de geadresseerde nauwelijks ontgaan.

Ank de Goede en Gerrit van Weelden schreven elkaar drie jaar lang drie brieven per week. Wat in brieven staat is geen vrijblijvende kletspraat, het heeft werkelijke gevolgen. Dat is de kracht van het geschreven woord: intimiteit op afstand.  Wat voor het schrijven geldt, geldt ook voor het lezen: om de grenzeloze denkbeeldige ruimte binnen te gaan die zich achter het hekwerk van de gedrukte regels opent, moet je je afsluiten voor je directe omgeving. Naar anderen luister je niet meer. Zolang je leest komt er geen zinnig woord over je lippen.

Kom daar nog eens om in tijden van e-mail, snapchat, tik-tok en apps, of loopt het proza van Van Weelden over van weemoed en nostalgie? Ik hoop van niet. Ik meen dat wederkerigheid, intimiteit en grenzeloosheid ingrediënten zijn voor een betere wereld.

Al bestaan er natuurlijk ook aanmaningen, exploten, aanslagen, dagvaardingen, dwangbevelen en dreigbrieven.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Schurk en Elmo

Hartfalen is niet aan mensen voorbehouden, ook andere dieren kan het overkomen. Zoals Schurk. Hij ademt zwaar. Voor een bak water komt hij moeizaam overeind, drinkt wat en zakt dan weer terug in zijn mand. Of zoals Elmo: Wat een motoriek heeft die hond, schitterend! Maar totaal geen uithoudingsvermogen. Hij trekt nog wel een sprintje, schouder aan schouder met een bruine bastaard van ongeveer zijn formaat, zijn favoriete teefje. En dan moet hij gaan liggen om op adem te komen. Terwijl die andere honden nog maar net zijn begonnen.

Schurk is het kooikerhondje van Henk van Doorn, zesenvijftig jaar, ic-verpleegkundige, gescheiden, protagonist van Uit het leven van een hond van Sander Kollaard (1961), Elmo de bordercollie van Ronald Walraven, gepensioneerd boekhandelaar, tweeënzeventig jaar, gehuwd, vader van een zoon en een overleden dochter en de verteller van Omstandigheden van Koos van Zomeren (1946).

Walraven wist van de hartkwaal van Elmo toen hij het dier ophaalde. De fokker had hem gewaarschuwd. Je gaat je hechten, je krijgt er een hoop kosten aan en na een hoop verdriet gaat-ie toch dood. Wat bezielde hem om de hond mee naar huis te nemen? Als hij sliep, Elmo bedoel ik, leek hij wel op het slapende hondje van Gerard Dou. Op schilderijen uit de zeventiende eeuw worden overigens vaak kooikerhondjes afgebeeld. Leken Elmo en Schurk op elkaar?

Het eerste wat Henk doet als hij van de dierenarts heeft gehoord dat de hond het aan zijn hart heeft, is zijn ex Lydia bellen. Ze hebben het dier immers samen uitgezocht. Het tweede gevolg is Mia, zevenenvijftig jaar, scheikundelerares, die met een bak water komt aanlopen als Schurk op straat door zijn poten is gezakt. ‘Dat was kennelijk nodig, dank je wel.’ ‘Het is ook echt allejezus warm…’’Ze zeggen dat het de warmste juli is sinds 1897.’’Ja, het klimaat en zo.’ De twee zijn op slag verliefd op elkaar.

Is het wel het hart? Zijn het niet toch de veranderende weersomstandigheden? Hij kon er totaal niet tegen, tegen warmte, Elmo. Hoe vaak ik de afgelopen weken heb gedacht (en gezegd): maar goed dat Elmo dit niet meer hoeft mee te maken.

Schurk heette trouwens Fido voor hij Schurk heette. Het werd pas Schurk toen hij boeken aanvrat, stoelpoten, schoenen, jaspanden, sjaals, elektriciteitsdraden, de klep van de vaatwasser, een hoek van het dressoir, een leren tas, sokken, voorwerpen die hij uit de prullenbakken opgroef, lege melkpakken bijvoorbeeld, kranten, enveloppen, plastic verpakkingen, blikjes, klokhuizen, luciferdoosjes.

Ronald Walraven doet er ruim tweehonderd bladzijden over om er achter te komen wat het vergrote hart van Elmo hem heeft gebracht. In een brief aan zijn zoon Leo, die met het ouderlijk huis heeft gebroken, schrijft hij: Ik zeg niet dat je ergens een hond met een hartkwaal moet zien te krijgen. Ik zeg wel dat je het lef moet hebben om het leven te nemen zoals het is.

Henk van Doorn heeft nog meer bladzijden nodig om te beseffen wat het falende hart van Schurk teweeg brengt. Een sleepnet dat over de bodem van zijn ziel gaat en al die dingen naar boven haalt die doorgaans op afstand blijven, liefde, of geen liefde, ouder worden, en dan de dood.

Walravens brief wordt niet verstuurd. Ook een hart zo groot als dat van Elmo kan verstoorde familierelaties niet herstellen.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , | Een reactie plaatsen

Roti

Maartje Wortel (1982) en Niña Weijers (1987) liepen elke dag wel een of meer rondjes door het Oosterpark, dat weten we uit ‘Dennie is een star’ en ‘Kamers antikamers’. Soms alleen: ‘Ik zag het huis toen ik, na mijn vaste ronde met de klok mee, inhield voor een overstekende rat zo groot als een klein hondje’. Vaak samen: ‘Zie het als dit park, liefje. Het park is het park. Daarbinnen gebeurt er genoeg, daarbinnen leven we een heel leven’.

Maar aan de periode van vijf jaar dat Niña Weijers als writer in residence het Witsenhuis mocht bewonen, kwam een einde. Ze verhuisde naar Almere en verwachtte kort daarop een kind van een beroemde schrijver die Maartje de koning noemt. Niet lang geleden zei Niña ineens dat het park de vorm van een baarmoeder had. Toen had ik kunnen weten wat er stond te gebeuren. Maar als je niet wil weten wat er staat te gebeuren weet je het simpelweg niet. Er is niet alleen een einde gekomen aan de gezamenlijke wandelingen.

Voortaan loopt Maartje alleen door het park. Ze spot op de tennisbaan een aanstaande Djokovic of Nadal, groet de Titaantjes van Hans Bayens, schreeuwt misschien terug naar het monument voor Theo van Gogh, strijkt neer op het tweede bankje links vanaf de ingang van het park bij de Sleutelkluis en schrijft daarover in een klein boekje dat onder de titel De Groef vorig jaar verscheen in de reeks wandelverhalen Terloops van uitgeverij Van Oorschot.

Of die keer dat er een oudere vrouw op een van de bankjes bij het Slavernijmonument van Erwin de Vries zat te roken. Zaterdag achttien september 2021, ik was de dag ervoor geopereerd, ’s middags verscheen een arts aan mijn bed die zich voorstelde als Koert en die de drains in mijn borst wegnam. De zon scheen, mooi nazomerweer. Als ik op het teken van Koert krachtig uitademde, zou ik er niets van voelen. Daarna volgde een prik voor plaatselijke verdoving en hechtte hij de wonden.

Later die middag kwam mijn vriendin op bezoek en kreeg ik een portie roti. Ik sloeg het laken terug om bij het tafeltje te gaan eten en bemerkte dat mijn shirt en het beddengoed waren doorweekt met slijmerig bloed. Om de paniek die daarna ontstond te ontlopen, besloot ze zolang in het park een sigaret te roken.

Terwijl verplegers mij verschoonden, was Koert opnieuw aan mijn bed verschenen. Bij het hechten van de wonden moest hij per ongeluk een ander vat hebben aangeprikt. Hij haalde opnieuw naald en draad tevoorschijn.

In het park was Amsterdam Oost op de grasperken neergestreken. Men had wat te eten en te drinken meegenomen. De jonge vrouw die daar liep, haar blik op het asfalt gericht, werktuiglijk haar ronde vervolgend, zou Maartje Wortel kunnen zijn. De vrouw op de bank zag het en zweeg.

Op een van de laatste bladzijden van De Groef staat dat de schrijfster is verhuisd naar een huis bij het Flevopark.

Maar voordat het Oosterpark uit de Nederlandse letteren verdwijnt, is daar Buitenleven de nieuwe roman van Nina Polak (1986). Al in de proloog is de ingang van het Oosterpark tegenover het ziekenhuis de plaats van handeling. Ze luisterde, de vogels, de trams, de scheldende jongetjes, de stad! Maar met al dat vergeten schoons sijpelde de spijt binnen. Hier was het, bij de tramhalte Beukenweg, het missen.

Geplaatst in eten & drinken, lijf en leden | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Het mooiste van het mooiste

Een negentienjarige vrouw is maandagavond 23 mei veertig minuten lang aangerand in de intercitytrein van Amsterdam naar Alkmaar. In het rijtuig was niemand behalve zijzelf en haar belager. Onderweg stapte niemand in. De conducteur liet zich niet zien. De Volkskrant van afgelopen zaterdag probeert er in vijf vragen en antwoorden achter te komen of de Nederlandse Spoorwegen wel genoeg doen om seksueel geweld tegen vrouwen te voorkomen. Bij het artikel is een foto geplaatst van Joris van Gennip waarop een nachtelijke opname is te zien van station Lelylaan. ‘Amsterdam Lelylaan wordt wel gezien als het onveiligste station van de stad’, luidt het onderschrift.

Mannen moeten hun handen thuishouden. De NOS meldde na een week dat de verdachte een veertigjarige inwoner van Den Helder is, met een witte huid, kalend, nu ja, korte blonde haren. Hij mag zijn veroordeling in vrijheid afwachten. Mariette Hamer, de onlangs aangetreden regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag, roept omstanders op hun mond open te doen. Ik hoop daartoe de moed te hebben, als de gelegenheid zich voordoet.

Maar dan die foto. Er vertrekken vanaf station Lelylaan geen treinen naar Alkmaar, het is geen intercitystation, het station speelt geen rol in het artikel in De Volkskrant. Wat doet dat beeld hier?

De foto is al een paar jaar oud. Hij verscheen in 2020 in het Parool bij een artikel over de aanstaande verbouwing van het station met als bedoeling de mobiliteit in de buurt en de stad te verbeteren en het gevoel van onveiligheid van de reizigers weg te nemen. Uit de jaarlijkse monitor sociale veiligheid openbaar vervoer was gebleken dat station Lelylaan het predicaat ‘onveilig’ deelde met de stations Amsterdam Bijlmer en het Centraal Station.

In 2002 bestonden de westelijke tuinsteden vijftig jaar. Het jubileum werd gevierd met een folk-opera in de Meervaart; achttien nieuwe liedjes over Nieuw West, gemaakt door Jan-Paul van Spaendonck (1956) en Jan van der Meij (1955). Het valt op dat de spoordijk en Station Lelylaan een vooraanstaande plaats innemen in de opera. Het station, omdat het de poort is naar de verte, de spoordijk, omdat hij er altijd al was. Je distels doen me niet meer zeer / jij bent mijn jammer-vreugde dijk / oase tussen steen en slijk / op jou kan ik mijn dromen dromen dichtte Geertje de Graaff  en Jan van der Meij herinnert zich Op de dijk hadden we gym, / deden we dijkloop langs de ring, / renden we door het mulle zand .

Van der Meij tekende ook voor de compositie waarin station Lelylaan locus amoenus is van een even kortstondige als hopeloze ontmoeting: Je was het mooiste van het mooiste / van wat ik ooit zag, een vrouw bovendien. / Je trein kwam en je lachte nog / en ik heb je nooit meer gezien. Daarna verhaalt de zanger hoe hij nog twee weken lang tussen hoop en vrees rondhangt op het perron. Ik ken daar inmiddels iedere steen en / ieder gezicht. Een verwarde man die door omstanders met afschuw wordt bejegend en, ik geef het toe, niet bijdraagt aan het gevoel van veiligheid.

Overkwam Piet Paaltjens (1835 – 1894) ruim anderhalve eeuw geleden niet iets dergelijks op het spoor? Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart / Gezeten in een sneltrein, die de trein / Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart. / De kennismaking kon niet korter zijn. Piet Paaltjens wist tenminste nog dat zijn aanbedene Rika heette. Maar die genade is de zanger van Station Lelylaan niet gegund.

Enfin, luister zelf: https://www.youtube.com/watch?v=VDB-wqxzYZU

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | 1 reactie

Drie dingen

Ik heb het even nageslagen; vier jaar geleden noteerde ik de vraag of iemand misschien weet waarom de wereld van het toneel en theater de laatste jaren zo nadrukkelijk aanwezig is in  Nederlandse romans. Het werk van Griet op de Beeck (1973), ‘Keizer’, van Sarah Sluimer (1985), ‘Het naderen van een brug’ van Roel Bentz van den Berg (1949), waaruit ik het begrip ‘coulissenkinderen’ leerde, Martin Michael Driessen (1954) ‘Rivieren’. Was ‘De vierde wand’, van Arthur Japin (1956) de eerste? Hoort de fascinatie voor het toneel bij de verleidingen van net echt, nepnieuws, fluïde identiteiten en digitale parallelle werkelijkheden van nu?

Toen Joost Prinsen (1942) les gaf op de toneelschool, leerde hij zijn pupillen drie dingen: kom op tijd, ken je tekst en zorg dat je je geld krijgt. Ik had direct de indruk dat deze drie geboden in veel meer beroepen van pas komen.

Voordat Alex Desmedt, de hoofdpersoon van de nieuwe roman De draaischijf van Tom Lanoye (1958), directeur werd van theater de Bourla te Antwerpen, was hij een aantal jaren docent moderne vreemde talen. Een school in de Vlaamse provincie, jaren dertig: Ik had me te pletter gewerkt voor die puistenkoppen, die voortijdig levensmoeë kwallen. Ik had ze soms allemaal de kop in kunnen slaan. In feite was ik de enige die iets opstak van mijn lessen. Ik was niet gemaakt om de rest van mijn leven voor een klas te staan. Het leverde Desmedt in elk geval de moed op om zich in te vechten in de Antwerpse theaterwereld. Wat me in het klaslokaal niet was gelukt, lukte nu wel. Ik vond een manier om lusteloze jongeren op sleeptouw te nemen. Ze werden aangeraakt door de hartstocht voor toneel en de trots dat zij er deel van uitmaakten. Omdat ik als enige, en zonder die vervloekte schoolse entourage, de moeite nam om met hen te praten als onder evenknieën en zonder hen uit te lachen om hun beginnersfouten. Desmedt maakte vrienden, in de eerste plaats met gewone werknemers, poetsvrouwen, suppoosten, technici, kantinepersoneel. Dat is één.

Maar vriendschappen met gewone mensen, maken iemand nog geen directeur. Daarvoor was nog iets nodig. Geduld, zo heette mijn plicht. Zonder te kruipen of stroop te smeren stond ik iedereen bij. Voorzichtig lovend in het openbaar, kritisch maar respectvol onder vier ogen. Seizoenenlang werkte ik drie keer harder dan alle anderen. Dat is twee.

Toen hij ten slotte in de beslissende sollicitatieronde stond, was het tijd voor stap drie; zorgen dat je het verschil maakt, laten zien dat je niet inwisselbaar bent met om het even wie. Sterk en betrokken, op de rand van pathos, maar juist daardoor ontwapenend.

Waarom wist Desmedt zich op school niet te handhaven? Nederigheid, geduld en een ontwapenend pathos, daarmee kan iedereen een vaardige leraar worden, zeker in combinatie met de drie geboden van Prinsen: voldoende oog voor het eigen belang, discipline en vakkennis.

Desmedt wijst op die vervloekte schoolse entourage, maar wat daar eind jaren dertig op het Vlaamse platteland mee wordt bedoeld, maakt hij niet duidelijk. De grote toneelmeester Bertolt Brecht (1898 – 1956) schreef: Es ist das Einfache, das schwer zu machen ist. Misschien is dat het.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Eenzaamheid

Intussen is het zomer geworden. De grote oorlog smoort in uitputting, politieke intriges en een geheimzinnige ziekte die onder de naam ‘Spaanse griep’ overal opduikt en die met elke lading Amerikaanse militairen over het slagveld wordt verspreid, al is er niemand die dat weet of zelfs maar durft te vermoeden. Josep Pla (1897 – 1981), tweeëntwintig jaar, is na de sluiting van de Universiteit van Barcelona dit voorjaar, teruggegaan naar zijn geboortedorp Palafrugell, Klein Emporda, Catalunya, Spanje. Er is niet veel te beleven. Op 26 juli noteert hij: ‘Er zijn dagen – de ene dag meer dan de andere – dat ik de eenzaamheid niet kan verdragen. Het is mij onmogelijk.’.

Ik had er een surveillancedienst van twee uur opzitten bij het centraal examen Nederlands voor de kandidaten van het VWO, en liep terug met de collega geschiedenis. Voor de school viel ik languit op de stoep. Ik voelde hoe mijn hoofd de tegels raakte. Mijn collega schoot me geschrokken te hulp, bracht me naar het kantoortje van de conciërges, waar ik het kwartier dat volgde met het ene na het andere tissue het bloed probeerde te stelpen, terwijl ik mijn neus voelde zwellen. Gaat het een beetje?, vroeg ze. Wat zal ik er van zeggen, antwoordde ik: hoe zei Sam Oomen dat gisteren?, want zij is ook een liefhebber van de koers.

Josep Pla laat het er niet bij zitten en constateert dat de eenzaamheid draaglijk zou zijn als men een werkelijk door en door dor hart zou hebben. Die verstening van het hart is volgens Pla het resultaat van levenservaring en hij heeft zelfkennis genoeg om te erkennen dat voor hem, met zijn tweeëntwintig jaren, die staat van gevoelloosheid en onverschilligheid voorlopig onbereikbaar is.

Dat hart van mij is er, wat dat betreft, beter aan toe. Er moest al eens ingegrepen worden omdat er aderen en kleppen waren verkalkt en er is een dagelijkse dosis medicijnen nodig om vitale stromen op gang te houden. Zo bezien hoef ik eenzaamheid op mijn oude dag niet te vrezen.

Het reïntegratietraject dat een paar maanden na mijn operatie begon, is erop gericht mij voor te bereiden op mijn pensioen. De laatste les is achter de rug, een volgend schooljaar gaat mij niet meer aan, ik kan mijn volle aandacht schenken aan de oogst van rijpe bloemschermen van de vlier om siroop te maken. En aan het nakijken van de examens van de kandidaten van mijn twee havoklassen natuurlijk. In de twintig jaren dat ik docent ben, is de staat van het moedertaalonderwijs veranderd van zorgelijk naar hopeloos. Het zou flauw zijn om in dat verband niet de hand in eigen boezem te steken. Het minste dat ik daarover kan zeggen is dat ik dat tij niet heb kunnen keren, het is beter dat ik ga.

De volgende ochtend had de zwelling van mijn neus zich uitgebreid. Ik zag in de spiegel twee samengeknepen ogen in donkerpaarse kringen. Ik besloot een zonnebril op te doen en het openbare leven tot een minimum te beperken.

Sam Oomen was hard onderuitgegaan toen hij tijdens de race, een lege drinkbus aan een toeschouwer gaf. Ja, pijn natuurlijk, maar ik kan morgen weer opstappen, verklaarde hij aan het eind van de rit.

Geplaatst in bij de les, koers, lijf en leden | Getagged | Een reactie plaatsen

Nicaragua

Behalve dat hij op 21 oktober 1997 bij een auto-ongeluk om het leven kwam en drie jaar eerder voorzitter was van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, weet ik van Maarten van Traa (1945 – 1997) dat hij Wallenstein van Golo Mann het mooiste boek over Europa vond en dat hij een verwoed liefhebber van spoorwegen was: hij verzamelde spoorboekjes uit de hele wereld. Het kan niet anders dan dat er zich in zijn nalatenschap een exemplaar bevond van de ‘Dienstregeling van het autobus-, scheepvaart-, spoorweg- en vliegverkeer’ uitgegeven door Engl. & Comp, Novi Sad, gedrukt bij Djordje Ivković, de gids die in de jaren dertig was samengesteld door Eduard Kiš.

Waar komt die fascinatie vandaan? Kees Buddingh’ (1918 – 1985) was er ook door aangeraakt. Daar was de grens. Dan kwam je in ’t buitenland. / Maar hij, de Etoile du Nord, stormde nog verder, / helemaal tot in het hartje van Parijs. Het heeft met techniek te maken, met snelheid, maar in de eerste plaats met het verlangen naar de verte. Toen Buddingh’ een eigen atlas kreeg, kaftte hij het met zorg en dwaalde hij uren door de papieren wereld. Onmetelijk. Oneindig. Iedere naam / was pure poëzie. Wat ben ik blij / dat er toen nog geen televisie was.

Eduard Kiš gaf het door aan zijn zoon. De eerste zin van door Guido Snel gebundelde autobiografische teksten van Danilo Kiš (1935 – 1989) luidt: Treinen, voor mij althans, zijn legende, mythe. Kiš beschrijft dat hij met de trein door de ruimte en de tijd reist, vooruit en achteruit, dat het de weg is en de bestemming, dat hij door landschappen reist en de landschappen door hem. Wanneer ik aan het raam zit en naar de jochies kijk die in zo’n afgelegen streek naar de trein staan te zwaaien, herbeleef ik met hen de zucht naar het onbekende. Is het waar dat deze fascinatie aan mannen is voorbehouden?

Onder de handen van Eduard Kiš groeide de dienstregeling uit tot een werk van mozaïsche omvang. Hij raakte verslaafd aan de namen van landen en steden. Een veelheid van vragen doemden op, die onmogelijk in het bestek van een spoorboekje konden worden beantwoord. Hoe reist men naar Nicaragua? Het spoorboekje werd een Baedeker. Het vijftiendelige Meyerlexikon moest eraan te pas komen, zowel de uitgave van 1867 als die uit 1924, en de grote Encyclopedia Brittanica, maar ook het vijfdelige Jüdische Lexikon uit 1928. Wat het project vooral duidelijk maakte was de ziekelijke verlorenheid van mijn vader, die bleef geloven in de mogelijkheid dat ooit een uitgever in dit overduidelijke bedrog zou trappen. Danilo Kiš sloeg het gade en formuleerde jaren later in een van de ‘raadgevingen aan de jonge schrijver’: Geloof niet in utopische projecten, behalve in die door jou geschapen.

Van Traa verdiende in zijn jonge jaren geld als ober bij Wagon Lits. Daarvan ging hij naar Parijs, studeerde politieke wetenschappen aan de Sorbonne en belandde in een Franse cel nadat hij was betrapt met een stapel pamfletten met een stakingsoproep aan de arbeiders van de Renaultfabrieken. Het was mei 1968. In de jaren zeventig was hij in de Verenigde Staten, leerde Russisch en Spaans, werkte voor de VPRO en schreef over Nederland in de Franse kwaliteitskrant Le Monde. Ergens in die tijd heeft hij leren autorijden.

Beter was hij met de trein blijven reizen.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Schrijver worden

Op tien juli 1940 wordt Willy Rubinstein in Amsterdam door de Duitse bezetter opgepakt en weggevoerd. Wegens belastingfraude, volgens de Duitse politie, maar het feit dat de geslaagde confectiehandelaar Joods is en in de jaren voor de oorlog uit Berlijn naar Amsterdam is gevlucht, lijkt relevanter. Zijn dochter Renate, haar broer en haar zus, weten van niets. ‘Der Vater kommt bald wieder nach Hause’, zeggen de soldaten. Er komt nog een brief van hem uit een Duitse gevangenis. Hij wordt overgeplaatst naar Scheveningen en Westerbork, daarna is het stil. Anderhalf jaar na de bevrijding komt het bericht van het Rode Kruis dat Willy Rubinstein dood is. Renate beseft dat ze al die jaren is voorgelogen en trekt de conclusie dat ze alleen zichzelf kan vertrouwen. ‘De angst in haar lijf wordt haar belangrijkste raadgever’, vertelt Hans Goedkoop (1963), de biograaf van Renate Rubinstein (1929 – 1990) aan Lotje IJzermans, de presentatrice van het nachtelijk interviewprogramma ‘Nooit meer slapen’. Goedkoop voegt eraan toe: ‘Toen is de columnist Tamar geboren’.

Een slordige vijftienhonderd kilometer naar het zuidoosten vindt in dezelfde periode een gelijkaardige gebeurtenis plaats. In Novi Sad hebben de nazi’s het op Eduard Kiš gemunt, onder meer ontwerper van de internationale spoordienstregeling in de regio, net als Willy Rubinstein Joods, getrouwd met een Gojse vrouw en in de jaren ervoor veelvuldig verhuisd voor de veiligheid van zichzelf en zijn gezin.  Eduard Kiš is de vader van Danilo Kiš (1935 – 1989) die in 1984 in zijn roman Kinderleed put uit zijn herinneringen. Ik zei hem dat mijn vader een lange man was die een beetje krom liep, dat hij een zwarte hoed met stijve rand droeg, een bril met een ijzeren montuur en een wandelstok met een ijzeren punt. “Ze hebben hem een jaar of twee, drie geleden gedeporteerd.” zei ik, “en sindsdien  hebben wij niets meer van hem vernomen.” Eduard Kiš is in Auschwitz vermoord.

Van een biografie van de legendarische columniste van Vrij Nederland is het nog niet gekomen. In 2015 publiceerde Goedkoop Iedereen was er: feest voor Renate Rubinstein, een verslag van de vijftigste verjaardag van Rubinstein, zestien november 1979. Voor wie alles over Renate Rubinstein wilde weten, was het een boekje een teleurstelling, met een leugen in de titel bovendien, want Simon Carmiggelt, met wie Rubinstein een geheime relatie had, ontbrak op het partijtje. Vorige maand verscheen Vaderskind – De oorlog van Renate Rubinstein, honderdzestig pagina’s. Recensent Onno Blom schrijft in De Volkskrant: De biografie van Renate Rubinstein komt op ons af zoals haar werk toen ze nog leefde: in losse stukjes.

Renate wist van niets, vertelt Goedkoop, niet dat haar vader Joods was, niet waarom ze uit Berlijn waren vertrokken. Na de oorlog keek ze vreemd op als mensen verwachtten dat ze wel zou zijn ondergedoken als hun vader was weggevoerd, terwijl ze gewoon in Amsterdam Zuid woonde en stukjes schreef in de schoolkrant van het Vossius.

Danilo Kiš is uiterst terughoudend over verbanden tussen zijn biografie en zijn werk, bezorgd als hij is dat zijn teksten zullen worden gezien als niet meer dan persoonlijke ervaringen. Maar in zijn Variaties op een autobiografie, die in de jaren tachtig zijn geschreven, kan hij er niet omheen. Zonder die ambivalentie in afkomst, zonder het ‘verontrustende onderscheid’ dat het joods-zijn met zich meebrengt en zonder de tegenspoed in mijn kindertijd tijdens de oorlog zou ik vast geen schrijver zijn geworden.

Sartre (1905 – 1980) definieerde de jood als iemand die door anderen als joods wordt gezien. Een van de ruim honderd raadgevingen aan jonge schrijvers van Danilo Kiš luidt: Houd altijd het volgende in gedachten: ‘Wie doel treft, mist alles’.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Daslook

De eerste keer dat ik een winterkoning zag was in de late jaren tachtig van de vorige eeuw. Amsterdam, Foeliestraat, een klein rond vogeltje dat de struiken in schoot die groeiden boven het IJtunneltracé. Twee keer kijken, en twee keer bijna hetzelfde zien en de naam noemen. En toch is het niet waar. Ik had er voordien nooit een gezien, hoe wist ik wat ik zag? Was ik bekend met het winterkoninkje van Chr. J. van Geel (1917 – 1974)? ‘die muis / met vleugels, is de ware majesteit.’ Onwaarschijnlijk. En als ik nog van geen winterkoning wist, waren er dan eerder geen, onopgemerkt, door mijn blikveld gevlogen?

De wielewaal is een ander verhaal. Voor ik die zag, was zijn roep hem vooruitgesneld. Dudeljo en anders niet, zoals Andries Hartsuiker (1903 – 1993) in 1927 schreef. Hoewel schuw en schaars is de vogel met zijn zwarte en gele veren niet te missen waar hij verschijnt. Ik zag er een in de duinen bij Bloemendaal, in de late zomer van 1991. Ook toen voegde zich op het moment van waarneming onmiddellijk het woord bij de vogel.

Als ik mijn rondje door de Osdorper Binnenpolder loop, langs de vaart die onder de bomen parallel loopt aan de Baron Schimmelpenninck van der Oyeweg, zie ik hoe een kamerbreed tapijt verschijnt van speenkruid. Eerst alleen het heldere groen van nieuwe blaadjes, daarna overal het fonkelend geel van de bloemen. In de weken die volgden, steken, niet alleen daar, maar overal langs het pad en rond de bomen, spitse bladeren de kop op die lijken op de oren van een konijn. Herfsttijloos? Nee, niet in het voorjaar. Lelietjes van Dalen, les muguets, waarmee men elkaar in Frankrijk op de eerste mei geluk wenst? Nee, die bladeren zijn donkerder en niet zo mat. Bovendien hebben lelietjes van dalen klokvormige bloempjes in een trosje op een steel, terwijl, zo bleek een paar dagen later, deze konijnenoren bloeien met stervormige bloemen.

Het tapijt van speenkruid verdwijnt langzaam onder de nieuwe begroeiing. Nu ja, overal waar de concurrentie van berenklauw, woekerend bont blad en fluitekruid dat toelaat. De bladeren wiegen in de voorjaarswind en in de vroege morgen is de lucht verzadigd van een kruidige geur die ik niet kan benoemen, maar die na verloop van tijd het woord daslook in de mond legt. Ik buk me om een blad te plukken. Wrijf het stuk in mijn handen en ruik. Prei? Uiengras?

In de zomer van 2000 was de achtertuin een woestenij. Er lag een berg tuinaarde waar in de loop van de tijd van allerlei was opgeschoten. Op een dag in het najaar streek er een zwerm geelzwarte vogeltjes neer om zich te goed te doen aan de zaden die na de bloei aan de planten waren overgebleven. Dat het om puttertjes ging, wist ik dankzij het dierenkwartet dat ik als kind had gespeeld. Het viertal vinken bestond uit de goudvink, de geelgors, de gewone vink en de putter of distelvink. Het plaatje op de kaart was duidelijk genoeg om misverstand uit te sluiten. Wielewaal en winterkoning kwamen in het kwartet niet voor.

Wie daslook wil proeven, haaste zich naar de dorpen in het Mecsekgebergte ten noorden van Pécs, Hongarije. Daar vindt rond deze tijd het medvehagyma-fesztivál plaats en worden producten als kaas, brood en honing aangeboden waarin daslook is verwerkt.

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen