Hoop en moed

In het televisieprogramma Buitenhof kwam afgelopen zondag het overlijden van de Russische oppositieleider Aleksej Navalny ter sprake. Presentator van dienst Twan Huys had Derk Sauer, hoofdredacteur in ballingschap van The Moscow Times, uitgenodigd. Aan het einde van het gesprek kijken beide mannen naar de laatste sequentie uit ‘Navalny’, de met een Oscar onderscheiden documentaire van regisseur Daniel Roher uit 2022. Navalny, dan 44 jaar, is hersteld van de moordaanslag met het zenuwgif novitsjok, zit achter een presentatiedesk en beantwoordt vragen van een interviewer buiten beeld. Wat zijn boodschap aan zijn aanhangers zou zijn, als hij alsnog vermoord wordt? De advocaat aarzelt niet en zegt: ‘Geef niet op. Als ze me vermoorden wil dat zeggen dat we ongelooflijk sterk zijn’, en ‘We weten zelf niet hoe sterk we eigenlijk zijn, het enige wat nodig is voor het kwaad om te overwinnen, is dat goede mensen niets doen. Blijf je dus verzetten.’

Ik kijk ernaar op de televisie en denk het is allemaal niet waar. De Russische oppositie is helemaal niet ongelooflijk sterk en verzet tegen de kliek van Poetin heeft tot nog toe alleen maar tot nog meer repressie, dood en ellende geleid. Twan Huys vraagt zijn gast te reageren op de zojuist getoonde boodschap uit het graf van Navalny. Sauer vat de betekenis van de uitspraken van Navalny in twee woorden samen; hoop en moed, voordat hij volschiet en niet meer uit zijn woorden komt.

In de documentaire is te zien hoe het team van Navalny in Duitsland, in samenwerking met onderzoeksjournalisten van Bellingcat, er dankzij een intelligent staaltje data-analyse in slaagt de namen en persoonlijke gegevens te achterhalen van de mannen die Navalny vergiftigden. Hoogtepunt van de film is het moment dat Navalny een van zijn moordenaars belt, zich voordoet als afgezant van de overheid belast met de opdracht verslag te doen van de mislukte aanslag op de oppositieleider. Met een handvol vragen en verbluffend toneelspel slaagt hij erin zijn belager een gedetailleerde reconstructie van de aanslag te ontlokken. Zelfs de kleur van de onderbroek waarin het gif werd aangebracht, komt aan het licht. Was het in de roes van het succes van dit technische huzarenstuk van waarheidsvinding dat Navalny het besluit nam terug te gaan naar Rusland, een wisse dood tegemoet?

Het derde hoofdstuk van Tegen het geweld dat Cornelis Verhoeven (1928 – 2001) in 1967 publiceerde, heet Liquidatie van de moed. Verhoeven is dan al tot de conclusie gekomen dat wie het verstand wil gebruiken tegen geweld, zich beter bedient van nuchterheid en weloverwogen techniek, dan van ergernis en bevlogenheid. Vervolgens zal ook de moed er aan geloven. Verhoeven schrijft: De cultuur van de moed is namelijk de cultuur van de woede en van het geweld zelf. Wanneer we nu het einde van het denken, de liquidatie van zijn lyrische dimensie, nuchterheid noemen, dan moeten we zeggen dat de geweldloosheid een zuiver nuchtere aangelegenheid is. Dat betekent dat zij technisch en juridisch gerealiseerd moet worden op een niveau waar het geërgerde denken al zijn einde heeft gevonden en de beslissing uit handen heeft gegeven.

Had Navalny er niet beter aan gedaan als oppositieleider, advocaat en onderzoeker met zijn team te volharden in de analyse van de repressie van het Russische volk door Poetin en de zijnen, dan die over zijn eigen lijk te openbaren?

Voor een Russische ziel moet de romantiek van het martelaarschap onweerstaanbaar zijn.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , | Een reactie plaatsen

Kleine maan

Het lied telt vier strofen van zes regels en is opgebouwd zoals meer teksten van Bob Dylan (1941). In elke strofe staat een gemoedstoestand van de ik-persoon centraal die van een metafoor wordt voorzien, terwijl de zesde regel steeds dezelfde is, en daarmee de status krijgt van een samenvatting of gevolgtrekking. Hier luidt die regel: ‘Lord, it’s not dark yet but it’s gettin’ there.’ Het lied wordt beschouwd als het hoogtepunt van het toch al hogelijk gewaardeerde album ‘Time out of mind’ dat in 1997 uitkwam en waarmee Dylan aan de vergetelheid ontsnapte waarin hij sinds de albums ‘Desire’ en ‘Blood on the tracks’ volgens sommigen was geraakt.

Het gaat over liefdesperikelen als hij zingt Just being in the same country as her is making me blue, over toekomstdromen die in rook zijn opgegaan in de regel  I’m in the land of the lost where dreams come to die en als er al een uitweg is, dan alleen met hulp van boven And I’m praying the master will guide me back. De critici in de vakbladen spreken van een dreamlike ambience  van a civil war ballad (waarom?) en horen the weary and weathered voice of a man facing the twilight of his life. Terry Hayes (1951), journalist, scenarist en schrijver van spionageromans, mocht als weekendgids van dienst afgelopen zaterdag in Volkskrant Magazine zijn culturele voorkeuren delen met de lezers. Hij noemde Bob Dylan als zijn favoriete dichter. Alles wat ik weet heb ik van Bob. Hayes prijst het vermogen van de Nobelprijswinnaar zichzelf steeds opnieuw uit te vinden en voortdurend onderweg te zijn. Het is op deze intellectuele reis dat hij met passages komt die een stempel op ons leven drukken. Zoals: A Hard Rain’s gonna fall, over de atoombom. It’s not dark yet. But it’s getting there, over sterven.

Daar bleef mijn aandacht aan haken. Had ik uit de mond van mijn moeder, kort voor haar overlijden, geen woorden van gelijke strekking vernomen? Even wachten tot het nog wat donkerder wordt. Hayes staat niet alleen in zijn opvatting over de bedoeling van Dylans lied. De Engelstalige Wikipedia meldt ook dat de song is geïnterpreteerd als Bob Dylan/narrator confronting his mortality. Kom aan, denk ik, Dylan was nog geen zestig, de never ending tour nog geen tien jaar onderweg.

Ik ben er zo goed als zeker van dat mijn moeder Not dark yet niet kende, zoals ik er ook van overtuigd ben dat de woorden die voor haar dood haar mond verlieten hun oorsprong niet vonden in haar brein of wil. Datzelfde zou, mutatis mutandis ook kunnen gelden voor de woorden van Not dark yet. Wat dan overblijft is de overeenkomst dat een naderend overlijden wordt voorgesteld als invallende duisternis.

Hetzelfde beeld verschijnt in het gedicht dat H.C. ten Berge (1938) schreef bij gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Jan G. Elburg (1919 – 1992). Elburg had een hartoperatie achter de rug, hij was net in staat zich de feestelijkheden te laten welgevallen, hij zou drie jaar later overlijden. Ten Berge schrijft: Zonder vleugels en vizioenen, ontheemder / dus naakter op weg naar het donker dat maant, regels waarin alleen een kleine maan voor een straaltje licht zorgt.

Zou het een generatiedingetje zijn, die vereenzelviging van dood en duisternis? Mijn moeder was nog geen zeven jaar ouder dan Dylan en ook Ten Berge moet zich de verduisterde ramen tijdens de oorlog herinneren die een voorbode konden zijn van dood en vernietiging.

Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes vertaalden de stokregel uit Not dark yet als: ’t is nog niet donker, maar ’t scheelt niet veel.

Geplaatst in tussen tuin en wereld, zaliger nagedachtenis | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Zolang het duurt

Als de late woorden van mijn moeder iets duidelijk maken, is het dat bedoeling en betekenis het verlangen is van de levenden. ‘Even wachten tot het nog wat donkerder wordt’. Is het een gebiedende wijs? Heeft ze het tegen mij, of is het hardop denken? Zijn onderwerp en persoonsvorm in het ongerede geraakt? De grammatica is nochtans goeddeels in orde, naar de context moeten we raden. Het heeft er alle schijn van dat het spraakvermogen van mijn moeder voortaan zonder haar kan, zij spreekt de taal niet meer, de taal spreekt haar.

Daags na haar overlijden tref ik in de boekhandel een nieuw boek van Anneke Brassinga (1948) aan. Het bevat essays, gedichten, toneelteksten en vertalingen, De titel Crudités doet vermoeden dat we met een kookboek te maken hebben. In het boek is ook de tekst van de lezing afgedrukt die Brassinga in 2015 in Amsterdam en Gent hield ter herdenking van de  twee jaar eerder overleden dichter en criticus Hans Groenewegen (1956 – 2013). Tijdens die lezing komt ze over Novalis te spreken, Georg Friedrich Philipp Freiherr von Hardenberg (1772 – 1801), de vroeg-romantische Duitse dichter en denker met een voorliefde voor chemie en wiskunde. Die schrijft in Monoloog,een tekst uit 1797: We kunnen niet anders dan bewondering hebben voor de belachelijke misvatting van mensen die denken dat zij spreken omwille van de dingen. Niemand weet dat het nu juist het karakteristieke is van de taal – dat zij zich uitsluitend om zichzelf bekommert. Precies als bij die late woorden uit de mond van mijn moeder waarvan zij net zo min weet had als ik.

Brassinga stelt vast dat Novalis met dit inzicht zijn tijd, en ook de onze, ver vooruit is en dat hij het zo helder heeft uitgelegd, dat geen hond hem zal begrijpen, daar zorgt de taal wel voor.

Vervolgens is de vraag hoe een gedicht dat niet te begrijpen is, dan gelezen kan worden. Ze geeft zelf het antwoord: we doen er goed aan naast het gedicht te lezen. Om een zo gelezen gedicht hen strekt zich (net als om een schilderij) een ruimte uit van ‘Het Woord’ zoals dat ene doekje een uitsnede lijkt van ‘Het Zien’, mits je op deze manier leest (of ziet). Maakt mijn moeder op haar sterfbed mij dan duidelijk dat er nog tijd is? En dat de duisternis nog niet volkomen is? Of spreekt ze de verwachting uit dat wat er te zien is duidelijker zal verschijnen als het zo dadelijk nog wat donkerder is geworden? Zo’n 160 pagina’s later verwoordt Anneke Brassinga het zo: zoals ook een eekhoorntje niet alleen op de wereld is maar zich als het ware uitspaart in een volheid die hem heeft voortgebracht en die zijn uniek en kortstondig optreden daarin ten volle onderschrijft, zolang het duurt. Is dan de sleutel tot de betekenis van mijn moeders late woorden in handen van al het nabestaande?

Nog beter is het stil te lezen. Brassinga vervolgt: We moeten niet uit het oog verliezen dat de belangrijkste dingen des levens, voor bijna iedereen, zich in het sprakeloze afspelen, ook als er druk bij gepraat of geschreven wordt.

Misschien klets ik nu onzin, gaat de rede verder, Maar ik geloof dat poëzie de illusie belichaamt van een denken dat geen heren dient, dat in- en tegenspraak verenigt en zich losmaakt van retoriek van zelfbevestiging en overreding.

Let wel, de illusie.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Nachtvluchten

Vier dagen voor mijn moeder overleed, viel ze uit bed. Het was kort voor een uur ’s nachts. Ik lag in bed en hoorde op radio Riek de rollator rammelen, geluid van een botsing tegen hout, daarna kletterde er iets op de grond. Ik spoedde me naar beneden en toen ik het licht had aangedaan, zag ik mijn moeder naast haar bed liggen. Haar onderlichaam was in het dekbed en de sprei gewikkeld en zweefde diagonaal tussen de vloer en het matras ter hoogte van het voeteneinde van het hoog-laag bed waar ze voor de tweede nacht op lag. Ze keek me met wijd open ogen aan, terwijl ik haar uit het beddengoed bevrijdde, op de grond legde en vroeg of ze zich bezeerd had.

Behalve de schrik in haar ogen zag ik geen sporen van de val. Geen vreemde lichaamshouding, geen verwondingen. Nadat ik geprobeerd had haar gerust te stellen, hielp ik haar zitten en dat lukte. Benen recht vooruit, de billen op de koude slaapkamervloer, om zo te overwegen wat ons overkomen was. Goddelijk geweld, dacht ik, zoals Walter Benjamin dat bedoelde, geweld dat voor vernietiging niet terugschrikt, het zielenheil op het oog heeft, geen offers vraagt, onbaatzuchtig is en waar geen bloed aan te pas komt.

Ik had inmiddels haar pantoffels gevonden en daar haar nog warme voeten ingestoken. Eens kijken of ze haar knieën buigen kan. Die van links en die van rechts. Dan kom ik achter haar staan en steek mijn handen onder haar armen, een, twee en til haar terug in bed. Pantoffels uit, dekbed terug, de sprei. Daar ligt ze.

Als ik mijn vlakke hand op haar voorhoofd leg, begint ze te kreunen en groeit onder mijn hand een bult ter grootte van een kippenei. Koud water, een washandje, een handdoek, slikken kan ze niet meer, paracetamol is geen optie, de pijn neemt pas af als de onderhuidse bloeduitstorting door de dunne huid zichtbaar wordt als een donkerblauwe plek die bij haar rechterwenkbrauw begint en uitdijt naar haar oog.

Een half uur later is ze terug in slaap. Radio Riek ruist mee met het suizen van de sterren en planeten en het geraas van nachtvluchten die er niet meer zouden zijn. Woede neemt bezit van mij. Met gesloten ogen zie ik mij praten met de thuiszorgverleners van dienst. Dat het comfort en het welbevinden van mijn moeder het belangrijkste oogmerk van ons handelen is. Dat het onverdraaglijk is, moest ze lijden en ik zie het potsierlijke van de situatie. Falen is het woord dat steeds voorbijkomt.

Dat morgen de huisarts natuurlijk komt kijken. Dat hij zal adviseren de pijn te bestrijden met morfinepleisters bij voorbeeld, om de patiënt zoveel mogelijk rust te geven. Dat de morfine ook kan worden toegediend met een onderhuids infuus – vlindernaaldje – in juist de doses die ze nodig heeft. Welke reden zou de huisarts trouwens hebben om aan te nemen dat het blauwe oog en de bult op het hoofd van zijn patiënt gevolgen zijn van een val uit bed?

Een dag later murmelt mijn moeder even wachten tot het nog wat donkerder wordt en andere frasen die in een tandeloze articulatie verloren gaan en waarin ik alleen het woord regenen nog kan onderscheiden.

Of was het zegenen?

Geplaatst in lijf en leden, zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Olie en zalf

Kort voor zeven uur in de ochtend drukt mijn moeder op de bel. Dat ze zo nodig moet. Bed uit dan, de po-stoel in stelling gebracht en haar daarop geholpen. Als anderhalf uur later de thuiszorgverlener van dienst aan haar bed staat, klaagt ze over misselijkheid en duizeligheid. Ook met ons tweeën kunnen we haar niet verleiden te gaan douchen en daarna aangekleed in het daglicht te treden. ‘Het gaat niet’, steunt ze, en draait zich langzaam van ons weg op haar linkerzij. We laten het zo. Pas na het middaguur mag ik haar opfrissen en in de kleren helpen.

De onzichtbaren van Frank Nellen (1982), voert ons naar het Oekraïense platteland van de late tweede helft van de vorige eeuw. We maken kennis met Igor, een uit de kluiten gewassen knaap met een deuk in zijn schedel die hij als peuter had opgelopen door de trap van een losgebroken paard. Sindsdien kan hij naar eigen zeggen met dieren praten zoals veldmuizen, katten en jonge kauwtjes.

Ik overdacht het geval terwijl ik door de polder liep. Vijf graden, wisselend bewolkt, af en toe een bui. Er vliegt een groene specht de boom in, op het weiland bij de Hereford-runderen foerageert een ooievaar, verder meerkoeten, eksters die doorgaans in koppels verschijnen, snaterende ganzen op de vlucht, merels die met een tokkend geluid opvliegen en opvallend veel roodborstjes.

De dagen er na hoor ik mijn moeder niet meer over misselijkheid en duizeligheid, maar is het, ook als ze niets zegt, zonneklaar dat ze doodmoe is. Na het ochtendtoilet ligt ze uitgeteld in haar stoel. Maak ik haar wakker om een slokje te drinken, een hapje yoghurt, een stukje fruit misschien, dan vallen onmiddellijk weer haar ogen dicht en is een rommelig gearticuleerd moe het enige commentaar. Ik neem de onaangeroerde bakjes weer weg.

De zussen die langskomen schrikken van het hoopje ellende op de stoel waarin ze nauwelijks hun moeder herkennen. De een slaat alarm via de app-groep, wat tot een stroom visite leidt, waar mijn moeder zich kranig doorheen slaat voordat ze weer wegdeemstert, de ander regelt een katholieke geestelijke, die er geen gras over laat groeien en even later in een smoezelig ritueel in de weer is met olie en zalf. Als ik later aan mijn moeder vraag of ze de pater goed heeft verstaan, antwoordt ze dat hij een lang lied heeft gezongen.  

Igor werkt een jaar of vijftien later op de lampenfabriek. Op een dag was ik tijdens de schaft onderweg naar de beerput toen ik hem buiten op een stapel pallets zag zitten. In zijn hand rustte een mus. Hij zat voorovergebogen, alsof hij het diertje met zijn grote lichaam wilde afschermen. Zijn lippen bewogen, hij was aan het praten. De mus keek naar hem op. Dus toch.

Het is mij vreemd te moede als ik langs de vaart loop. Voor me vliegt een grote witte vogel op. Ik moet tegen de zon in kijken die laag door de bomen schijnt. Een zilverreiger besluit ik, dat kan niet anders. En dan, drie meter voor me, die snavel, dat lijfje, die kleur; ijsvogel. Uit de dorre rietkraag opgevlogen, wind in de rug. Denk ik: zo kan ik het ook.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Cardiale oorzaak

Zevenentwintig februari 2022 overleed Arend Jan Heerma van Voss, journalist, jurist, programmamaker, in de jaren zeventig democratisch hoofdredacteur van de Haagse Post, in de jaren negentig het gezicht van de VPRO, een gezicht, trouwens, dat ook figureerde in de uitzendingen van Van Kooten en De Bie en in de speelfilm Abel van Alex van Warmerdam. Heerma van Voss is net geen tachtig jaar geworden en had vier kinderen: Laura, Sandra, Thomas en Daan, van wie alleen Laura geen schrijver is. Daan publiceerde vorig jaar de familieroman ‘Geen vaarwel vandaag’ die deze week de BNG Bank Literatuurprijs kreeg. Voor in het boek staat de opdracht: ‘Voor mijn vader, die ik zo lang mogelijk wil blijven missen’.

De auteur werd geïnterviewd in Met het oog op morgen en verklaarde dat het boek natuurlijk te maken had met het overlijden van zijn vader, maar dat het geen autobiografisch werk geworden is. Daar heeft hij gelijk in. De vader in het boek heet Oskar van Boheemen, heeft een radiostem, die past bij zijn radiogezicht. Niet lelijk, eerder onaf. Geboorteplaats Oosterhout, jaar: 1946, lengte 1.78. Sterfdag vandaag.

De datum van vandaag wordt in het boek niet onthuld. Het is in elk geval niet 27 februari 2022, want Van Boheemen zijgt ineen op een zondag in de nazomer, tussen gate D12 en D14 op luchthaven Schiphol. Hij spoedde zich naar zijn vlucht richting Porto voor een korte vakantie. Het boek speelt grofweg in de week die volgt op het overlijden, waarin zijn drie kinderen Tessel, Moor en Catelijne de crematie regelen en het testament uitvoeren. Tessel is in 1981 geboren en in de beschreven week de veertig gepasseerd. Cat is van 1989, verhuisde naar New York toen ze bijna dertig was. Daar woont ze drie jaar als ze het bericht krijgt van het overlijden van haar vader, en naar Nederland terug reist. Het jaar van overlijden van Oskar is dan 2022.

De lijkschouwer noteerde cardiale oorzaak als verklaring voor het plotselinge overlijden. De enige aanwijzing daarvoor was dat Oskars huisarts wist te vertellen dat hij nu al een paar jaar pillen slikte tegen een hoge bloeddruk. Een raar geval, als je het mij vraagt, die pillen dienden er juist voor dat de gebruiker aan iets anders zou komen te overlijden.

Maar goed, Geen vaarwel vandaag is behalve geen autobiografisch boek, ook geen pathologisch handboek. Als over het hart van Oskar wordt gesproken, klinken er symbolische betekenissen mee; dat hij een lichaam had dat bloeide, volwassen werd en kuren begon te vertonen, en centraal daarin dat ene orgaan dat alles bepaalt, dat steeds trager begint te slaan, trager, trager. Zo lang duurt het leven, zoveel langer nog duurt de dood.De mogelijkheid van een sporthart is niet overwogen.

Is Geen vaarwel vandaag een familieroman? Wie het boek leest, leeft indringend mee met de rouwende kinderen en hun moeder, Oskars ex, Elise en komt allerlei te weten over het gezin Van Boheemen. Maar het is ook een ideeënroman. De drie kinderen hebben zo hun eigen manier van tegen rouw aankijken. Catelijne ontdekt wat het kerngezin betekent honderd jaar na Freud. Moor gaat te rade bij de Oosterse filosofie en probeert het raadsel van de dood als een Boeddhist te duiden, Tessel ziet wat er met haar vader is gebeurd als een lot waarover door een almacht is beslist. 

Oskar zelf doet en deed er het zwijgen toe.

Geplaatst in lijf en leden, zaliger nagedachtenis | Getagged , | Een reactie plaatsen

Proza onder nul

In het werk van H.C. ten Berge (1938) is koude nooit ver weg. Zijn eerste bundel gedichten heet ‘Poolsneeuw’ en is de vrucht van de strenge winter van 1962 op 1963, die Ten Berge doorbracht in een nauwelijks te verwarmen onderkomen in Bergen Noord Holland. Zijn tweede bundel, ‘Swartkrans’, bevat een afdeling met de titel ‘- 88.3o ‘ over een expeditie in Antarctica, met de regels: ‘(…) Korrelgraniet waarvan dichtheid / Een koude verraadt die na siluur, godweet / Wélk glaciaal binnen dit uur wordt bepaald.’ Het is vermoedelijk dezelfde expeditie als die waarvan verslag wordt gedaan in de novelle Matglas uit 1981. Een scheepsarts, een journaliste en een fotograaf wagen zich buiten het basiskamp in het verraderlijke poolklimaat en maken kennis met de rode blizzard: ‘Uit de richting van het poolplateau naderde nu onmiskenbaar een gordijn van stoom, een onstuitbaar rollende nevel die – beschenen vanuit zee door de laaghangende zon – een bleekrose kleur aannam.’

De wind was naar het oosten gedraaid, maar de motregen was gebleven. Waterkoud rapporteerde ik, toen ik van mijn wandeling in de polder was teruggekomen. Een dag later was de temperatuur gedaald en de wind aangewakkerd; ik besloot tot de kwalificatie ijzig. Weer een dag later blijft het kwik steken bij – 5,0en spreek ik van bijtende kou. Zodra ik buiten ben, bevangt de vrieskou me als een vermoeidheid. Zware benen, ik slaag er niet in om door de neus voldoende zuurstof te inhaleren, als ik door mijn mond ademhaal, slaat de kou op hart en longen. Het duurt een minuut of tien voor ik een doenlijk ritme heb gevonden, na drie kwartier gloeien mijn voeten, zijn mijn handen, ondanks de handschoenen, zo goed als ongevoelig en zijn de spieren in mijn gezicht, tussen sjaal en muts, verkrampt.

De hoofdpersoon van De beren van Churchill, het boek dat Ten Berge in 1978 publiceerde, is in Winnipeg, Manitoba, opgestegen om naar Fort Churchill aan de Hudson Bay in het Noordoosten van Canada te vliegen. Omstreeks middernacht zie ik tijdens de landing voor het eerst de dichte sneeuwjacht langs de raampjes gaan. Het veroorzaakt een gevoel van opwinding en spanning tegelijk. Het is een onherbergzaam gebied met slechte verbindingen langs gehuchten die namen dragen als Lamprey, Belcher of McClintock. Engels en Frans zijn er niet langer de voertalen. Toekisingitoenga inoettitoet. Oftewel ik versta er geen klap van. Veel verder dan het woordje iii, dat ja betekent, komt hij niet.

Maar als bij een volgende stop van het vliegtuig de lucht wat is opgeklaard en de geest door een andere wind is aangeraakt, roept hij spontaan: Anorètuyok!, ‘een stevige bries vandaag’. Men kijkt mij even beleefd als glimlachend aan, maar uit alles blijkt dat ik min of meer voor gek sta.

Om tot de koude in te gaan zijn warme kleren en een goede lichamelijke conditie niet genoeg. Het komt ook aan op de goede woorden en de juiste grammatica. En dan nog: Het gaat erom welke wind je bedoelt, uit welke richting hij komt, of het een valwind is dan wel een strakke horizontale bries, of hij van voren dan wel van achteren waait. Hoewel het woord ‘anorê’ er op lijkt, is er geen abstract begrip ‘wind’. Er zijn meer dan tien woorden om de aard van de wind te beschrijven.

Een dag later is de wind gaan liggen en valt de dooi in. Bleek winterlicht, het geluid van koolmezen in de takken.

Geplaatst in lijf en leden, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Parenthesen

Ik herinner me leerlingen die een voorleesbeurt kregen en tekstdelen tussen haakjes ongelezen lieten. Ik nam er notie van en onderbrak hen niet. De tekst leed er in de meeste gevallen niet onder, en de voordracht ook niet. Als dat nodig was zou ik de ongenoemde informatie later wel onder de aandacht brengen, al vroeg ik me af van welke collega op de basisschool of in het voortgezet onderwijs zij hadden geleerd om op deze manier met woorden en zinnen tussen haakjes om te gaan.

De novelle Zelfportret met witte muts, die H.C. ten Berge (1938) in 1987 publiceerde, telt eenenveertig pagina’s. Elf pagina’s tekst staan tussen haakjes. Ik registreerde het haakje openen, constateerde dat de personages in het pas geopende tekstdeel dezelfde waren als daarvoor, dat er in het verhaalperspectief niets was veranderd en dat, net als voor het haakje, de tekst in een verleden tijd was geschreven; ik keek ongeduldig uit naar het haakje sluiten.

De schrijfwijzer van Jan Renkema stelt dat de ronde haakjes (parenthesen) vooral worden gebruikt voor een verklaring, een toevoeging, een verwijzing of in de betekenis van ‘of’. Precies het gebruik dat bij een mondelinge voordracht in de meeste gevallen kan worden gemist. Taaladvies merkt op dat haakjes om een hele zin of om een deel van een zin kunnen worden gezet. Over vijf of zes pagina’s tussen haakjes heeft de site het niet.

Wie in Zelfportret met witte muts de tekst tussen haakjes overslaat, mist veel moois. Stefan K. en Hannele ondernemen een weekendtocht met de oude Volkswagen Kever. Tweede helft jaren zestig, ze hebben Hamburg achter zich gelaten en rijden in Noordoostelijke richting naar de kustgebieden van Nordfriesland. Totale wind. aanlegsteigers overspoeld door grijsgekuifde golven. De zee een schilderij van Nolde. Het land strak en leeg tot aan de horizon. Hier voelde ik me thuis. Op de borden de gedrongen namen van de dorpen. Wobbenbüll. Schlütsiel. Dagebüll. Marienkoog. Hannele koopt in het museum een reproductie van het schilderij Zelfportret met witte muts van Franz Radziwill. ‘Dat ben jij, zei ze. ‘Kijk maar: dezelfde neus en oren, ernstig hoofd, de mond een beetje opgetrokken, ogen die niet koud maar wel afstandelijk kijken, enigszins misprijzend zou ik zeggen.’  Niet veel later volgt, na vijfenhalve pagina het langverwachte haakje sluiten.

Een halve pagina later duikt het volgende haakje openen op. Zes bladzijden later tref ik het haakje sluiten aan: Voor de spiegel bracht ik mijn handen naar mijn gezicht. Ik merkte dat ze beefden, alsof ik het lichaam van een nieuw verlangen voor het eerst in mijn nabijheid wist.)

Het verhaal was begonnen met een ontmoeting in Parijs, november 1968. De teksten tussen haakjes speelden in Hamburg en omstreken. Waren die onschuldige haakjes in staat op papier en in het hoofd van de lezer een razendsnelle en geruisloze verplaatsing teweeg te brengen? Dan had Jan Renkema de spectaculairste toepassing van dit taalmiddel over het hoofd gezien.

Acht pagina’s voor het einde van de novelle licht de verteller, Stefan K. een tipje van de sluier op. Eerst nu durf ik te bekennen dat onze ontmoeting op het terras in november minder toevallig was dan ik heb doen voorkomen. Ze had een lange brief gestuurd met het verzoek te komen praten over wat ze ‘een beklemmend ervaring’ noemde. De brief viel vele maanden na haar onverwachte vertrek uit Hamburg in de bus.

De haakjes in de tekst transporteren de lezer niet alleen van hier naar daar, maar ook van nu naar toen, terwijl ze voorlopig de afloop van de novelle hermetisch voor de lezer buitensluiten.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Tijdstippen

Twaalf dagen telt de kersttijd op de christelijke kalender. De periode begint op eerste kerstdag en eindigt op zes januari met Driekoningen of Epifanie. Zo bijzonder is dit niet, ook de Babyloniërs hadden twaalf dagen nodig om af te rekenen met de demonen van het oude jaar en om in de tempel van Marduk het Scheppingsgedicht ‘Enûma elish’ te reciteren en zo de tijd opnieuw te scheppen en de voorwaarden voor een nieuwe oogst veilig te stellen. De gruwelijke kindermoord hoort ook in het kerstverhaal, terwijl op tweede kerstdag Stefanus, de eerste martelaar van het christendom, wordt herdacht. De belofte van een nieuwe tijd wordt een kracht om rekening mee te houden als de pas geboren verlosser zich aan de overheden van de wereld openbaart. Op zeven januari kan het nieuwe jaar eindelijk op eigen benen staan.

De tweede afdeling van de bundel Nieuwe gedichten van H.C. ten Berge heet Zeven tijdstippen. Zij bestaat inderdaad uit zeven gedichten, waarvan er zes in de titel een nauwkeurige tijdsbepaling hebben mee gekregen. Het eerste gedicht heet Acres Road 7.1.75  / 9.15 uur, het zevende Carla House 7.1.80 / 9.15 uur. Het uur is steeds hetzelfde, de datum is onveranderlijk zeven januari, het jaar verspringt per gedateerd gedicht van 75 naar 76 tot en met 80.

Als Maria Barnas op 6 januari 2006 de bundel in De Groene Amsterdammer bespreekt (Ten Berge had juist de P.C. Hooftprijs ontvangen), schrijft ze: De tijd opschrijven is een goed begin. Van een gedicht, maar ook van een dag. Maar Ten Berge laat ook de machteloze houding zien die eraan ten grondslag ligt of die eruit voortvloeit. Dat mag zijn, maar het helpt ons niet om te begrijpen waarom die tijd alleen maar zeven januari is om kwart over negen, waarom de reeks niet in een ander jaar begint  en waarom er in de reeks Zeven tijdstippen maar zes worden genoemd.

De eerste afdeling van de bundel bestaat uit maar een gedicht: De Hartlaubmeeuw, waarin de regels staan: Aan het strand toen die man / met een meeuw op zijn hoofd, / een aap vluchtte weg van je tekenpapier; / de wind / bracht de geur mee / van vrouwen en vogelmest, zeewier en teer – . Onder het gedicht staat een opdracht: Aan B.B. die negen jaar in de nor opknapt. B.B. is de in Zuid Afrika geboren Breyten Breytenbach (1939), dichter, schilder, antiapartheidsstrijder die inderdaad in 1975 negen jaar gevangenisstraf kreeg. Terrorisme volgens de rechter maar het enige strafbare feit dat Breytenbach had gepleegd, was zijn huwelijk met Hoang Lien Ngo, immers een nie-blanke.

De hoofdpersoon van Zeven tijdstippen is de dertiende-eeuwse mystica Hadewych, die als geen ander heeft geschreven over pijn, liefde, genot en verlangen. Ten Berge schrijft: jij overheilig wijf / je bent in alles / wat ik schrijf aanwezig en ik sla je achter het raam / weer op en zie: // so diepere ghewont, so saechtere ghenesen

De gevangenis van Breytenbach komt terug in de vijfde en laatste afdeling van de bundel Intra muros waarin Ten Berge zijn kunstbroeder toespreekt: neem mijn jas van huiden, Breyten, / nu je zo lang overwintert in de tropen De zes genoemde tijdstippen markeren Breytenbachs jaren in de gevangenis. In 1982 mocht hij gaan. Dat zal het ontbrekende zevende tijdstip zijn. Het lag, toen de bundel Nieuwe gedichten in 1981 verscheen, nog in het verschiet.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Vijfentachtig

Het eerste jaar na mijn hartoperatie lag ik liever niet op mijn buik. Zelfs op mijn zij gaf te veel druk op de wonden van binnen. Noodgedwongen ontwikkelde ik de gewoonte op mijn rug te slapen. En nu, ruim twee jaar na de ingreep, val ik zo het liefst in slaap. Ik leg mijn beide handen op mijn buik, vang de warmte van mijn ingewanden en luister naar het spoelen en stromen, kloppen, klokken en schuimen daarbinnen dat soms zelfs onderhuids voelbaar is.

Er was eens een boer die per ongeluk in een put met kikkers en dril viel. Hij kreeg water binnen en vermoedde dat daar ook wat dril bij was. In de maanden die volgden was hij extra alert op wat er zich in hem afspeelde, en hoewel dokters hem verzekerden dat het niets was dan inbeelding en opgehoopte lucht, bleef de boer ervan overtuigd: het was geen lucht, het waren geen veesten, maar echte kikkers. Want hoorde men ze dan niet kwaken!

De anekdote staat in het verhaal Het meisje met de korte vlechten dat is opgenomen in het prozadebuut Canaletto en andere verhalen uit 1969 van H. C. ten Berge (1938). Het was het eerste wat ik van Ten Berge las. Het exemplaar in mijn boekenkast met het blauwe omslag en het gezicht op Warschau van Canaletto uit 1770, is door de auteur gesigneerd op 29 juni 1974, maar toen had ik het boek al gelezen. Dat zal dus ergens in de vroege jaren zeventig zijn geweest. Ik was een jaar of zestien, wat trok mij er in aan?

Als ik het verhaal herlees, valt me op hoe onbestemd het is qua onderwerp, qua tijd. De anekdote van de boer met de kwakende buik is onderdeel van de expositie van de hoofdpersoon Staszek, die zich voorstelt als melancholicus. Om zich geheel van het verleden te bevrijden neemt hij tevens 5 grein heulsap met kanariesuiker, eet wat kaasjeskruid en slijm van havergort, en bereidt tenslotte met gepelde gerst en vlierbloesem een verlossend lavement om zijn levenssappen weer op peil te brengen en de hardnekkig druk in de onderbuik – een ziekte van geleerden – voorgoed te verdrijven. Wat wist ik toen ik zestien was van de humorenleer?

Dat we ons niet in de middeleeuwen bevinden, wordt twee bladzijden later duidelijk als er melding wordt gemaakt van een gebochelde dwerg die een tankstation in een verlaten dorp beheert. Nog twee bladzijden verder wandelt Staszek in een lichtblauw spijkerpak door Warschau. Dan zijn we toch weer thuis in de late jaren zestig, hoewel genoemde outfit in de Poolse hoofdstad van voor Solidarność en de val van De Muur geen gemeengoed was.

Ik moet die onbestemdheid hebben geïnterpreteerd als een belofte van vrijheid. Die had met reizen en verre landen te maken en met onzekerheid en gebrek aan lef, maar ook met verlangen naar kennis van de wereld en hoe die bewoog.

En natuurlijk erotiek. In een park ontmoet Staszek mevrouw M. We keken elkaar wat onzeker glimlachend aan. Ze had grijze ogen, haar gezicht was het vriendelijkste dat ik ooit had gezien. Ze droeg ook die dag korte vlechten. Haar wimpers waren lang en aan de einden even omgekruld. Ze was gekleed in een korte jurk met zachtblauwe banen die van boven naar beneden liepen.

Overmorgen, 24 december, wordt H.C. ten Berge vijfentachtig jaar. Afgelopen maand verscheen Ten Berge Handboek, met besprekingen van alle bundels poëzie van de jarige. Daar kom ik de komende feestdagen wel mee door.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged | Een reactie plaatsen