Floppydiscs

Ik had er nog wel, maar nu ik toch in de buurt was kon ik net zo goed nog een paar doosjes inktpatronen kopen. In het dorp waar ik woon zijn ze niet te krijgen. Een paar maanden geleden had ik er bij de Gebr. Winter op de Vijzelstraat wel de hand op kunnen leggen. En hoewel het logo nog aan de gevel hing, was achter het glas het rolluik gesloten; de winkel was dicht. Geen nood, morgen kom ik langs de Ceintuurbaan, daar is ook een filiaal, maar ook dat was gesloten. Een briefje aan de deur verwees me naar de Looiersgracht. Daar was ik niet in de buurt, en dan nog, dat wil ik eerst zien voor ik het geloof.

Thalia Ostendorf (1990) is postdoc aan de Universiteit van Amsterdam en doet onderzoek naar de nalatenschap van enkele Surinaamse schrijvers. In het archief van het Literatuurmuseum buigt ze zich over de verhuisdozen die de stichting Edgar Cairo onlangs aan het museum heeft gedoneerd. Stapels manuscripten, persoonlijke documenten, correspondentie, promotiemateriaal, artikelen, uitgetypte columns, maar ook van die enorme 5,25”-floppydiscs. Cairo (1948 – 2000) had een van de eerste Apple-computers en zowel toen als nu zijn er maar een paar computers in Nederland die zulke floppy’s kunnen lezen. Ostendorf schrijft erover in De Gids 187, 2024/3. Het Home-Computermuseum moet eraan te pas komen om erachter te komen dat er op de discs ongepubliceerde manuscripten staan.

Victor Hugo (1802 – 1885) roept met De klokkenluider van de Notre Dame het laatmiddeleeuwse Parijs op. Hij had het nog met eigen ogen gezien, de ingrijpende verbouwing van de Franse Hoofdstad dateert van na het verschijnen van het boek in 1831. Toen de aartsdiaken van de kathedraal voor het eerst een gedrukt boek voor zich zag, opende hij het venster en beschouwde enige tijd zwijgend het reusachtige bouwwerk en strekte toen met een zucht zijn rechterhand naar het gedrukte boek uit, dat open lag op tafel, en zijn linkerhand naar de Notre-Dame; en terwijl hij zijn droeve blik van het boek naar de kerk liet gaan: – Helaas! zei hij, dit zal dat doden.

Het hoofdstuk dat volgt is een essay van meer dan tien pagina’s waarin Hugo betoogt dat de drukpers, juist doordat hij informatie toegankelijker maakt, het einde zou inluiden voor de kathedralenbouw. De monumentale kerkgebouwen waren immers niet alleen het huis van de Heer en de plaats van de eredienst, maar ook kapitale informatiedragers; de vele beeldhouwwerken verbeeldden de hele geschiedenis, van Adam en Eva tot het Laatste Oordeel. Kathedralen werden niet voor niets de Bijbel van de ongeletterden genoemd.

Tijdens de straatbarbecue troffen we de buurvrouw van vijf huizen verderop. Ze werkt op de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en had het, tussen een hamburger en een kipkluifje, over de aanstaande verhuizing naar het Binnengasthuisterrein. Daar zijn alleen maar van die flexwerkplekken, sprak ze bezorgd. Het is haar taak om te beslissen over de aanschaf van nieuwe wetenschappelijke publicaties. Ze krijgt dagelijks boeken en tijdschriften toegestuurd. Maar de plannen voor de nieuwe bibliotheek voorzagen niet in boekenkasten in de buurt van een werkplek. Waar moeten we dan met onze spullen heen…, verzuchtte ze, nipte van haar wijn, en sprak haar afschuw uit over collega’s die trots meldden achttien kilometer wetenschappelijke tijdschriften te hebben vernietigd, nadat de inhoud was gedigitaliseerd.

Een tekst die mij bij blijft is het product van woordbeelden, bladspiegel, papier en inkt, deugdelijk gebundeld, dat alle zintuigen streelt.

Wat is al weg? Wat gaat er nog verloren?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Damenklo

Berlijn, 1978. Een man schreeuwt: ‘Eins, Zwei. Eins, Zwei, Drei’. Een tel rust, dan geeft Herwig Mitteregger een klap op het slagwerk, plukt Manfred Praeker de eerste toon van zijn basgitaar en onderhoudt Reinhold Heil het ritme met twee, drie toetsen op de piano. Vijfentwintig seconden verder zet een duet van gillende gitaren het intro in dat driekwart minuut later overgaat in het begeleidende thema en klinkt het hoge stemgeluid van Nina Hagen (1955), herkenbaar uit duizenden; ‘Auf’m Bahnhof Zoo im Damenklo’.

Eva Meijer (1980) maakte me via haar weblog attent op nieuw werk van de Amerikaanse conservator en kunstenaar Kirsha Kaechele (1976); in Hobart, Tasmanië, exposeert ze werk van Picasso in de damestoiletten van het Museum of Old and New Art (MONA). Daar ging iets aan vooraf. In maart van dit jaar stond Kaechele te recht voor het Tasmaanse Civil and Administrative Tribunal. Ze liet zich bij die gelegenheid escorteren door vierentwintig vrouwen in marineblauw die de zitting in stilte gadesloegen en volgens een subtiele choreografie ineens tegelijkertijd, als één vrouw, het ene been over het andere sloegen, een hand op hun hart legden of de bril wat omlaag schoven.

Dein Braunes Haar ist wunderbar! / Dein Straps am Strumpf ist wahnsinn!

Kaechele en het MONA waren gedaagd nadat Jason Lau uit New South Wales een klacht had ingediend bij het museum wegens discriminatie. Lau was afgekomen op de wervende tekst: Really fancy stuff to do at MONA. Een kaartje kostte vijfhonderd dollar voor twee personen. Het ging om een installatie van Kaechele die de naam Ladies Lounge droeg, maar toen Lau daar arriveerde werd hem de toegang tot de Lounge en de belofte van een exclusieve high tea met kostbare kunst aan de wanden, ontzegd. Alleen vrouwen mochten naar binnen. Lau voelde zich bekocht.

Catherine Scott, de advocaat van Kaechele, wees de klacht van Lau af. Hij had immers wel degelijk waar voor zijn geld gekregen. De betekenis van de installatie van de conservator en kunstenaar school in de ervaring afgewezen en buitengesloten te worden. Die ervaring had Lau ten volle kunnen genieten, op zijn eigen initiatief had hij haar nog bekroond met een juridische procedure.

Dat de rechter niet meeging met de uitleg van Scott, doet niets af aan het succes van het kunstwerk, maar had wel tot gevolg dat Kaechele voor het vervolg van haar project noodgedwongen haar toevlucht zocht tot de damestoiletten van het museum.

Dein Widerstand hat Fuss und Hand! / Dein Hackenschuh ist scharf wie du!

De derde dames-wc bevindt zich in het NBC Congrescentrum te Nieuwegein. Daar werd op 22 juni de Partijdag van de Staatkundig Gereformeerde Partij gehouden. Ana van Es deed er voor De Volkskrant verslag van en merkte op dat de aanwezige heren in de pauze massaal gebruik maken van de toiletten voor dames, terwijl de schaarse vrouwen van de partij geduldig hun beurt afwachten. Ingezonden brievenschrijver Peter de Vries uit Nijmegen achtte dit gedrag in tegenspraak is met het partijstandpunt over genderneutrale toiletten.

Dein Straps zerriss, / Ich hob ihn auf, / Ich küsste dich / Du küsstest mich

Daar is ineens een frontlinie in de strijd voor gendergelijkheid dwars door het kleinste kamertje getrokken.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Ezel

Als Charles Baudelaire (1821 – 1867) enkele van zijn ‘petites poèmes en prose’ ter publicatie aanbiedt aan Arsene Houssaye (1815 – 1896), heeft hij het over kleine teksten, zonder rijm of ritme, die zich soepel voegen naar de bewegingen van de ziel, het kabbelen van de droom, het woelen van het geweten. Teksten waarin de trillingen van de grootstad resoneren, lyrisch proza dat de klaaglijke echo verklankt van geschreeuw op straat dat door het dakraam naar binnen waait. Er verschijnen in de jaren zestig van de negentiende eeuw inderdaad hier en daar wat van die prozastukjes. Een keer staat er zelfs optimistisch ‘wordt vervolgd’ bij. Maar er komt geen vervolg. Niemand wil ze lezen.

Het is zomer en ik kies voor de broodnodige verkoeling, een winters tekstje. Het is nieuwjaarsochtend en Parijs verkeert in een uitgelaten stemming. De verteller rept van chaos de boue et de neige, slijk en sneeuw; mensen onderweg met geschenken en snoepgoed. Een man met een zweep drijft een ezel door de menigte. Een opgedirkte fat maakt zich daaruit los, neemt zijn hoed af, buigt voor de ezel en wenst het dier bonne et heureuse … en haast zich vervolgens naar zijn kameraden om de hulde voor zijn optreden in ontvangst te nemen. Un plaisant heet het stukje, tweehonderd woorden, meer niet. Laten we het vertalen met Een aardigheidje. De verteller ergert zich aan wat hij ziet en vreest dat in dit tafereel alle esprit van Frankrijk is samengebald.

Charles Baudelaire was zo iemand die meende dat de mens tussen God en Satan beweegt, tussen goed en kwaad, tussen de sferen der engelen en het dierenrijk. Dat een ezel in het stukje het enige redelijke wezen is, moet de dichter hebben gewaardeerd als duivels raffinement. Notitie 68 uit Fusées wijst op satanische aspecten aan de liefde en om dat te bewijzen, volgt een opsomming van dierennamen waarmee wij onze geliefden bejegenen; Minette, minouette, minouille, mon chat, mon loup, mon petite singe, grand signe, grand serpent, mon petit âne mélancolique, dat soort taalgrappen. Duivels zien er uit als dieren, toch?

Nee, Een aardigheidje is niet geschreven uit dierenliefde of uit respect voor alle levende wezens, menselijk of niet-menselijk. Anders dan Mensje van Keulen, Jan Siebelink, A. F. Th. van der Heijden, Charlotte Mutsaers, Maarten Biesheuvel of Bibi Dumon Tak, zou Baudelaire bedanken voor het lijstduwerschap  voor de Partij voor de Dieren. Al was hij wel een kattenmens, net als Biesheuvel en Van Keulen. Drie gedichten uit Les Fleurs du Mal gaan over hen: Zo zacht, discreet is het geluid: / En of haar stem nu fleemt of sombert, / Ze is steeds even rijk als donker, / Er spreekt geheime tover uit.  Zijn maîtresse Jeanne Duval wist dat ook. Zij nam, als hij haar weer eens voor grand serpent had uitgemaakt een hond in huis om hem te pesten.

Het zal tot 1869 duren, twee jaar na zijn dood, voor de verzamelde prozagedichten onder de titel Le Spleen de Paris verschijnen. In de eeuw die volgt, vinden ze weerklank in het werk van Arthur Rimbaud, Henri Michaux, Pol de Mont, Herman Heijermans, Ellen Corr, tot K. Michel aan toe.

En wat die taalgrappen betreft; klinkt het woord dat ontbreekt na bonne et heureuse niet als âne?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | 3 reacties

Gewone mannen

Was de rechtbank waar de zedenzaak van rapper en stand-upcomedian Ali B. drie dagen diende gevestigd in Onderland, de plaats van handeling van het gelijknamige boek van Alma Mathijsen (1984) en alleen bekend aan mensen die weten wat misbruik is en waar monsters uit het verleden samen leven met hun prooi en nachtmerries vrij spel hebben? Je zou het zeggen, dader en slachtoffers waren aanwezig, een stormwind aan emoties wilde van geen liggen weten, laaide alsmaar op. Maar dan, van Harper, de verteller in Onderland, weten we dat het goed is in Onderland, dat daar niets bestaat dat haar tegenstaat. Daar is geen plaats voor juridische sofismen en journalistieke sensatiezucht,  een uitspraak van de rechter is dan nergens voor nodig.

Op het opinieplatform De Nieuwe Wereld (DNW) stond men afgelopen zondag stil bij het proces. Jelle van Baardewijk, cultuurfilosoof, lector bedrijfsethiek en programmamaker bij DNW, was zich rot geschrokken. Als ook maar de helft klopt van wat die vrouwen hem verwijten, dan denk ik echt: zo, wat ben jij het aan het verkloten voor gewone mannen zeg. Ik keek naar het scherm en meende toch dat dat de minste zorg moest zijn van de misbruikte vrouwen.

Gedaagde gebruikte het hof als podium voor wat hem maar te binnen schoot, gevraagd maar meestal ongevraagd, zoals een stand-upcomedian gewoon is. Het advies om stil te zitten als je wordt geschoren, is aan B. niet besteed en wat er gebeurt met een vlek als je erin gaat wrijven, moet zich ook nog aan hem openbaren. Wat bezielt de komediant dat hij geen nee accepteert en zijn wil, of moet ik zeggen geilheid, als hoogste instantie ziet?

Het antwoord passeerde in Onechte paradijzen, het boek over hasjiesj en opium dat Charles Baudelaire (1821 – 1867) in 1860 publiceerde. Ik las: Zo zal zijn redenering in zijn werk gaan: eenmaal het eerste gevoel van smart voorbij, zal hij nieuwsgierig die handeling of dat gevoel analyseren waarvan de herinnering zijn zaligheid van dat ogenblik heeft verstoord, de motieven die hem eens bezield hebben, de omstandigheden die hem ertoe brachten, en als hij niet voldoende rechtvaardiging in de omstandigheden vindt om zijn zonde zo niet vrij te pleiten dan toch te verzachten, denk dan niet dat hij zich gewonnen geeft.

Baudelaire beschrijft hier de gedachtegang van een fijngevoelig mens, een kunstenaar misschien, een romanticus zou hem een onbegrepene noemen, een bourgeois een zonderling. Om eerlijk te zijn heeft hij ook wel een en ander van Baudelaire weg. Wel mogen we uitsluiten dat de schrijver Ali B. voor ogen had.

Wij hebben gezien dat hij op infame wijze de heilige deugd van de boetedoening imiteert, tegelijk speelt voor boeteling en biechtvader, dat hij zich gemakzuchtig absolutie geeft of wat nog erger is, dat hij aan zijn veroordeling nieuw voedsel voor zijn trots ontleent. (…) Hij verwart totaal de droom met de daad en terwijl zijn fantasie meer en meer warm loopt voor het betoverende schouwspel van zijn betere en geïdealiseerde ik dat hij in de plaats zet van zijn echte persoonlijkheid, zo arm aan wil, zo rijk aan ijdelheid, vat hij tenslotte zijn apotheose in deze aardige en eenvoudige woorden samen, waarin voor hem een hele wereld van vreselijke genietingen vervat is: ‘Ik ben de deugdzaamste van alle mensen!’

Uitspraak van de rechter wordt 12 juli verwacht.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Vluchtige pracht

Zodra Charles Baudelaire (1821 – 1867) meerderjarig was en de beschikking kreeg over de erfenis van zijn vader, huurde hij een verdieping van een stadspaleis op het Île Saint-Louis in het centrum van Parijs. Lambrisering langs de wanden, tapijten dempten het geluid, de meubels waren even gerieflijk als kostbaar, kroonluchters aan de plafonds, door de hoge ramen viel het zonlicht, dat, al naar gelang het seizoen, werd gefilterd door de kruinen van hoge platanen. Daarna toog de dichter in spe naar de kleermaker om zich volgens de laatste mode, maar geheel naar eigen ontwerp, in het nieuw te laten steken. Hij dreef de tailleur tot wanhoop met eindeloze detailkritiek en telkens nieuwe wensen, tot zijn outfit als gegoten zat en hij tenslotte sprak: ‘Doe er hier maar vijfentwintig van’.

Bij de boekhandel trof ik een nieuw Album Charles Baudelaire, geschreven door Stéphane Guegan, uitgegeven door Gallimard in de prestigieuze Pleiadereeks. Het fraai gebonden boekje, meer dan 250 pagina’s hagelwit gestreken papier, perfect voor de meer dan 200 kleurenillustraties, was onweerstaanbaar. Een gelukkig mens verliet de winkel; ik popelde om het werkje aan een nader onderzoek te onderwerpen.

Ik weet niet wanneer ik voor het eerst met Baudelaire in aanraking kwam, maar het kan heel goed door Paul Rodenko (1920 – 1976) zijn gekomen, die hem de vader van de moderne poëzie noemt in zijn inleiding tot de bloemlezing Gedoemde dichters. Baudelaire combineerde de verborgen tradities van gnosis, mystiek en occultisme en de problematiek van de zonde en het kwaad in een nieuwe poëtica. De vraag doemt op: is het dan niet de natuurlijke taak van de dichter om deze krachten te bevrijden uit hun ‘enfer’, om de zwarte magie om te zetten in de witte magie van de poëzie (…), christendom en Rede overboord te gooien en weer een heiden te zijn? Paul Rodenko komt in de index van het Album Charles Baudelaire niet voor.

En als het Paul Rodenko niet was, dan toch Walter Benjamin (1892 – 1940), die de Franse flaneur en letterkundige medeverantwoordelijk maakte voor een verandering in onze ervaring en bewustzijn. Die had te maken met de fragmentatie van het arbeidsproces en met het ontstaan van de stedelijke massa in de negentiende eeuw. Vóór Baudelaire waren deze nieuwigheden al opgevallen aan Dickens en Hugo, om er maar twee te noemen, maar Baudelaire heeft ze verinnerlijkt. Baudelaire beschrijft noch de inwoners, noch de stad. Door daar vanaf te zien kon hij de eersten in de gedaante van de tweede oproepen. Ook Walter Benjamin wordt in de index van het Album niet genoemd.

Mijn voorlaatste ontmoeting met Baudelaire zal via Menno Wigman (1966 – 2018) zijn geweest. De voormalige stadsdichter van Amsterdam heeft 26 gedichten uit Les Fleurs du mal vertaald en gepubliceerd, waaronder Aan een voorbijgangster. De eerste drie regels van het sextet van dit sonnet illustreren waar Benjamin op hintte: in één moment vloeien vrouw, stad, wandelaar en tijd samen tot een ervaring van verlangen en schoonheid. Een bliksemschicht… Dan de nacht! O vluchtige pracht / Wier aanblik mij opnieuw tot leven heeft gebracht: / Zal ik je dan pas in de eeuwigheid weer zien? Nee, Menno Wigman staat er ook niet in.

Drie jaar later had Baudelaire een flink gat geslagen in zijn vaders nalatenschap en werd hij achtervolgd door schuldeisers. Zijn moeder, stiefvader en halfbroer belastten notaris Narcisse-Désiré Ancelle, gevestigd te Neuilly met de taak streng bewind te voeren over het resterende kapitaal. Dat was, toen Baudelaire vijfentwintig jaar later overleed, nauwelijks aangesproken. Van de notaris vinden we een portret op bladzijde 61.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Verrekijker

Afgelopen vrijdag is Willem van Toorn overleden. Ik stel mij voor hoe Ineke, zijn levenspartner, de uitgeverij belt, dat Querido een persbericht opstelt en het droevige nieuws wereldkundig maakt. De digitale nieuwsplatformen melden dat weekeinde allemaal hetzelfde: achtentachtig jaar, ruim veertig romans, verhalenbundels, dichtbundels en essays, de lichtheid, de schijnbare eenvoud in groot stilistisch vermogen en zijn betrokkenheid bij maatschappelijke kwesties, vertaler van onder anderen Franco Loi en Cesare Pavese, Klaus Mann, Franz Kafka, Stefan Zweig, Christopher Isherwood, John Updike en E.L. Doctorow. Onno Blom schrijft maandag in De Volkskrant hoe Van Toorn een paar dagen eerder de genodigden voor de presentatie van door hem vertaalde brieven van Kafka en het essay ‘Kafka voor beginners liet weten dat hij met een longontsteking in het ziekenhuis is beland en verstek moet laten gaan: ‘Pech hè, Hartelijk, Willem.’.

Een jaar of vijftien geleden was ik met een groep leerlingen in het Rijksmuseum voor de feestelijke afronding van een workshop poëzie van de Stichting School der poëzie. Ineke was daarbij betrokken, Willem was met haar meegekomen. We luisterden hoe  Nina uit vier havo bij Het Joodse Bruidje haar gedicht over dat beroemde schilderij van Rembrandt las. Haar ouders waren ook naar het optreden gekomen. Voor de jonge dichteres was de aandacht van het goede te veel. Ik vond het niet leuk, verklaarde ze na afloop, ik schaamde me. We deden of het ons speet, maar wisten stiekem dat schaamte als didactisch middel moeilijk overschat kan worden.

Als Herman de Coninck (1944 – 1997) Van Toorns gedicht Een kraai bij Siena heeft herlezen, schrijft hij: Wat hij doet is meestal: een landschap neerzetten, het mag ook een schilderij zijn, en daar zo blijvend mogelijk een geliefde in onderbrengen. De Coninck citeert de laatste regels: Hoe zich deze woorden bewegen / ongeveer van mij naar jou en stelt vast dat het gedicht, door die laatste regels niet alleen een gedicht is over een vogel in een landschap, maar ook een gedicht over poëzie, en een liefdesgedicht, want toen het gedicht voor het eerst werd gepubliceerd was het opgedragen aan Toos, de moeder van zijn twee dochters. Van Toorn was nog niet van haar gescheiden, maar het gedicht had er al een vermoeden van. De Coninck: Er staat niet:‘ongeveer hoe zich deze woorden bewegen / van mij naar jou’, wat logisch zou zijn. Er staat: Hoe zich deze woorden bewegen / ongeveer van mij naar jou’. Die jou is een tamelijk stevige vrouw, de mij is altijd maar ongeveer. Dat komt niet goed.

Een landschap ontoegankelijk voor taal, zo begint het gedicht dat in de bundel Een kraai bij Siena tegenover het titelgedicht is afgedrukt. Verrekijker (Monteriggioni) heet het, en met die verrekijker blijkt het mogelijk niet alleen de ruimte, maar ook de tijd te manipuleren, én de taal, én het perspectief dat de illusie van werkelijkheid mogelijk maakt. De laatste strofe luidt: waaruit jij daar kunt lezen wat ik zie / vertekend binnenin dit instrument: / een even aan de tijd ontsnapte prent / uit de Riches Heures van de Duc de Berry.

Ook dit gedicht weet meer dan zijn maker; twintig jaar later zou de dichter zich in het Franse Saint-Denis-dujouhet, in de Berry vestigen, waar hij eenendertig mei aan de tijd is ontsnapt.

Ach, Ineke. Ach, A. en S. zijn dochters.

Geplaatst in bij de les, zaliger nagedachtenis | Getagged | 1 reactie

Monte Grappa

Liefhebbers van de koers drommen samen op de top van de Monte Grappa, de laatste hindernis in de Giro d’Italia. Kinderen in roze kleren. Springende en joelende vrouwen, ik hoor koebellen. Mannen uitgedost als dinosaurus, ik zie Obelix met roze haar, gele vlechten, een helm met hoorns op het hoofd, een volle rode baard waaruit een rokende pijp steekt. Een  man holt met een luid ronkende kettingzaag met de renners mee. Iemand zwaait een opgezette vos boven zijn hoofd. De commentatoren van dienst weten het ook niet meer.

Harper ontmoet Mandy aan de andere kant van de herbelevingsgrens. Een bakstenen huis met rolluiken voor de ramen, de deur op een kier. Als ze naar binnen gaat, maakt elke stap een soppend geluid. Het ruikt er muf. In de woonkamer tikken misschien wel zestig koekoeksklokken. Door open schuifdeuren steekt een eekhoorn zijn poten naar haar uit. Een opgezet exemplaar en er zijn er tientallen meer; een marter, een wild zwijn op een bedje van mos met geprepareerde kevers en zelfs een lieveheersbeestje op de hoef. Langs de muren kijken felgekleurde Furby’s toe. Dan hoort ze voetstappen op de trap.

We zijn in Onderland de laatstverschenen roman van Alma Mathijsen (1984). Op de titelpagina staat Gebaseerd op waargebeurde nachtmerries. Harper, de verteller en ik-persoon, is door haar matras en bed in Onderland gevallen. Hier durven we de gruwelijkheden van vroeger recht aan te kijken, alle monsters uit het verleden leven samen met hun prooi, niemand is meer bang voor wat ons is overkomen. Alles in Onderland is goed, hier bestaat niets dat me tegenstaat. Ik ben hier en ga nooit meer weg.

Wat de bewoners van Onderland bindt, is seksueel misbruik. We weten dat de ik-persoon van Mathijsens vorige roman Bewaar de zomer is verkracht toen ze zestien jaar was en voor de eerste keer seks had. Onderland borduurt voort op dat thema.

De voetstappen horen bij een meisje van een jaar of vier, grijs shirtje, witte rafelige broek, en haar opa. Als Harper het kind wil oppakken, grijpt ze dwars door haar heen. Het meisje stamelt: Je moet zeggen dat het niet echt is. Harper zegt: Je bent niet in dat huis, je ligt op een houten vloer. Langzaam vervaagt opa en trekt het huis zich terug. Mandy stelt zich voor. Een stil kind, vaak hoofdpijn, misselijk op school, sloot zich het liefst op in haar kamer, buikpijn, ze werd gek van het getik van klokken en sneed zichzelf. Nu is ze een jonge vrouw van in de twintig die door verkeerd te ademen herbeleeft wat haar is overkomen. Alles wat ik over mezelf weet, heb ik gezien in flitsen uit het verleden.

De bewoners van Onderland gaan elk op hun eigen wijze om met wat hen is aangedaan. Harper somt ze in het laatste hoofdstuk op: Het Zwanenmeer van Mieke, de tientallen varianten van Jan in het park, de drift van Teun om altijd meer te maken, het parfum van Papa dat hem redde, planten die door de huid van Fiona groeiden, de zes mechanismes van Sanna, het bolletje van Levi en de badkuipen van Texas. Ze komt tot de conclusie dat ze een land heeft opgegeten, dat het overal in haar zit. Van beter worden kan geen sprake meer zijn.

De Monte Grappa is er niets bij.

Geplaatst in koers, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Dance

Ik werd rond middernacht wakker, staarde in het donker en probeerde te bedenken wat er ontbrak. Het dekbed was te warm, de kamer benauwd. Waarom stond het raam niet op een kier, waarom trok er geen tochtje door de bovenverdieping? Het bed uit dan, deuren en ramen open. Ik hoorde de laatste slagen van de torenklok aan de andere kant van de ringvaart. Daarna stroomde op zoele vlagen stilte binnen en viel ik in slaap tot de merel begon te zingen de volgende dag.

Ik had die zondagochtend voor het eerst een koekoek gezien. Dat zeg ik verkeerd; voor het eerst wist ik bijna zeker dat ik er een zag. Sinds begin april hoorde ik de roep van de koekoek in de noordelijke delen van de Tuinen van West waar ik dagelijks een rondje loop. Nu eens dichtbij, dan weer veraf, ik slaag er nooit in het geluid goed te lokaliseren, zodat het me ook niet lukt het roepen tot zijn oorsprong terug te voeren. Vanochtend hoorde ik het links van het pad, daarna even niet en vervolgens uit de hoge bomen rechts verderop, juist op de plaats waar een mij onbekende vogel in het groen verdwenen was. Grijs, formaat duif, een lange staart, zoals een ekster, een opvallend regelmatige, doelgerichte vlucht. Geruisloos. Mijn conclusie kon geen andere zijn.

De vijftiende etappe van de Giro d’Italia stond op het programma, de koninginnenrit met de legendarische Mortirolo en een aankomst bergop in Livigno. Ik installeerde me voor de televisie, met de duim op de volumeknop van de afstandsbediening spitste ik de oren voor het commentaar van Jeroen van Belleghem en Karsten Kroon, om erachter te komen dat dat een hopeloze opgave was. Door de open tuindeuren woei met de noordelijke bries een aanhoudend ritmisch dreunen aan dat deed denken aan mortiervuur van een nabij front. De glazen rinkelden bij de lage bastonen en trilden in de ingewanden. Wie vertelde me nu dat de EF Education-Easy Postrenner die daar met een te kleine voorsprong de slotklim bedwong Georg Steinhauser was?

Het is logisch dat een festival in de nabijheid van de nationale luchthaven meer decibellen nodig heeft dan wanneer het gehouden wordt in Landgraaf, Biddinghuizen of aan de Kralingse plas, waar het voor Nederland in 1970 allemaal was begonnen. Misschien is het dan niet zo’n goed idee om in Spaarnwoude de tenten op te slaan voor het grootste technofestival ter wereld.

Ik geef toe dat ik de koers aan mij voorbij had laten gaan voor een evenement met bands als Jefferson Airplane, Canned Heat, The Byrds, Dr. John, Supersister, CCC, Pink Floyd, Fairport Convention en Soft Machine, maar in plaats van Sandrien, Carista, Sandwell District, Polar Inertia of zelfs Donato Dozzy, volg ik liever de verrichtingen van Thijmen Arensman in Lombardije.

Robert van Gijssel deed afgelopen dinsdag in de Volkskrant verslag van het Dancefeest tweeënhalve kilometer verderop. Hij heeft het over een fijne clubsfeer, stelt met voldoening vast dat vijftienduizend mensen zich kunnen verspreiden over alle draailocaties, waardoor het nergens massaal wordt.

Hebben we het over dezelfde gebeurtenis?

Aan de waterplas en tussen de bossen, waar de vogels dwars door alle overwaaiende vierkwartsmaten dapper door blijven fluiten – alsof dat niet uit wanhoop is om in deze toestand hun kroost te voeden.

Wat u zegt, maestro Riccardo Chailly, sporten doe je buiten, muziek maken binnen.

Geplaatst in koers, tussen tuin en wereld | Een reactie plaatsen

Tappelings

Schimmelziekten, vind ik op de sites ter zake, als ik rondzoek naar wat de goudenregen het leven zuur kan maken. Loodglans, om precies te zijn; grijs verkleurd blad als de boom te donker en te koud staat. Dan zit er niets anders op dan de aangetaste takken af te snijden tot op het gezonde hout. Maar kijk uit, de snoeiwonden kunnen inrotten. De goudenregen is gevoelig voor vocht. Is het geen schimmelziekte, dan misschien spint, kleine webjes in de bladoksels, veroorzaakt door goudenregenluizen die nog lastig te herkennen zijn; groen als de bladeren, zwart als de takken. Eigenlijk bemerk je hun aanwezigheid pas als in het voorjaar de bloei tegenvalt. Maar dát was het allemaal niet.

In het vroege voorjaar van 2023 zag ik dat de stam van de goudenregen achter in de tuin scheef stond. Vreemd, het had dat najaar en die winter niet hard gewaaid, Dudley, Eunice en Franklin hadden huisgehouden, maar dat was al van februari 2022 geleden. Ik haalde een eind touw uit de schuur en bevestigde de boom aan zijn grote buur, de gleditsia of valse christusdoorn, die, hoewel gelijk geplant, een fors dikkere stam heeft en twee keer zo hoog is. Het werd voorjaar, de goudenregen kwam in blad en even later bogen de takken door van de gele bloemtrossen, terwijl daarboven de lentetooi van de gleditsia triacanthos sunburst de hemel goud kleurde.

Dat had wel even geduurd. Toen we beide bomen een jaar of twintig geleden plantten, moest de gleditsia zijn boomvorm nog vinden en dacht de goudenregen nog niet aan bloeien. Na een jaar of zeven vielen de eerste bloemen nauwelijks op, omdat ze omringd waren door de jonge gele blaadjes van zijn buurboom. Het advies om de goudenregen niet in de buurt van een valse christusdoorn te zetten, hadden we gemist.

Ieder jaar bloeit de gouden regen luidt de titel van een van de meer dan honderd boeken van Leni Saris (1915 – 1999), en zonder dat werk gelezen te hebben, rekende ik daar ook op. Als ik achter in de tuin ben, zoek ik vergeefs naar het begin van bladerknoppen en troost me met de gedachte dat ook de vijg en de gleditsia het voorjaar nog niet in de knop hebben. Het werd april en begin mei zag ik in voortuinen in de buurt goudenregen schaamteloos bloeien. Die in onze achtertuin volhardde in de winterstand. Ik omvatte vertwijfeld de nog altijd aangelijnde stam en murmelde Hélène Swarth (1859 – 1941) na: Geef Meieblij aan bloeiensweelde u over, / O hart! mijn hart! geen liefde bloeit te veel. De stam gaf zachtjes mee onder mijn handen.

Afgelopen zondag heb ik de zaag in het dode hout gezet. Eerst de dikke takken die tot vier meter hoog naar de hemel wezen, ik maakte de twijgen kort en vulde er de GFT-container mee. Op het snijvlak zag ik hoe de oudste jaarringen donker gekleurd waren, terwijl de buitencirkel veel lichter was. Schuilt daarin het geheim van het voortijdig verscheiden?

Zweet prikte in mijn ogen en stroomde tappelings over mijn rug, terwijl ik de stam losser wrikte dan hij al stond, tot hij languit lag, slechts met één worteltak met de aarde verbonden. Die groef ik uit en zaagde ik los. Hoe verwoordde Lucebert (1924 – 1994) dat ook weer in het vers voor zijn vriend Gerrit Kouwenaar: ja we gaan woest bier drinken in een mors huis / gaan langzaam uitlopen als een gouden regen .

Daar had ik zin in.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Verval

In april 1980 verscheen RASTER 12. Het tijdschrift in boekvorm onder redactie van Ten Berge, Bernlef, De Meijer en Vogelaar was gewijd aan de stad. Toen zij het nummer samenstelden, wisten ze nog niet dat het zou verschijnen vlak nadat in Amsterdam legervoertuigen met shovels zouden worden ingezet tegen de krakers van de Vondelstraat en hun sympathisanten en vlak voor de memorabele geen-woning-geen-kroning-Koninginnedag op dertig april. Het woord ‘intersectionaliteit’ bestond nog niet, maar ik verwelkomde de publicatie en verwachtte dat het mogelijkheden zou bieden om kritiek op taal en letteren te verbinden met het terugpakken van de stad.

De band tussen taal en de stad bestaat al sinds mensen het plan opvatten om een stad te bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Het Bijbelboek Genesis doet er in het elfde hoofdstuk verslag van. De HEER sprak Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan. De rest is geschiedenis. Joost van den Vondel (1587 – 1679) trakteerde zijn stadgenoten bij de inauguratie van de nieuwe Amsterdamse Schouwburg in 1637 op theater in vijf bedrijven dat de ondergang van de stad een paar eeuwen eerder op de planken bracht, maar voorspelde ook dat de stad welvarender uit de puinhopen zou verrijzen. Dat die welvaart niet voor iedereen was weggelegd, had Gerbrand Adriaenszn. Bredero (1585 – 1918) twintig jaar eerder al duidelijk gemaakt met zijn stuk Spaanse Brabander.

Altijd gaat de stad hand in hand met de illusie van (of moet ik zeggen de hoop op) vrijheid, verbeelding en emancipatie, terwijl steden doorgaans gesticht zijn als bolwerken van economische, militaire en politieke macht. Op het breukvlak van de negentiende en de twintigste eeuw verschuift er iets. J.F. Vogelaar (1944 – 2013) schrijft: in slow motion blies de industrialisering de oude stadsvorm op, er werd aan de oude orde geknaagd, zowel die van de stad als van de vertelkunst: de moderne stad konstitueert zich door haar verval, een nieuwe schrijfwijze is het effekt van het verval van het objekt. Wie dan nog geluk beproeft in de stad beperke zich, als J.C. Bloem (1877 – 1966), tot zolderramen waarachter de wolken zich langs de lucht bewegen. Of neemt, als Paul van Ostaijen (1896 – 1928) zijn toevlucht tot het koffiehuis: Bij ’t even openen der deur, klinkt wat daarbuiten is, de trem, / of ’t geroep van een venter, als een onheimelike stem: / heel even. Dan herneemt ’t orkest zijn razende galop.

En na 1980? Op het oog is er een einde gekomen aan het verval. De stadsvernieuwing is meer dan ooit speelbal van kapitaalstromen op zoek naar financieel gewin, in plaats van een democratische oefening in gastvrij en duurzaam samenleven en ieder voor zich werd het leidende beginsel voor de stedelijke mens. Menno Wigman (1966 -2018) schrijft: Het sneeuwt. De kroegen zijn vol kansgezichten. / Drugs hebben honger. Onze lusten ook. / Wat ik niet kréég. Wat ik niet nám. De stad / waar ik de liefde heb ontleed en steeds / gedichten schreef, die stad heet Amsterdam. Waar het verval verdween, ontstond de smooth city.

In het gedicht Maar toen was er nog geen stad, en ook daarna niet waagt Lieke Marsman (1990) het zichzelf voor te stellen als iemand die vrij is van het keurslijf van stedelijkheid. Ze schrijft: Toen ik in mijn hoofd een vierkant tekende en het automatisch een cirkel werd / Toen de tijden niet in lijn leken te zijn, of de talen / Toen ik de cirkel wilde verbreken, nu ik het kan

Misschien, toch.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen