Inuit

Haar moeder is Deens en haar vader Groenlands. Ze is in 1976 in Groenland geboren. Ze werkte geruime tijd als diplomaat voor de Groenlandse regering en het Deense ministerie van Buitenlandse zaken, maar nu is ze zelfstandig consultant op het gebied van de Arctische regio: Nauja Bianco. Afgelopen maandag werd ze geïnterviewd in De Volkskrant. In dat vraaggesprek zegt ze dat haar landgenoten het collectief belangrijk vinden, dat ze veerkrachtig zijn, vriendelijk en open. ‘Groenland is het mooiste land ter wereld en elkaar helpen zit in ons DNA.’

Het is oppassen geblazen met zulke algemeenheden. Tradities zijn doorgaans van recenter datum dan gedacht, kenmerken van de volksaard berusten vaker op wensdenken dan op feitelijke informatie. Maar DNA liegt natuurlijk niet.

H.C. ten Berge (1938) bezocht Groenland in de eerste helft van de jaren zeventig. In de vissersplaats Narssaq fotografeerde hij een kajakvaarder die in de regen en mist tussen grote brokken ijs laveert. De foto is afgedrukt in de bloemlezing van fabels en mythen van de Inuit, zoals de arctische bevolking van Canada en Groenland zichzelf noemt, die in 1976 onder de titel De raaf in de walvis verscheen. Men mag aannemen dat het DNA van de mensen toen niet noemenswaardig verschilt van dat van de Inuit van nu. Ten Berge heeft hun verhalen opgediept uit publicaties uit de jaren twintig van de vorige eeuw.

Een van de verhalen is opgetekend in Ammassalik, dat aan de oostkant van het eiland ligt. Het gaat over een bezorgd ouderpaar dat hun enige zoon op afstand volgt als hij op jacht gaat met de kajak. Na enige tijd zien ze hem stokstijf op een landtong staan. Pas toen zij dichterbij gekomen waren, ontdekten ze dat hij op de schacht van een harpoen was gezet, welke men tussen zijn benen in het lichaam omhoog hadden gedreven, en voorts dat zijn geslacht met een riem aan zijn hoofd was bevestigd waar het op zijn voorhoofd hing te bungelen.

Een zomer later weet de vader van het slachtoffer de zoon van de dader te vinden. Ze raken slaags en de oude greep de jongen tussen zijn benen en rukte zijn geslacht eraf. Hij bond dit stevig om zijn voorhoofd, stootte een staak in zijn anus en zette hem tegen een van de muren. De laatste zin van het verhaal luidt: Ze peddelden nu naar huis, waar ze verhaalden hoe ze de moord op hun zoon gewroken hadden.

Uit dezelfde regio komt het verhaal De twee jongens die onder water konden blijven, ooit verteld door Utuak. De twee jongens ontfutselen harpoenvissers hun buit door onder water het prooidier van de harpoen te halen. Als de gedupeerde vissers de achtervolging inzetten op de onderwaterzwemmers, grijpen de jongens onder water hun peddels en trekken de kajak om. Zo maakten ze het hele stel van kant.

Of dit voorbeelden zijn van veerkracht, elkaar helpen, zin voor het collectief en vriendelijkheid, kan ik niet zeggen. Wel zou ik me, mocht ik Donald J. Trump heten, twee maal bedenken voor ik me aan het leefgebied van de Inuit vergreep.

Ondertussen lukt het me niet om dat beeld van mijn netvlies te krijgen van de 47ste President van de Verenigde Staten, met tussen de haargrens en de ogen dat bungelende bloederige geslacht.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Liedjes

‘Memory is a muscle’, aldus George Steiner (1929 – 2020). Was het in gesprek met Wim Kaizer (1946 – 2023) op de VPRO-televisie? Of tijdens een lezing in de Amsterdamse Koepelkerk in een van de laatste decennia van de vorige eeuw? Alles goed en wel, mijnheer Steiner, maar dan wel een spier zoals het hart er een is. Men kan die sterker maken door te bewegen en goed te eten, uiteindelijk trekt hij zich niets van ons aan en klopt en pompt en stopt al naar het hartje begeert.

Voor Marcel Proust (1871 – 1922) was een Madeleine-cakeje gedoopt in een kopje thee voldoende om een stroom herinneringen op gang te brengen die de zevendelige romancyclus À la recherche du temps perdu zou gaan vullen. Die vreemde samenloop van omstandigheden gaat sindsdien als mémoire involontaire door het leven. Terwijl hij de laatste hand legde aan het slotdeel van zijn zoektocht naar de verloren tijd, publiceerde Carry van Bruggen (1881 – 1932) het eerste deel van haar jeugdherinneringen; Het huisje aan de sloot. Het volgende jaar verscheen Avontuurtjes. Het laatste deel, Vier jaargetijden, kwam in 1924 uit en was opgedragen aan haar broer Jacob Israël de Haan die op dertig juni van dat jaar in Palestina was vermoord.

Kende Caroline de Haan, zoals Van Bruggen in haar jeugd heette, het geheim van de Madeleine-cakejes? Er is niets wat daarop wijst. Wel kende zij de tovermacht die het geheugen ontsluit. Een vroege lentedag en dan wandelen door de polders, langs de dijken en dat iemand zingt: Ik ging op zek’re dag aan het varen / Over de diepe, wijde zee. / In een bootje ging ik varen / En mijn zusje nam ik mee… Toen het al bijna winter was hoorde ze op school hetzelfde liedje. En haar griffel rolde uit haar vingers over de lei tot de onderrand en stokstijf zat ze voor zich uit… want daar rook ze onverwacht de reuk van gras, dat nog moest komen en liep in de wind en in de zon hoog langs de dijk

Dat die tovermacht niet iedereen gegeven is, lezen we in het vervolg van het verhaal. Jaap Halberstadt is al zestig jaar een goede vriend van Carolines opa. Als Halberstadt de slaap niet vatten kan, neuriet hij niggentjes, Joodse gezangen, voor zich uit. Hij zong ‘Ngoleinoe’ en ‘Mongousor’ en ‘Mangariew’ en alles… en toen ineens zong hij iets… en wist zelf niet wat het was. Hij zou het de Rebbe vragen, maar hoe onthoud je een liedje dat je vergeten bent? Opa’s vriend herkende het lied in het tikken van de klok, maar de volgende ochtend kon hij de klok bezwaarlijk meenemen naar de Rebbe. Onderweg blijft hij zingen om de niggen niet kwijt te raken tot in het huis van de Rebbe. Op hetzelfde moment dat hij de Rebbe de deur in hoort komen en dat hij even luistert wat de visboer zegt dat de bot kost… daar is hij zijn niggentje kwijt…

Zocht ik niet naar een van die winterzinnen, waar Carry van Bruggen zo goed in was? Tussen de witte aarde en de zwarte hemel zingt de wind in de bomen, die half wit als de aarde en half zwart als de hemel zijn. Het is een donker, grommend lied, dat de ruimten van hemel en aarde vervult. En dat toen de telefoon ging en de voorzitter van de zangvereniging zei dat de repetitie woensdag wegens de weersomstandigheden niet zou doorgaan.

Geplaatst in lijf en leden, tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Schelvis

Degene die de klappen opvangt, spreekt in de eerste persoon enkelvoud. Schelvis is de naam. Een rauwe bult littekenweefsel op de linkerwang getuigt van de eerste keer, een verwoeste bekkenbodem en een lange revalidatieperiode van de tweede. Als Nadia de Vries (1991), de auteur van ‘Overgave op commando’, waarvan Schelvis het hoofdpersonage is, over haar protagonist spreekt, gebruikt ze het woord ‘hen’. Ik zie dan gelijk een hoen van het vrouwelijk geslacht voor me, kalkoen, kip, kwartel, maakt niet uit. Ik zal dat woord niet gebruiken om een persoon aan te duiden die zich niet met een bepaald gender identificeert. In het boek blijft Schelvis’ identiteit in het ongewisse.

Schelvis groeit op in een dorp aan de kust onder de rook van de grote fabriek waar de meeste bewoners hun geld verdienen. Anderen, onder wie Schelvis’ moeder, zijn orderpicker in het distributiecentrum. Op de speciale school leerden we geen vreemde talen of wiskunde, in plaats daarvan bakten we brood en timmerden we vogelhuisjes. Een enkele keer metselden we een muur.

Een jaar of zeven geleden namen ze op zo’n school een politieman met vroegpensioen aan. Tijdens de techniekles raakte hij slaags met de leerlingen. Er vloog een krukje door het lokaal, iemand werd in zijn nekvel gegrepen. Het incident haalde De Telegraaf. Minister Slob beloofde een plan van aanpak waarvan niet meer is vernomen, net als van de zij-instromer en de minister zelf. Ik houd niet van bemoeizuchtige dingen, waarvan het lot een prominent voorbeeld is, net als astrologen, en de marechaussee, aldus Schelvis.

Na de eerste klappen vertrekt Schelvis naar de grote stad. Aan een periode van dakloosheid komt een eind als Ruud de haveloze verschijning, blauwe haren, vieze kleren en die wond op de wang, een kamer aanbiedt. Maar zijn gulheid kwam met een prijs. Binnenshuis was de knoop van mijn spijkerbroek vaker los dan vast, en de droge handpalmen van Ruud, alsook zijn eeltige vingers, deden me aan messen denken.

Koos van Zomeren (1946) las Han Kang Ik zeg geen vaarwel en schreef: Een eindeloze vracht ik-zinnen, je wordt er werkelijk hoorndol van. De Vries past de ik-vorm toe om informatie over haar hoofdpersoon achter te houden. Is dat wat Van Zomeren stoort? De suggestie dat de afstand tussen lezer en protagonist minimaal is, terwijl ik ook een barricade opwerpt tussen beide?

Op een prikbord in de gemeenschappelijke ruimte van de flat waar Ruud woont, leest Schelvis de oproep: Heeft u ooit iets ingrijpends meegemaakt waarover u de wereld graag wil vertellen? Neem dan contact met ons op. Dat was misschien een uitweg. Ik zou een nieuwe woning kunnen vinden. De lezende mens zou mij verlossen.

Pardon? Is dat dezelfde lezer die met de ik-vorm op afstand wordt gehouden?

Schelvis maakt kennis met publiciste Tanja, ze had erg mooie ogen en rook naar de zee, en wordt haar stagiair. Tot het takenpakket behoort het beantwoorden van de mail. Tanja leert haar pupil dat het lichaam een grillig ding is en dat onzichtbaarheid een privilege. In het donker kun je bewegen hoe je maar wilt.

Maar toen Tanja het in een van haar artikelen had opgenomen voor een man die van vier hoog  zwaar gewond voor de deur van een drukke supermarkt was terecht gekomen, stroomde haar inbox vol met haatmail. De lezende mens bleek kwaad dat hun dagelijkse nieuws was onderbroken met een dergelijke ellendeling, die er bewust voor had gekozen zichzelf te verwonden.

Nee, van de lezende mens moet je het ook niet hebben.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Meudon 2

Theo van Doesburg heeft zijn zelfontworpen woning in Meudon nooit betreden. De website van het Van Doesburghuis beschrijft het atelier als ‘een aantal kubische ruimtes die als een spiraal om het trappenhuis heen zijn gemonteerd op zodanige wijze dat geen sprake is van verdiepingen’. Toen het in 1930 bijna klaar was, speelde zijn astma weer op en vertrokken de constructivist in woord en dada en zijn vrouw Nelly van Moorsel op doktersadvies naar Davos. Daar overleed Van Doesburg op zeven maart van het volgende jaar. Nelly van Doesburg keerde terug naar Meudon en woonde er tot haar dood op 1 oktober 1975.

In het jaar dat het echtpaar Van Doesburg Meudon verliet, arriveerde daar vanuit Florence de auteur die juist furore had gemaakt met de roman Het fregatschip Johanna Maria. Zijn zoon Arthur, die als Sjeu door het leven ging, wilde graag studeren bij de kunsthistoricus Henri Focillon (1881 – 1943) in Parijs. Er volgde een huizenjacht in de regio. In de pas verschenen biografie van Arthur van Schendel (1874 – 1946) schrijft Rob Groenewegen (1960): Stad en land liep hij af, soms putte hem dat zo uit dat hij zich per taxi liet verplaatsen. Bij een bepaalde gelegenheid viel hij in een trappenhuis ook nog van de trap af.

Toen hij in Parijs niets kon vinden, viel zijn oog op het voormalige huis van de Nijhoffs in Bellevue-Meudon. Helaas lag het te afgelegen voor de letterkundige die een geoefend wandelaar was, maar niet kon autorijden en een hekel had aan fietsen. Tenslotte vindt hij aan de Grande Rue een geschikte woning. Aan zijn vriend Willibrord Lampen schrijft hij: een treintje, dat zooiets als een tram is, houdt op honderd passen van hier stil en brengt je binnen een kwartier midden in de stad. Dat is vooral voor Sjeu heel gemakkelijk, al is er ook spijt: Hadden wij nu nog maar de zon van Firenze, eigenlijk héél Firenze hier, dan zou het nog mooier zijn.

Van Schendel kon er niet onmiddellijk aarden. In de zomer van 1931 verbleven hij en zijn vrouw in Ascona, Domburg, Den Haag en Amsterdam. In Meudon verschanste hij zich in zijn werkkamer om de Bijbelsche verhalen door Arthur van Schendel drukklaar te maken en het jaar daarop werkte hij zich in de Koninklijke Bibliotheek door de documentatie voor zijn volgende project: De Waterman. Pas toen in mei 1932 Du Perron (1899 – 1940) en Bep de Roos op loopafstand van de woonstee van Van Schendel een appartement betrokken, werd Meudon een beetje eigen. Du Perron en Van Schendel vonden elkaar ook in het zingen van Indische liedjes uit hun jeugd, schrijft Groenewegen. 

Jan Greshoff (1888 – 1971) logeerde regelmatig in Meudon. Rond de klok van negen uur in de avond trok Van Schendel zich terug om te schrijven. Greshoff herinnert zich: in het aangrenzend vertrek zaten wij gevieren druk te redeneren of we maakten een schaterende jazzmuziek en dansten. ’s Nachts was het doodstil en hoorde hij alleen het neerleggen van een pijp op het asbakje, het aanstrijken van een lucifer, het klokken van het bier in het bierglas.

Dat de schrijver van De wereld een dansfeest daar zelf ook niet vies van was, bewijzen de enige bewegende beelden van hem, die juist in Meudon zijn gemaakt. We zien hoe de schrijver en zijn gezin bezoek ontvangt en weer uitzwaait, daarna poseert met zijn vrouw Annie, zijn dochter Kennie en met Sjeu, om daarna, pijp in de mond, een dansje te doen met Kennie.

In juni 1933 kan Sjeu als vrijwilliger aan de slag in het Rijksmuseum, Van Schendel en zijn vrouw verhuizen gelijk terug naar Italië.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Tuxford

De foto zou dan uit de tweede helft jaren negentig van de negentiende eeuw zijn. Zwart-wit, natuurlijk, staand formaat, waarschijnlijk buiten genomen. Er is geen lucht te zien, geen horizon, geen schaduw, geen regen. Een jongeman op een rotan stoel. Wijdbeens, ellebogen op de knieën, vingertoppen van de ene hand losjes tegen die van de andere. De blik naar de grond gericht, ongeveer anderhalve meter voor zich, zit hij voor een begroeide muur. Zitting en rug van de stoel zijn met een batikachtige doek bekleed. Wit overhemd, das, gesloten vest, wollen colbert, bijpassende broek zonder vouw, donkere sokken, lichte lage veterschoenen. Pet op het hoofd, een pijp in de linker mondhoek. Snor. Het ziet er naar uit dat de onbekende fotograaf een paar meter rechts voor de man stond. ‘Leraar te Engeland’, luidt het onderschrift. De man is Arthur van Schendel (1874 – 1946).

Wat mij er toe bracht schoolmeester te worden weet ik niet meer, maar zeker was het geen roeping of berekening van een voordelige loopbaan. Daar er al eerder een poging was geweest om weg te trekken is het wel mogelijk dat alleen een zucht naar het vreemde land mij dreef. Ik was een-en-twintig toen ik het in de zin kreeg naar Engeland te gaan en van iemand hoorde dat men daar gemakkelijk op een school terecht kwam. Deze herinnering van Van Schendel uit 1937 verscheen voor het eerst in de bundel Herdenkingen uit 1950, vier jaar na het overlijden van de schrijver. Hij was op vijf maart 1895 eenentwintig geworden. Het is het jaar dat hij een studie MO Engels begint en debuteert met de roman Drogon. In het najaar was hij in het district Nottinghamshire aangekomen in het plaatsje Tuxford. Een bleke jongeman, dien ik Mr Frank mocht noemen, liet mij in het studeer- en tevens woonvertrek van den headmaster, zijn vader. Het eerste wat hij zeide was dat ik, aangezien het al vier uur was, mijn taak den volgenden morgen kon beginnen en hij vroeg of ik behalve het Frans, het vak waarvoor ik als foreign master was aangenomen, ook Latijn wilde onderwijzen. Het docententekort is van alle tijden. Even later vraagt Mr. Frank of Van Schendel zich niet ook met de mathematica kon belasten.

Behalve zijn eigen herinneringen zijn er nauwelijks bronnen om de onderwijscarrière van Van Schendel te documenteren. In de jaren 1896 en 1897 is hij ingeschreven op het adres van zijn moeder in Den Haag. Brieven uit die periode aan Willem Kloos (1859 – 1938) reageren op de recensie die Kloos schreef van Drogon, die aan Van Eeden (1860 – 1932) over het realisme, Edgar Allan Poe en Auguste de Villiers de l’Isle-Adam, de idolen van Van Schendel en reppen niet over Nottinghamshire.

Of toch. Er is nog een rijmloos gedicht uit 1944 dat Tuxford heet van de schrijver van Een Hollands drama: De bovenmeester met zijn zwarten mantel, / Geleerde collega cap en grijzen  baard, / Die als een statig spook schreed door de gangen, / Verwekte bij de jongens stil ontzag. De geest van Dickens waarde er nog rond.

Dat Van Schendel tenminste één Engelse kerst heeft genoten, kunnen we opmaken uit de volgende regels: En Kerstmis kwam met jubelende klokken / En sneeuw over de vlakte van het land, / De toren maakte bij den witten morgen / En weder bij den stillen ondergang / Een juichend feest van tonen op en neder, / Een rossig licht scheen door ’t gekleurde raam / Waar stemmen hymnen zongen in de kerk.

Zoals het vroeger was.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Gedoe

Luisa weet dat het Stadsbos een ondergronds mycelium verbergt; een sombere honingzwam die de sfeer van het hele bos bepaalt en hier en daar met gloeiende vingers boven de grond uitsteekt. In Oregon is er een gevonden van bijna negen vierkante kilometer.  Klopt, dat stond in het NRC van 7 augustus 2000, dat stukje heb ik uitgeknipt en bewaard in het paddenstoelenboek van Ton Lemaire (1941). Luisa moet nog twintig worden. Ze heeft een jeugdzorgverleden, is dak- en thuisloos en loopt, zegt ze, al eeuwen in het Stadsbos rond. Als ze een berichtje stuurt met haar mobiele telefoon, luidt dat: ‘srry gedoe’. Ze neemt nooit op. ‘Bellen is voor boomers’, zegt ze.

Ella viel met haar fiets terwijl ze op het donkere bospad met haar telefoon bezig was. Half juni. De Nachtlopers vonden haar uren later. De telefoon is later in de struiken naast het pad gevonden. De ambulance bracht haar naar het ziekenhuis. Ze heeft nog een week in coma gelegen. Toen ze haar ogen op sloeg, wist ze niet wat er was gebeurd.

De nachtlopers is een initiatief van Mellie. Op een dag beseft ze dat haar werk als verandercoach voor bedrijven die het goede met de wereld voor hebben, een bullshitbaan is. Al die zogenaamd hervormingen die ik bij organisaties opperde leidden uiteindelijk gewoon tot het bestendigen van wat er al was. Mellie heeft godsdienstwetenschappen gestudeerd, heeft een fascinatie voor nieuwe rituelen en weet dat volgens de scheppingsverhalen, God licht schiep in de duisternis die er al was. In de nacht moet iets te merken zijn van de oneindigheid voordat de woorden van de schepper daar paal en perk aan stelde. Die zoekt ze op in het Stadsbos. Als ik één woord moet kiezen voor wat ik meemaakte, is het: aanwezigheid.

Mellie zegt haar baan op. De routines blijven. Ze ontmoet Luisa in het bos. Samen organiseren ze groepswandelingen in het donker: de Nachtlopers, ze pakken de lichtvervuiling aan en zorgen dat de straatlantaarns bij het bos voortaan uit blijven – het schaduwnetwerk – ze werven € 60.000 subsidie om glimwormen te herintroduceren, herwilderen noemen ze het. In haar schuur voert Mellie de larven met geplette slakken. Zo rond de langste dag kunnen de eerste glimwormen in het bos worden uitgezet.

Er komt een website en een appgroep. De lijntjes met Fred van de gemeente zijn kort. In het bos komen camera’s, de livestream is dag en nacht te volgen, er is aandacht van de media en ook de socials worden niet vergeten.

Op pagina 67 van Nachtgids, de nieuwe roman van Marjolijn van Heemstra (1981), staat het bericht dat de tante van Ella op de facebookpagina van ‘De vrienden van het stadsbos’ postte: Mijn nichtje (27) is bruut aangevallen en beroofd van haar telefoon in het verduisterde stadsbos, ze ligt in coma in het ziekenhuis. Misschien wordt het tijd voor een evaluatie @Nachtlopers?

Ik hoopte dat het Mellie zou ontgaan. Vergeefs natuurlijk. De appgroep ontploft en ook Fred mengt zich in het digitaal rumoer. Het schaduwnetwerk begint te rafelen terwijl de langste dag nadert. Digitale dynamiek krijgt het voor het zeggen. Om de drie pagina’s trilt er een telefoon, verschijnt een mail of stuurt een update de boel in het honderd.

Luisa is al die tijd onbereikbaar. Zij weet dat een aanraking precies tien keer meer effect heeft dan verbaal contact.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Dupe

Kleren maken de man, dat weet iedere sollicitant en iedereen die een beroep uitoefent in uniform. In de wereld van de fictie geldt dat eens temeer, de kerstman en sinterklaas bestaan pas zodra ze aangekleed zijn, superman valt samen met zijn kostuum, wie zou assepoester zijn zonder glazen muiltjes en klein duimpje zonder zevenmijlslaarzen? Maar de garderobe van de protagonist uit ‘Van de kleermaker en de prins’ maakt het wel erg bont. Dingeman, heet de kleermaker. Trekt hij zijn schoenen aan, dan nemen die gelijk een loopje met hem, nog voor hij zijn pantalon heeft dichtgeknoopt, dansen zijn benen al naar de pijpen, en hoe hij zich ook verzet, zijn kleren geven geen krimp, ze trekken zich er niets van aan. Zelfs zijn sokken protesteren als hij ze probeert te stoppen.

Het verhaal is het derde van vier uit de bundel Seizoenen van Koos Dubbelman (1955) die vorig jaar verscheen. De eerste woorden, Er was eens,doen vermoeden dat we met een sprookje te maken hebben. Er is inderdaad dankbaar gebruik gemaakt van de gereedschapskist van de volksvertelling. Zijn kleren sturen de kleermaker op een gevaarlijke reis door donkere bossen en hoge bergen. Dingeman vertrouwt op de stok die hij van een vreemdeling heeft gekregen en gelukkig wordt hij onderweg dankzij toevallige ontmoetingen van het nodige voorzien, al is het hem een raadsel wat hij met het kostuum en hoofddeksel moet die hij, voor hij de bergen in trekt, van een collega heeft gekregen. Over de top ontrolt zich voor zijn ogen een adembenemend landschap met een kasteel in de verte. Als hij daar vertelt dat hij in zijn eentje van over de bergen is gelopen, zeggen ze dat hij een sprookje vertelt.

Wendingen in het verhaal worden steevast in drie porties opgediend. Eerst de waarschuwing van mist in de bergen, dan de omineuze verandering van weer, tenslotte de ondoordringbare witte deken, en als er ook nog wind opsteekt, dreigt de doos met de hoed over de rand van het ravijn te verdwijnen. Pas bij zijn derde poging slaagt de kleermaker erin het kasteel binnen te komen, hij heeft dan al twee keer een optocht met wagens uitzinnige jonge vrouwen langs zien komen; de prins gaat binnenkort trouwen, maar met wie?

Anders dan in de traditionele sprookjes is Dingeman niet de verpersoonlijking van het goede, op dapperheid is hij niet te betrappen, hij is eenvoudig de dupe van zijn kleren. In zijn outfit het kwaad zien, miskent dat de kleermaker alleen daardoor zijn reis kon voltooien. Dood speelt geen rol in deze vertelling, dat Dingeman zonder kleerscheuren alle gevaren overleeft, is nauwelijks zijn verdienste, zijn kracht zit ‘m in zijn geduld en zijn lijdzaamheid. Wat kun je anders als hoofdpersoon van een sprookje in een onttoverde wereld?

Het valt Dingeman op dat de kleren van de prins lijken op het kostuum dat hij al die tijd met zich mee heeft gesjouwd. Zelf ziet hij eruit als een vieze zwerver, hij heeft zich al weken niet gewassen of geschoren. Voor hij zijn opwachting bij de prins maakt, kan hij zich opfrissen en verzorgen. Hij trekt het kostuum aan van de oude collega en zet de hoed op zijn hoofd. De oude zwerver staat niet meer op uit het hoopje vieze kleren dat achterblijft. Het falende geheugen doet de rest. Na een jaar weet niemand meer dat er iets vergeten is

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Rijles

Twee factoren stuwden de leescultuur in Europa op tot grote hoogte. De ene: de leerplicht, de andere: de ontwikkeling van het spoorwegnet. De leerplicht zorgde voor een groter publiek dat leesvaardig was, in het spoor van een goed verzorgde dienstregeling van nationale en internationale treinen ontstonden reeksen van massaal geproduceerde goedkope boeken die via automaten en kiosken op de stations hun weg vonden naar lezende reizigers. Een eeuw later is het met de taalvaardigheid van de gemiddelde schoolverlater zorgelijk gesteld en is het openbaar vervoer de mokerslag van de covidpandemie nog niet te boven. Wel heeft een op de vijf volwassenen een rijbewijs en rijden er op het Nederlandse wegennet meer dan tien miljoen personenauto’s rond. Dat roept de vraag op hoe dat zit met de relatie tussen taalvaardigheid en rijvaardigheid.

Harmen Peeters was onderweg naar huis toen zijn telefoon ging. Hij stuurde zijn auto in een parkeervak, nam zijn telefoon op, maar de verbinding was al verbroken. Peeters verwachtte bericht van de politie die op zoek was naar zijn zoon die sinds een dag of wat vermist was. Peeters besloot gelijk naar het bureau te rijden. Dan hoort hij achter zich een schreeuw. In zijn spiegel ziet hij een vrouw op een fiets – een kind achterop – met twee voeten aan de grond op straat staan. Dat scheelde niets. Even gelooft Harmen in hogere machten. Zo staat het in hoofdstuk veertien van Witte Paarden & blauwzuur, het debuut van Cees van den Boom (1997), dat vervolgt met: Interpretatie van het bovenaardse, en in het verlengde daarvan het duiden van het onverklaarbare in een roman, lag niet in zijn natuur. Daarom ook waagde hij zich nimmer buiten de kaders van het weet- en meetbare, las hij geen fictie en had hij ook nooit begrepen wat de academische zin van literatuur is. Maar wel een rijbewijs dus.

Het hoofdpersonage van Tot alles in beweging komt, het prozadebuut van Ester Naomi Perquin (1980), heet Ela. Zij kreeg haar rijlessen destijds cadeau van de vader van haar eerste twee kinderen, maar een succes was het niet: de rijinstructeur die me rond mijn achttiende lesgaf, zei na een bijna-ongeluk dat ik ‘typisch zo iemand’ was die niets automatiseert. ‘Hooguit je eigen ademhaling’. Na zeven lessen had ze er de brui aan gegeven. Er was iets mis met de manier waarop ik naar de dingen keek. Ik registreerde gevaar wel maar greep niet in; op de een of andere manier wilde ik toch graag zien hoe het af zou lopen. Ze is het eens met haar moeder, een verstokte lezeres met een uitgesproken mening over mensen die goed kunnen autorijden: ‘zo’n vermogen treft bij uitstek mensen met een ernstig beperkte verbeeldingskracht’.

De betrekkingen tussen Ela en haar partner knapten er niet van op. En dan heeft hij het niet over de rijlessen die je stuk voor stuk verpest. Nee, hij schreeuwt niet tegen je, hij uit zich godverdomme. Dat zou jij ook eens moeten proberen.

De postbode, ook een lezer, noemt een boek een venster op de wereld. De moeder van Ela moet er niets van hebben. ‘Een echte lezer wil geen venster op de wereld,’ zei ze. ‘Die wil een schutting tussen zichzelf en de medemens.’

Als Harmen Peeters even later het politiebureau betreedt, staat er: De baliemedewerkster was een invalide. Die toespeling op de openingszin van Nooit meer slapen van W.F. Hermans (1921 – 1995) is aan Peeters niet besteed.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Uil

Een overlijdensbericht in De Volkskrant slingerde me terug in de tijd. Tweede helft zeventiger jaren, zeg ik uit mijn hoofd. De vakgroep taalbeheersing, een van de vier smaldelen die samen de studierichting Nederlandse taal- & letterkunde vormden, was verwikkeld in een hardnekkige richtingenstrijd. Er waren wetenschappelijk medewerkers die vonden dat de toekomst van de jonge discipline een helder omkaderde object en doelstelling nodig had, zodat er geen verwarring zou zijn wat tot het domein van de taalkunde behoorde, en wat tot dat van de taalbeheersing. Wij wilden de taal niet beheersen. We wilden de taal bevrijden; geweldloos communiceren, kan dat? En vervolgens de proletarische wereldrevolutie, goedschiks indien mogelijk, kwaadschiks als dat nodig was. We organiseerden ons in werkgroepen en het was nog niet zo makkelijk daarvoor een begeleider te vinden. Gelukkig troffen wij de man die vijftig jaar later een familiebericht moest opstellen omdat zijn partner was overleden.

In de werkgroepen die we samen organiseerden, luisterde hij vooral, stelde vragen die ons verder hielpen, vatte samen wat wij te berde brachten en legde verbindingen die wij nog niet zagen, om ons zo te overtuigen dat we vooruitgang boekten, al was de taal nog geketend in kapitalistische verhoudingen en de wereldrevolutie nog ver. Geen van onze doelen kwam in zicht, maar ik kijk op de werkgroepen terug als de leerrijkste van mijn leven.

Onze begeleider had zijn vrouw ontmoet in het Lambert ten Katehuis, waar het Instituut voor Neerlandistiek was gevestigd. Toen zij was afgestudeerd, verhuisden ze, met hun eerste dochter naar het Noorden van het land, waar hij zich bekwaamde als schrijnwerker en kunstschilder en zij een loopbaan begon in het sociaal werk. Ergens in de jaren tachtig hebben we hen nog eens bezocht. Op de terugweg was het donker en toen ik voor mijn fiets een gedaante zag fladderen, nog zwarter dan de nacht, wist ik dat ik voor het eerst van mijn leven een uil had gezien.

Boven de advertentie stonden twee regels in het Duits: Du, laß dich nicht verhärten / in dieser harten Zeit . De openingsregels van het lied Ermutigung van Wolf Bierman (1936). In de onderwerpregel van mijn mail aan mijn oude leraar citeerde ik uit hetzelfde lied de laatste twee regels van de vierde strofe:  Du brauchst uns, und wir brauchen / grad deine Heiterkeit., ik betuigde mijn medeleven, riep hem op  goede moed te houden; de taal die geketend is aan pogingen nabestaanden in zak en as te sterken.

Reactie op de mail kwam op de dag dat Wolf Biermann zijn negenentachtigste verjaardag vierde, vijftien november. Mijn ogen volgden het onthutsende relaas. Galwegkanker. Het is vanaf het allereerste begin bergafwaarts gegaan. Drie maanden was ze aan het bed gekluisterd voor ze met morfine is ingeslapen. Het afscheid was indrukwekkend. Fraai herfstweer, honderd bezoekers overal vandaan, warme woorden en muziek van Marlène Dietrich (Sag mir wo die Blumen sind), Mercedes Sosa, Miriam Makeba, Wolf Biermann, en – bij het uitrijden van de baar – ‘Voorwaarts en niet vergeten’.

En dat het allemaal zo’n halve eeuw geleden in het Lambert ten Katehuis begonnen was. In die grote zaal van het pand op de Keizersgracht was een fraaie plafondschildering met cupido’s in de hoeken. Ik ben al op m’n veertiende van m’n geloof afgevallen, maar dit kan geen toeval zijn.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Lübeck

Is men ooit te rechter tijd in Lübeck? H.C. ten Berge (1938) doet de oude Hanzestad aan in de bundel ‘Swartkrans’ uit 1966. ‘Te laat voor travemünde. / Lichaam, landkaart, tijd / Zijn traag als ketens omgehangen’., luiden de eerste regels. De vierde strofe opent met: ‘Late minnaar en onmondige, mijn keel / Van pepers en van zuren / Zei ze: was do bist was ich’ en dan: ‘Later bleek, zij speelde graag van onderen’. De tekst besluit met: ‘Toen ik weer wegging / Had ze het van mij te pakken’. Lübeck is steeds een stap voor.

Rik Ceuppens arriveert er in het voorjaar van 1943. Hij is als ziekenverzorger te werk gesteld in das Städtische Krankenhaus Süd Lübeck aan de Kronsforderallee. Vrij van dienst dwaalt hij met Anne-Marie B. van de Betriebstelle over het strand van Travemünde. ’s Avonds luisteren ze naar het zingen van de Polen, die in een kamp aan de overzijde van de Trave huizen. Wanneer het zingen ophoudt, trekt zij haar harmonica op schoot en laat haar vingers over het klavier glijden, haar melodie klinkt tot over de rivier. Wanneer haar vingers de toetsen lossen, heffen de Polen hun lied weer aan., zo beschrijft Sigrid Bousset (1969) in Wat ik haar niet vertelde dit moment uit het eerste verblijf van de man die Ivo Michiels (1923 – 2012) zou worden in die Stadt der sieben Türme.

Ten Berge probeert het nog eens in 2013. Het gedicht uit 1966 is hier en daar gewijzigd en heeft een motto gekregen: Ik schal dansen unde kan nit gân. Er is een tweede aan toegevoegd dat Dansmeester dood heet. Het onvervuld verlangen uit 1966 gloeit voortaan in een context van honger en vernietiging. De dood voert hier het woord: Je zegt: Ik wuste nicht dattu hir werst. / Ik neem je hand: je had het kunnen weten. / Zie de reidans die de stad verlaat,

Vijf april 1943 bombarderen de geallieerden Mortsel, waar Riks ouders wonen. Hij krijgt verlof om de schade op te nemen. Behalve de vliegtuigfabriek zijn vier scholen getroffen. Mortsel verliest in een klap een generatie kinderen. Ceuppens ouders overleven het geweld, Rik keert weer naar Lübeck.

In Hier & Ginder, de bundel die afgelopen september verscheen, transporteert Ten Berge de twee Lübeckgedichten van een grimmig en broeierig verleden naar de hel van het heden. Oude en nieuwe dodendansen heet de afdeling waar ze zijn ondergebracht samen met nieuwe gedichten, waaronder Kouw indachtig met de regels: Nu het duister alweer oprukt / wil je nog wel eenmaal lopen / (…) en dan wachten op raketten, slimme drones / met bommen vol metalen scherven;

In het late najaar van 1943 ligt de ziekenverzorger uit Lübeck bij zijn ouders te bed. Longontsteking, hoge koorts. Als hij ontwaakt uit zijn ijldromen, verneemt hij dat hij vader wordt. Rik heeft de Vlaamse Yvonne – blond, verblindend, armhartig – in het ziekenhuis ontmoet. Ze trouwen op 19 februari 1944 te Mortsel en sporen daarna terug naar Lübeck.

Guido wordt 4 augustus 1944 in Mortsel geboren. Ceuppens laat zijn schaarse bezittingen in Lübeck achter bij Anne-Marie, die nog een keer voor hem op de harmonica speelt. Direct na de bevalling verdwijnt de jonge vader. Ondergedoken, verklaart hij later, al zijn er ook aanwijzingen dat Ceuppens in die tijd de opleiding tot Germaanse SS volgde, waartoe hij zich had verbonden.

In Lübeck wacht sindsdien Anne-Marie vergeefs.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen