Poepie

Mijn neefje was tien jaar en zong met overgave Lazy song van Bruno Mars. Zijn gitaarleraar maakte er een opname van en zette dat op You Tube. De ouders waren geroerd na het zien van het digitale mini-optreden. ‘Dit moet je zien’, zei zijn moeder tegen mij. En ze had gelijk. Aan het einde van de les aan mijn vier havo klas, projecteerde ik het filmpje op het scherm. Achter in de klas schommelden twee meiden op twee poten van hun stoelen mee op de maat van het liedje. Toen het was afgelopen verzuchten ze: ‘wat een poepie’.

We hebben haast, mijn eindexamenklassen en ik. Ik zie hen voor het eerst dit schooljaar, zij hebben sinds de herfstvakantie hoegenaamd geen les Nederlands meer gehad. En over een week of vijf zijn de mondelinge schoolexamens letterkunde al over de acht boeken die ze gelezen hebben. Maar de meesten hebben nog helemaal geen acht boeken gelezen. Is dit een goed boek?, hoor ik vragen als ik langsloop. Haar vinger wijst naar een titel. Jij bent van mij, het boek van Peter Middendorp over de gewelddadige dood van Marianne Vaatstra in 1999. Heftig hoor, reageer ik, weet ze wel dat het boek is gebaseerd op een geruchtmakende zaak in het verleden? Net als in The Voice toch?, probeert ze. Dat vind ik wat ver gaan. Een Friese boer die moordt en verkracht is wat anders dan een rapper uit Almere die zijn handen niet kan thuishouden. Bij mijn weten zijn er bij The Voice nog geen doden gevallen.

Mijn neefje kreeg aardigheid in zijn gitaar en droomde zich een toekomst als singer-songwriter. Er verschenen steeds meer covers op zijn you tubekanaal. Hij schreef zich in voor de liedjeswedstrijd van SBS 6, zijn moeder bracht hem naar de studio. Dat ze hem bij de ingang moest overdragen aan een medewerker van het programma en niet mee naar binnen mocht, vond ze moeilijk. Ze volgde haar zoon met haar ogen tot hij achter de klapdeuren verdwenen was. Maar toen ze hem na afloop weer ophaalde, genoot ze van zijn verhalen. Het was goed gegaan. Hij had de volgende ronde gehaald, hij had al zijn favoriete liedjes kunnen zingen, ze vonden het prachtig wat hij deed.

In de volgende ronde moest hij een liedje vertolken dat hij uit zichzelf nooit zou kiezen. Het beviel hem niets, en dat liet hij de programmamedewerkers weten. Die zeiden ook gebonden te zijn aan de regels van de talentenjacht. Het zou niet eerlijk zijn om uitzonderingen te maken. Dat snapte mijn neefje ook wel. Hij besloot niet langer mee te doen met het programma. Maar ook dat was niet volgens de regels. Het is niet aan de deelnemers om het besluit te nemen de show te verlaten, dat kan alleen de jury.

Als het niet mogelijk is om The Voice te verlaten, is het misschien mogelijk om er niet meer te verschijnen, moet mijn neefje hebben gedacht. Hij is er niet meer naar toe gegaan.

Als er nu toch iets gezegd moet worden over grensoverschrijdend gedrag, dan maar dit: dat ik er als oom veel plezier in had dat mijn neefje de regels van The Voice of Holland aan zijn laars lapte.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Papieren droom

In het jaar dat vlucht MH 17 boven Oost Oekraïne werd neergehaald, slaagde Lisa erin het oorlogsgebied van de Donbas te bereiken. Ze maakte gebruik van een moment van onoplettendheid van de Oekraïense grenswachten, rende het niemandsland in, passeerde de gammele brug over de Donets, holde tussen de landmijnen dwars door een korenveld en zeeg tenslotte uitgeput ineen op een monumentale trap.

Lisa is de verteller van Aleksandra de debuutroman van Lisa Weeda (1989). Haar oma, Aleksandra Nicolajevna Temnikova, is tijdens de grote Vaderlandse Oorlog door de Duitse bezetters van de Donbasregio naar Griesheim gedeporteerd, om voor I.G. Farben te werken. Na de oorlog is ze in Nederland terechtgekomen. Negentig jaar is ze als ze verneemt dat haar jongere broer Kolja is verdwenen. Zij vreest voor zijn leven en vraagt haar kleindochter om de doek waarop zij de levenslijnen van het geslacht Temnikov tot zes generaties terug heeft geborduurd, bij haar broer te bezorgen, tot rust van zijn ziel.

De monumentale trap hoort bij een zes verdiepingen hoog, cilindervormig gebouw dat als sokkel dient voor een immens beeld van Lenin. De poort staat op een kier, graan stroomt over de treden, in de deur staat Lisa’s overgrootvader Nicolaj, die haar binnenlaat. Wat is dit voor absurde plek? Een tussenstation voor de doden?, vraagt Lisa. Haar overgrootvader antwoordt: Het is in principe niets. Dit paleis bestaat niet. Of eigenlijk, het had moeten bestaan, maar het is gebleven bij een papieren droom van de leiders van je oma’s geboorteland. Ondertussen is het maar al te duidelijk dat het bouwwerk is bevolkt met overledenen die nog niet klaar zijn voor de oversteek. Zoals Nicolaj, die er sinds zijn overlijden in 1953 wacht op te terugkeer van zijn dochter Aleksandra. Zoals, vermoedelijk, oom Kolja, zolang hem de doek niet is bezorgd.

Het paleis is een uitkomst voor de verteller van Aleksandra; een labyrint van gangen, deuren, kamers en vertrekken en met muren die van boven tot onder zijn versierd met fresco’s en mozaïeken uit de Sovjettijd. Glas-in-loodramen bieden uitzicht op de weidsheid van Oekraïne zoals het was. Op elk moment is het gebouw aanleiding voor verhalen over de familie Temnikov, een oud kozakkengeslacht dat het tijdens de revolutionaire jaren onder Lenin en Stalin te verduren had. Aleksandra borduurde met een rode draad de tijden van voorspoed en met zwart garen de tijden van tegenspoed.

Voor de lezer – voor deze lezer dan toch – pakt het paleis minder voordelig uit. Zo’n fictieve ruimte waarin onaangekondigd alles kan en alles mag, maakt kritische verwachtingen en betrokkenheid van mijn kant overbodig, ja onmogelijk. Achtenzeventig procent van het boek speelt zich af in Het Paleis van de verloren Don Kozak. Maar ook in de andere hoofdstukken kunnen de kozakken  zomaar veranderen in een pratend hert met een gouden pijl in de flank. We zijn gewond, maar we leven nog.

Ik las door omdat ik uitzag naar de datum van 17 juli. Ik hoopte dat de slachtoffers van de aanslag, of wat daar van over was, zich zouden oprichten tussen de zonnebloemen. Dat ze, al dan niet met hulp van de inwoners van Hrabove, het stof van het ontplofte toestel van zich af zouden schudden en onherkenbaar, onder het bloed en zwartgeblakerd op de monumentale trap van het paleis zouden aankomen. Dat ze dan in het paleis hun gezicht en hun oude zelf zouden terugvinden, zodat nabestaanden hen zouden herkennen en hun zielen rust zouden vinden. Was dat niet waarom dit gebouw in dit boek was opgericht?

Maar in het boek wordt over de slachtoffers van de MH 17 niet gesproken.

Met geen woord.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Roekeloze ritmen

Dertig juni 1989 onderging Jan G. (Gommert) Elburg in het AMC een hartoperatie waarbij zijn hartklep werd vervangen door een exemplaar van een varken. Na de schrik kwamen overmoed en de baldadigheid. De dichter ondertekende een bericht aan zijn collega Koos Schuur (1915 – 1995) met ‘het oude hazenhart met een varkensklep’. Aan een oud collega van de Gerrit Rietveld Academie beschreef hij zichzelf als ‘treife als een matze met ontbijtspek’. Elburg zou nog drie jaar leven.

Vijf maanden na zijn operatie vierde hij zijn zeventigste verjaardag. Zijn uitgever en twee collega-dichters verzorgden een vriendenboek, dat onder de titel ‘Alles voor niets’ nog hetzelfde jaar verscheen. Er stonden bijdragen in van Lucebert, Campert, Kouwenaar, Constant, Vinkenoog, Eugène Brands en Sonja Prins, maar ook van dichters van na De Vijftigers als Kopland, Van de Waarsenburg, Beurskens en Van Deel.

De hartperikelen van de jarige dichter spelen in een aantal van de bijdragen een prominente rol. Leo Vroman (1915 – 2014) maakte een tekening van het menselijk hart dat zich voedt met een twijg waaraan blaadjes ontluiken. Een pijl doorboort het orgaan. In het gedicht Of ik als dichter beter weet schrijft hij: Geen wetenschap van ons gevoel / geen dichterschap zo uitgebuit / in wetenschap van ons geluid / uit zich in woordeloos gewoel / zoals mijn hart zich uit.

H.C. ten Berge (1938) was vrijmoediger. Zijn gedicht (Langzame uitstapper) begint met de regels: Steeds meer filters maken de hand bedachtzaam / maar het hart wil roekeloze ritmen /. Na vier strofen maakt levenslust plaats voor benul van de onvermijdelijke aftakeling. Het vuur geroofd, gedoofd, weer aangestoken / maar de lever stilaan opgegeven / Steeds minder banden te slaken / Maar steeds meer verliezen geslikt  De laatste drie strofen bieden een meedogenloos uitzicht op het voorland van de jarige: Zich voor altijd kwijt te raken, / aarde mond aaneengeklonken / Landschap met vooroverliggende gestalte – / aan grond en keel ontsnapt verstikt / Gehuil dat klimt tot aan de sterren: / de wolfskwint van hem die zich nachtegaal waant

Had Elburg Ten Berge nodig om hem aan zijn sterfelijkheid te herinneren? Een jaar eerder was zijn bundel Haaks op de uitvlucht verschenen, waarin hij schrijft: Jan, en Gommert, en Elburg, aan mijn hartje knagend / drievoudig daderschap, breek uit je schiere cellen: / herdenken wij tevens aan de open vuilnisbak / onze ontwapenende vrede met het schouderophalen, / de voorlaatste druppel – bloed? mogelijk – ooit / plots dribbelend op de verhitte, te poetsen plaat.

De dichter ontfutselde kwaliteit van leven aan de zelfkant van het bestaan. Hij zocht zijn heil  op de plaatsen waar het afval is verzameld: prijs de dag prijs de rotzooi / van ronkend blik het lawaai en de schrik / prijs de wind om de lekkende vuilniszak, en prees de dag vooral vòòr het avond was: prijs een godganselijk godvergeten / goed lullig niet te vervangen leven / voor je leuterend strompelend uitgejoeld afgaat.

Het was trouwens niet zijn hart dat Elburg fataal werd.

Geplaatst in lijf en leden, zaliger nagedachtenis | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Of op andere locaties

Mijn oog viel op een advertentie in De Volkskrant. Dinsdag vier januari, pagina drie, twee kolommen breed, dertien regels hoog, een brede zwarte rand. Het ging niet om een overlijden maar om het werven van personeel. ‘Als docent Nederlands bij Defensie de taalvaardigheid van militairen verbeteren.’, stond er vetgedrukt, ‘Hoe bijzonder is dat? Jij verzorgt onderwijs bij diverse defensieopleidingen in Breda, Den Helder of op andere locaties in het land. Info: www.werkenvoornederland.nl’. Een storm van vragen stak op in mijn hoofd. Zou het leger niet meer gebaat zijn met vuurkracht en sneuvelbereidheid dan met eloquentie? Sinds wanneer is men daar gesteld op mondig personeel?

In het voorjaar van 2012 zongen we met het Linnaeuskoor op een receptie in het Theater van ’t Woord van de OBA in Amsterdam. Een van onze leden was vijfenzestig geworden en nam afscheid van de mensen met wie ze had gewerkt. Na het korte optreden mengden we ons onder de gasten van de ontvangst. Ik zat aan de bar toen een vrouw van ongeveer mijn leeftijd, bij het transport van een aantal glazen, sinaasappelsap morste op mijn jasje. Gelijk klonken er verontschuldigingen, terwijl ze met een doekje de schade probeerde te beperken. Ik keek haar aan en zei: Jij doet me ontzettend aan Marjolein Verhoeven denken. Logisch, zij was het ook. Het duurde daarna enige tijd voor ze mij herkende.

We studeerden Nederlandse taal- en letterkunde. Zij kwam een paar jaar later aan op het Instituut voor Neerlandistiek aan de Herengracht. Een vrijmoedige verschijning, eigenwijs, op het dwarse af, grappig en vastbesloten. Ze deed mee aan de studentenacties die we organiseerden, maar altijd op haar eigen manier en ook in de gelederen van de kraakbeweging was ze te vinden. Ze maakte haar studie niet af, maar begon een antiquariaat met boeken van en over vrouwen. Nu is ze adjunct directeur van een uitgeverij die boeken maakt voor mensen die (nog) niet goed kunnen lezen. Zij verzorgden al hertalingen van romans voordat Michelle van Dijk en Tonnus Oosterhoff daar furore mee maakten bij Uitgeverij De kleine uil.

We raakten aan de praat. Ze heeft twee volwassen kinderen, is gescheiden, woont in Amstelveen (Ik ben voorzitter van de Vereniging van Eigenaren), haar moeder leeft nog, maar haar vader is overleden. Ze vertelt wie van vroeger ze nog ziet, en wie nooit meer, tot ze zegt ik moet je iets verdrietigs vertellen. Dat haar zoon bij het leger is gaan werken en dat ze die keuze niet had zien aankomen. Was het om het salaris, of om een maatschappelijke loopbaan  uit te stellen? In elk geval niet om naar het front geroepen te worden. En daar was het wel van gekomen. Hij moest naar Uruzgan.

Arnon Grunberg (1971) beschreef de ISAF-troepen, waar de Nederlandse krijgsmacht deel van uitmaakte, als een relatief goedhartig en terughoudend bezettingsleger in een absurd machtsspel. Het zijn naïeve en misschien wel cynische politici en commentatoren die zelden tot nooit de grond in kwestie betreden die menen dat feiten op de grond een morele rechtvaardiging behoeven. Marjolein zegt dat haar zoon gebroken terugkwam.

Als ik haar over mijn werk vertel, spijt het haar dat ze haar studie niet heeft afgemaakt. Ze had ook wel les willen geven. Ik, op mijn beurt, word jaloers als ze vertelt dat ze in de opslag alle boeken heeft van alle vrouwen uit de Nederlandse letterkunde die tussen 1880 en 1940 publiceerden.

Taalvaardigheid was het probleem niet van haar zoon. Het moet iets anders zijn geweest dat hem de das om deed.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Als vissen

Dat de zee een verhalenmachine is, valt met vele voorbeelden te staven. De reis van Sint Brandaen uit de twaalfde eeuw, het logboek van schipper Bontekoe van zijn reis naar de Oost uit 1618, Hendrik Smeeks’ Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes uit de vroege achttiende eeuw, de zeeromans van Arthur van Schendel, waarvan Het fregatschip Johanna Maria de bekendste is, Slauerhoff natuurlijk, J.M.A. Biesheuvel (In de bovenkooi) en uit de modernste literatuur Op Zee van Toine Heijmans. Behalve nieuwe eilanden, continenten en vergezichten duiken uit de verhalen ongekende wezens op, watermonsters, sirenes, zeeheksen, kollen en zeemeerminnen.

Ze vonden aanvankelijk onderdak in verhalen die onder de kustbevolking de ronde deden. Hans Christian Andersen (1805 – 1875) maakte er een sprookje van dat hij De kleine zeemeermin noemde. In het vervolg van de negentiende eeuw ontfermde Heinrich Heine (1797 – 1856) zich over de watervrouwe  Lorelei, die in een bocht van de Rijn het leven van de schippers zuur maakte. Ik meen dat de golven hem dwingen / Met scheepje en al te vergaan. / En dat heeft met haar zingen / De Lorelei gedaan. De vertaling is van Jan-Paul van Spaendonck (1956), die op zijn beurt de hulp van de zeemeermin Selena inriep om het raadsel van het monster van de Sloterplas op te lossen. Het leidde tot een familievoorstelling in de Amsterdamse Meervaart in de vroege zomer van 2018 onder de titel De meermin, het monster en de maan, met hoofdrollen voor Eva Groenen en Peter Lusse. Van Spaendonck bevrijdde wezens als Ariël uit het Disney-imperium, waar ze meer dan vijfentwintig jaar waren veroordeeld tot een tweedimensionaal bestaan op het witte doek of een dekbedovertrek in een meisjeskamer.

Leonieke Baerwaldt (1985) opent met haar deze zomer verschenen roman Hier komen wij vandaan de poorten van het literaire proza voor kleine zeemeerminnen. Ze noemen ons halfgoden: Orisha, Yemaja, Yemowo, Iemanjá, Mami Wata, Watra Mama. Koninginnen van de zee, moeders van de zon, de maan, de meren en de rivieren. Yeye omoeya: moeder wier kinderen als vissen zijn. Ze noemen ons helderziend, vruchtbaar, grillig, jaloers, onbarmhartig, streng, meedogenloos, wraakzuchtig. Onder de literaire hemel van Baerwaldt verdampt alle romantiek en alles wat sprookjesachtig is aan de zeemeerminnenwereld zoals we die kenden. De onderwaterpaleizen zijn gestoffeerd met overboord gegooide autobanden, batterijen en bestek, de mensensamenleving waar ze naar verlangen is er een van bittere armoede, de sterren waarvan ze droomden, zijn gedoofd. Baerwaldts waternimfen worden wakker in een neo-liberale woestenij.

Brenda en Loek hebben hun woonwagen geparkeerd op stuk land tussen de zeearm en het industriegebied. Daar willen ze hun kind grootbrengen en een huis bouwen. Maar Brenda krijgt een miskraam en van het huis komt het niet.

Alex is veertig jaar, woont bij zijn moeder en raakt arbeidsongeschikt als hij zijn rechterhand in de fabriek verbrijzelt. Miriam en haar dochter Ondine passen zolang op de kat in de flat van mevrouw Stern. Als Alex’ moeder is overleden en mevrouw Stern is teruggekomen, trekken ze bij Alex in en helpen hem in zijn winkel in tropische vissen die hij is begonnen. Ik bleef achter bij de aquaria en tuurde naar de vissen tot mijn ogen er pijn van deden, keek naar hun stille schoonheid. De felle kleuren die veranderden wanneer vloeibaar licht hun schubben raakte. Hun doorschijnende vinnen, het netwerk van nerven als een kwetsbaar herfstblad. Ze leken te dansen met hun omgeving, met de wieren en de koralen. Vissen, begreep ik meteen, leven samen zonder elkaar aan te raken.

De kleine Ondine projecteert een paradijselijke anderhalvemetersamenleving achter glas in een boek met personages zonder geld, zonder werk, zonder huis en op de loop voor overheden. Het was kort voor het vierde kabinet Rutte zou aantreden.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Dam-dam, dam-dam

Ik had nauwelijks op de knop ‘verzenden’ gedrukt om mijn tekst voor de zevende editie van het literaire jaarboek van Nieuw West op te sturen, of daar verscheen al een reactie. Mail van Fred Martin, een van de samenstellers van de reeks. ‘Dank voor dit fraaie en veelzijdige verhaal. Ik heb het met genoegen gelezen.’ Dan volgt een haakje openen en schrijft de redacteur: ‘Niet in de laatste plaats door het feit dat je mijn Germanistenhart geruststelt met het juiste geslacht van die Gewalt.’. Wie het Nederlands als moedertaal heeft, verwacht dat geweld in het Duits ook een onzijdig woord is. Maar zo zit dat niet.

Het moet tijdens de vorige schoolsluiting zijn geweest. Alleen de leerlingen van de eindexamenklassen mochten op school komen. Mij was voor het volgende uur het vaklokaal Duits toegewezen. Tijdens de leswissel trof ik de collega Duits en zijn groep. Wat is blaffen in het Duits?, vroeg hij me op luide toon. Bellen, antwoordde ik prompt. In mijn hoofd zong het: Es bellen die Hunde, es rasseln die Ketten, met de bijbehorende muziek van Schubert. En wat is bellen in het Duits, was de vervolgvraag. Anrufen riep ik. Genau, was het zuinige doch adequate antwoord van de collega, die zijn blik door het lokaal boorde.

Broeder Bonaventura is, behalve de verteller in de roman Het Hout van Jeroen Brouwers (1940), docent Duits. Ik vond mezelf, debutant in het onderwijs, een goede leraar, een steeds betere dan toch. Rustig. Geduldig. Derde naamval mannelijk dem. Vrouwelijk der. Onzijdig dem. An auf hinter in neben über unter vor zwischen. Maar Bonaventura heeft het gemakkelijk. De school waar hij lesgeeft staat op een steenworp afstand van de Duitse grens in Rodakerken in de Limburgse mijnstreek. Het is 1953, de verleidingen van Engelstalige series op de televisie zijn zo goed als nihil en over het internet en mobiele smartphones hoeven we het helemaal niet te hebben, terwijl ze ook in Limburg op de basisschool goed hebben leren ontleden, taalkundig zowel als redekundig. Zolang ik les geef hoor ik mijn collega’s Duits klagen dat het voor leerlingen die niet in grensstreek wonen, een stuk lastiger is om het examen te halen.

Onze generatie trok zich op aan hits als Marmor, Stein und Eisen bricht, van Drafi Deutscher uit 1965 en later de 99 Luftballons van Nena uit 1983 of de persoonlijke favoriet van Frau Merkel: Nina unbeschreiblich weiblich Hagen uit 1979, om maar te zwijgen van Skandal im Sperrbezirk van de Spider Murphy Gang, dan is het 1982. Mijn persoonlijke Duitstalige favoriet komt niet uit Duitsland: Armee Monika uit 1977, van het album 10 Mistakes van Gruppo Sportivo uit Den Haag. Kan een van onze leerlingen, met dank aan BLØF, het nummer Frankfurt Oder van Bosse uit 2006 nog mee neuriën?

Als broeder Bonaventura niet met zijn lessen bezig is, rijdt hij met zijn racefiets door de heuvels of hij zit op een bankje in de tuin met de roman Conserve van een jonge schrijver genaamd W.F. Hermans.

We namen vóór de pandemie onze leerlingen mee naar Berlijn. Ook voor het volgend jaar staat zo’n onderdompeling in de Pruisische hoofdstad op het programma. Het bezoek aan de kerstmarkt in Münster of Düsseldorf moest er door het virus bij inschieten. Er zit weer niets anders op dan ons te laven aan de Weihnachtslegende  van Bertolt Brecht (1898 – 1956): Komm lieber Wind, sei unser Gast: / Weil du auch keine Heimat hast.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Lucht op een kalender

‘Het zijn de dagen tusschen Sint-Nicolaasdag en Kerstvacantie – korte stompjes van dagen, machtelooze dagen, onvoldragen dagen – dagen waarin je de zon niet langer mist, alsof je de zon nooit had gekend, maar binnen in de stad welt warmte uit roode lampen en den heelen dag staat er de deur naar den avond op een kier, en er hangt een doezel van winterslaap waaraan je je overgeeft (…)’. Zo was de decembermaand in 1912, zo heeft Carry van Bruggen (1881 – 1932) het opgeschreven in haar allerlaatste roman ‘Eva’, die ik alleen al om deze regels elk jaar wil herlezen.

Mijn week begon met het terugkijken van het interview van Ruth Joos met Lieke Marsman (1990). De dichter des vaderlands had er zondag al een tweet aan geweid: Vanavond! Geen idee meer wat ik uit gekraamd heb, wordt interessant. Dat was een understatement. Marsman vertelde dat ze een jaar geleden te horen had gekregen dat ze niet meer beter kon worden. Dat ze daarna dacht dat ze in een put zou vallen of in een diep gat, maar dat ze ontdekte dat er op de bodem van die put een heel landschap was, met lelijke en mooie plekken en dat ze daarin nu een jaar ronddwaalde. Had ze in haar laatste bundel niet geschreven over een barmhartig vennetje?

Dat de natuur, behalve nog veel meer, de biotoop is van wat we niet kunnen bevatten, weet Eva ook. Hoe kan je begrijpen wat je voorbij-ijlt als wind…. wat wel in je dringt ook…. zoals wanneer je witte tulpen ziet in de zon, in een tuin…. ze wiegelen, het is Paaschvacantie…. of  ’s zomersnachts in bed…. je kunt niet slapen…. er kwaken kikkers…. er is een nachtelijk gefluister…. maar dat begrijp je toch niet?

Barmhartig is een moeilijk woord. Medelijden, mededogen, zegt het woordenboek, maar de barmhartige Samaritaan uit het Nieuwe Testament, deed meer dan medelijden tonen. Hij bood belangeloze hulp, meer dan dat; tegen alle conventies in en letterlijk in het voorbijgaan. Kan een vennetje dat ook?

Het barmhartig vennetje komt in de bundel van Marsman  twee keer voor. Nee, drie keer, want op het omslag staat het ook. Hoewel  er ook / ogenblikken van ogenblikken zijn waarop een einde / aan het leven opeens te accepteren lijkt / zolang ik mijn laatste maanden maar in de natuur doorbreng. / Adem diep in  en volg de rode paaltjes, die je leiden / naar een barmhartig vennetje. Dat is één. Barmhartig vennetje is vervolgens de naam van een afdeling van zes gedichten met titels als Het water aan de kade, Het waaien voor de bui, Het blauw voor het donker, De overkant van de canyon, Stof en schillen en het lange titelgedicht In mijn mand: Is het mijn sterfdag? / De lucht is stil, als lucht / op een kalender /.

Woensdagochtend belde de cardioloog. Ik had haar zeker een jaar niet gesproken en bracht ter sprake dat de opmerking dat ik een levensverwachting van misschien anderhalf jaar had, als de hartklep niet zou worden vervangen, het hele proces nogal had bespoedigd. Het was een tijdje stil aan de lijn voor ze antwoordde: Ach, weet u, we doen zoveel ingrepen dat we het zicht op een normaal verlopend leven een beetje verloren zijn.

Geplaatst in lijf en leden, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Vluchtige longschaduwen

Het is maandagochtend, half negen, en nog donker als zeven mannen zich melden voor de hartrevalidatie. Marlèn, de fysiotherapeut van dienst, kondigt aan dat we eerst een half uur cardiotraining gaan doen, duurtraining op een apparaat naar keuze: lopen, roeien of fietsen en daarna nog een goede vijfentwintig minuten krachttraining. Even later kraakt het roeiapparaat, zoemt de loopband en zingen de trappers van de hometrainers. Flauwe grappen verstommen,  Marlèn komt langs om ons te helpen een tempo te kiezen dat we dertig minuten kunnen volhouden, maar ook niet veel langer. Als iedereen is opgewarmd, begint de klok te lopen.

Het infuus prikte in mijn arm. Mijn keel voelde nog gevoelig aan van de slokdarmecho van die middag. Ik ging op de rand van het bed zitten en ademde een paar keer diep in en uit. Ik moest naar de wc. Philip Huff (1984) lag in de herfst van 2012 enige tijd op de hartafdeling van het Universitair Medisch Centrum in Groningen. Hij kijkt later met behulp van zijn favoriete boeken terug op zijn ziekenhuiservaringen en doet daarvan verslag in Het verdriet van anderen dat in 2015 verschijnt. Dat hij in 2021 nog steeds hartlijder is, werd me duidelijk toen ik een artikel van zijn hand las in het NRC van 21 oktober met de titel Je bent een egoïst als je je nu nog niet laat vaccineren. Hij is als de dood dat een ongevaccineerde coronalijder ‘zijn’ bed bezet zal houden, en wordt boos als het dan ook nog een boomer zou blijken te zijn.

Een half uur later wissen we het zweet weg. nemen een slok water en wisselen wat woorden. Er zijn er die herstellen van een hartkatheterisatie, één is aan zijn maag geopereerd. Zodra zijn conditie het toelaat, krijgt hij een nieuwe hartklep. Hij informeert naar mijn bevindingen. Ik vertel dat die van mij een leven lang meegaat. Dat moet een hele geruststelling zijn, zegt hij en moet er smakelijk om lachen.

Hartfalen is Menno Wigman (1966 – 2018) fataal geworden. Hij is de auteur van het gedicht Opname, waarin de regels staan: En nu je lichaam in het Lucas ligt / komt traag en zwaar een zon op in je hoofd. / Het daagt. Je hart heeft moeten hoesten. Even, /  heel even viel de stroom uit in je bast. (…).

Dat was voordat hem in 2014 een lelijke hoest overviel. Was het pleuritis? De huisarts stuurde hem naar het OLVG, er volgden twee weken intensive care en zelfs een chemokuur, voordat de diagnose syndroom van Löffler kon worden gesteld. Vluchtige longschaduwen met eosinofilie, lees ik als ik die ziekte opzoek via Google.

Wigman schreef Opname een jaar eerder. In een vraaggesprek uit 2015 met Onno Blom antwoordt de dichter dat hij het gedicht heeft gemaakt in zijn hoedanigheid als stadsdichter van de gemeente Amsterdam. Iemand uit de Raad van Bestuur van het Lucas ziekenhuis nam afscheid, en daar hoorde een gedicht bij. Blom vraagt de dichter of hij soms voorspellende gaven heeft. Wigman verwijst naar een uitspraak van de kunstenaar Gerhard Richter (1932): mijn schilderijen weten meer dan ik. Wigman: zo is het met dit gedicht ook. Want, ja, hij is daarna in het Lucas opgenomen. maar  met een andere afloop dan de tweede persoon enkelvoud uit het gedicht, over wie in de laatste twee regels staat: Je ligt en wacht. En onder je twee voeten / die morgen onversaagd de straat begroeten.

Geplaatst in lijf en leden, zaliger nagedachtenis | Getagged , | Een reactie plaatsen

Winterbode

De ooievaar die door het raam is gevlogen van het huis dat staat op de grens van Halfweg en Osdorp, is nep. Het exemplaar dat een paar kilometer verderop door het ruige weiland beent is van vlees en bloed en witte en zwarte veren. Een week of twee geleden zag ik hem voor het eerst en geloofde mijn ogen niet. Grijs weer, grijze nevel over de velden. Een blauwe reiger, toch? Het westelijkste stukje van Amsterdam West, voorbij de Joris van den Berghweg. Zeven dagen later, een vrijdag, zie ik hem foerageren op een van de velden van sportpark de Eendracht. De mannen van groenvoorziening knotten de wilgen. Als een paar dagen later de afgezaagde taken nog in hopen langs de kant van de sloot liggen, stappen er zelfs twee door het gras aan de andere kant van het water. Regenwurmen, rivierkreeftjes, een mol die zijn blinde hoofd boven het maailand uitsteekt, een muis misschien. Zolang ik hier kom, zag ik er geen, en nu zijn hier ooievaars als winterbode.

Harry ter Balkt (1938 – 2015) zag hem in de zomer: toen de lis bloeide en ooit / de vlonder over de sloot / het klapwieken van de ooievaar vernam. Zo staat het in het gedicht Sidderende bliksemflitsen uit de bundel Vliegtuigmagneet. Was de ooievaar geen lentebode? Jawel, tot 1970 begon het voorjaar niet voordat de ooievaars uit Afrika waren teruggekeerd en hun hoge nesten weer hadden ingenomen. Koos van Zomeren (1946) doet in Nog in morgens gemeten verslag van een bezoek aan de luxueus verbouwde boerderij van Kees Vos. Hij is verkeersvlieger geweest en heeft destijds, toen hij zich hier vestigde, de voortuin ingericht als fokstation voor ooievaars. Dat moet in de jaren zeventig zijn geweest. Ooievaars kwamen in Nederland nog nauwelijks voor. Met een fokprogramma is de vogel voor ons land gered, maar sinds die tijd kiest menige vogel er in het najaar voor te blijven waar hij is.

Ooievaars in Amsterdam, die zoek je in Artis. Er zijn er in het Vondelpark en ook Frankendael in Oost heeft verscheidene paren, maar ooievaars in West, daarvan had ik niet vernomen. Ten onrechte. Rembrandt maakte omstreeks 1645 een tekening van het kerkje in Sloten. Op het dak prijkt een nest met ooievaars en op een gravure van halverwege de negentiende eeuw staat hetzelfde kerkje afgebeeld, met, nog altijd, het ooievaarsnest. Op de site www.kropveld.net staat een overzicht van ooievaarspalen in Amsterdam. Ik tel er al gauw een stuk of twaalf in Amsterdam West: drie op een rij in de Lutkemeerpolder, een aan de Osdorperweg, een in De Vrije Geer, twee bij de Sloterplas, ze zijn me nooit opgevallen. Die aan de Nico Broekhuysenweg wel, maar die is nauwelijks drie meter hoog en dusdanig vervallen dat ik het bouwsel nooit serieus heb genomen.

Het broedsucces van de nesten op de palen moet al die jaren beperkt zijn gebleven, want anders waren de ooievaars in dit gebied even talrijk als de blauwe reigers en waren ze me op mijn regelmatige wandelingen wel opgavallen.

Nog even over piloot Vos, zouden ooievaars hem fascineren omdat hij zelf gevlogen heeft?

Bij thuiskomst vind ik op de mat een kaartje uit Rotterdam van mijn goede vriend Hans Schoen dat besluit met: Nog een literair wapenfeit: ik heb de afgelopen maanden de werkkamer van Harry ter Balkt opgeruimd. 8 dozen naar het literatuurmuseum. Ga het zelf uitzoeken.

Daar moet toch een doos over ooievaars bij zijn.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Een grote gelijkenis

‘Wat een kunstenaar nodig heeft is een pose’, zegt de verteller van ‘De Poolse vriend’. Laten we hem Maxim Osipov noemen, de Russische cardioloog en schrijver van ‘De wereld is niet stuk te krijgen’, waarin ook dit verhaal staat. ‘Zoals ook een chirurg, een leraar, en ook een militair het zonder iets dergelijks niet kunnen stellen (…)’. Ik las het en beaamde het voor zover het een leraar betreft. Of een militair, al schiet me daarbij eerder het woord aplomb te binnen. En een kunstenaar? Jawel, die zijn er met een pose. Maar van de noodzakelijke pose van de chirurg kon ik me geen voorstelling maken. Zij stelt zich daags voor de operatie voor, misschien zie je haar nog in de operatiekamer. De rest van haar werk doet zij terwijl de patiënt onder narcose is. De cardioloog, die met haar aan tafel zit tijdens teamvergaderingen, heeft stellig een andere indruk van de chirurg.

De wonderlijke notie van die göttliche Gewalt, die Walter Benjamin in zijn Zur Kritik der Gewalt uit de hoge hoed toverde om zijn lezers hoop te geven op een mogelijkheid van geweld om onze overheersers te weerstaan, spookte nog door mijn hoofd, terwijl ik in het boek Met lichte tred van Ton Lemaire (1941) vorderde in het hoofdstuk Slenteren in de stad. Parijs komt daar ter sprake, en Walter Benjamin, die de Franse metropool de culturele hoofdstad van de negentiende eeuw heeft genoemd en die in de jaren dertig uitgebreid studie heeft gedaan naar de betekenis van de Parijse passages, de kunst van het flaneren en de dichter Charles Baudelaire (1821 – 1867). Mijn gedachten dwaalden af naar de keren dat ik Parijs bezocht en de antiquariaten van het Quartier Latin afstruinde. Ik pakte er een oud livre de poche classique-deeltje van Baudelaire bij dat ik daar kocht; Mon coeur mis à nu met ultrakorte teksten, soms maar van vijf woorden; zijn het eigenlijk wel teksten?

Eén ervan luidt: Er is in de liefdesdaad een grote gelijkenis met de foltering en met een chirurgische ingreep. (Het moet de chirurgische ingreep zijn geweest die mijn aandacht trok.) Ja, dacht ik, dat klopt. Je moet met minimaal twee zijn, al bestaan zelfbevrediging, suïcide en automutilatie ook. Is er bij alle drie geweld in het spel? Dat is misschien te sterk uitgedrukt, maar van overweldiging is toch zeker sprake, en, als we het perspectief veranderen, van onderwerping. Is het niet ook een overeenkomst dat men zich in genoemde activiteiten stort zonder enig voorbehoud?

Ik had moeite met dat woord foltering. Als het uitsluitend om vrijen en medische operaties zou gaan, moest Benjamin ze onmiddellijk opnemen als voorbeelden van praktijken van goddelijk geweld. Ik tikte de woorden extase en martelaarschap in de Google-balk, er popte een rijkdom aan afbeeldingen op uit de Middeleeuwen, Renaissance en Barok. Ik zette mijn reserve voorlopig op een zijspoor.

Baudelaire is in hetzelfde boekje teruggekomen op zijn wel erg beknopte en raadselachtige observatie over de liefdesdaad. Rokus Hofstede heeft er een vertaling van gemaakt: Ik heb geloof ik al eens in mijn aantekeningen geschreven dat de liefde veel weg heeft van een foltering of een chirurgische operatie. Maar dat idee kan op uiterst wrange wijze worden uitgewerkt. Zelfs al zouden beide minnaars dolverliefd en vol verlangen naar elkaar zijn, dan nog is een van beide altijd kalmer of minder bezeten dan de ander. Die man, of die vrouw, is de chirurg of de beul; de ander is de patiënt, het slachtoffer.

Nee, ook de minnaar kan niet zonder een pose.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , , , | Een reactie plaatsen