De laatste jaren van zijn leven besteedde Daniël Robberechts (1937 – 1992) aan een uitgebreide studie van het schrift. Hij had een stencilmachine gekocht en nodigde zijn lezers uit om samen materiaal te verzamelen en te beoordelen voor wat ‘een totaaltekst’ moest worden. Een stuk of honderd lezers abonneerden zich op tijdSCHRIFT en ontvingen om de zoveel tijd een gestencilde uitgave en een aanwijzing van de auteur hoe de verschillende teksten in het totaal zouden kunnen worden ingepast. De samensteller stond open voor alternatieve suggesties, zolang die goed beargumenteerd waren natuurlijk. Toen de subsidie voor de éénmansuitgave werd ingetrokken werd het project te begrotelijk. De abonnees kregen hun geld terug. Niet lang daarna maakte Robberechts een eind aan zijn leven. Twee jaar later verscheen de totaaltekst onder de titel T⊗T [NAGELATEN WERK]. Uitgeverij Kritak had er een dundrukeditie van gemaakt van meer dan duizend pagina’s.
Eén van de abonnees was H.C. ten Berge (1938) die het project integer van opzet en interessant als idee noemde, maar daar onmiddellijk aan toevoegde dat het een uitgelezen methode was om de laatste liefhebbers de deur uit te jagen. De rouwkaart met het bericht van de dood van zijn vriend had hem pas tien dagen later bereikt. Van Jacq Vogelaar (1944 – 2013) hoorde hij dat de begrafenis een treurig stemmende gebeurtenis op een grauwe akker in de regen was geworden.
In het woord vooraf, dat op pagina 579 begint, beschrijft Robberechts wat hem met het project voor ogen staat: enerzijds zouden de teksten moeten beantwoorden aan de gehele verscheidenheid en complexiteit van de wereld waar we in leven; anderzijds zou de tegenstelling tussen verschillende genres er opgelost moeten worden. De fragmenten variëren in lengte van enkele regels tot een aantal pagina’s. Voor de ordening ervan heeft Robberechts gebruik gemaakt van het onderzoek van de Leuvense onderzoekers le groupe µ dat in 1970 was gepubliceerd in het boek Rhétorique Générale. Zij ordenen teksten op negen niveaus, van het eenvoudige verslag (de nulgraad), via variabele vertelperspectieven, tot het gebruik van grafische woordvormen aan toe.
Ik liet het tot mij doordringen en las ondertussen verder in Aan het einde van de oorlog het boek waarmee Bert Natter (1968) over een paar weken de Libris Literatuurprijs hoopt te winnen. Daar vielen mij opeens de overeenkomsten op tussen dit boek en het nagelaten magnum opus van Robberechts. Tekstfragmenten van soms enkele regels tot een aantal pagina’s, elk fragment met een eigen personage, terwijl pas geleidelijk duidelijk wordt wat de verschillende personages met elkaar te maken hebben. Teksten die het niveau van de nulgraad nauwelijks overstijgen, processen verbaal eigenlijk, al moet ik met twee woorden spreken; ik ben nog niet tot de helft van Natters boek gevorderd en in T⊗T heb ik alleen nog maar gebladerd. Een belangrijk verschil tussen T⊗T en Natters boek is dat in het laatste werk de fragmenten chronologisch zijn geordend, terwijl de lezer van Robberechts fragmenten vrij is om een eigen volgorde van de fragmenten te kiezen.
Hoe krijgt Natter het voor elkaar om samenhang te organiseren in zeshonderd pagina’s fragmenten van het elementairste tekstniveau, waar dat Robberechts niet lukt met duizend pagina’s veel gevarieerder fragmenten?
Aan het einde van de oorlog speelt op één dag; de verjaardag van de Führer, twintig april 1945, in en om een concentratiekamp ten noorden van Berlijn. Het Sovjetleger is genaderd tot een twintigtal kilometer. Bij oostenwind is het mortiervuur in het kamp te horen. Wat zich toen heeft afgespeeld, schrijnt in een donker hoekje van ons collectieve geheugen. Natter hoeft er alleen maar naar te wijzen.