Uitgelezen methode

De laatste jaren van zijn leven besteedde Daniël Robberechts (1937 – 1992) aan een uitgebreide studie van het schrift. Hij had een stencilmachine gekocht en nodigde zijn lezers uit om samen materiaal te verzamelen en te beoordelen voor wat ‘een totaaltekst’ moest worden. Een stuk of honderd lezers abonneerden zich op tijdSCHRIFT en ontvingen om de zoveel tijd een gestencilde uitgave en een aanwijzing van de auteur hoe de verschillende teksten in het totaal zouden kunnen worden ingepast. De samensteller stond open voor alternatieve suggesties, zolang die goed beargumenteerd waren natuurlijk. Toen de subsidie voor de éénmansuitgave werd ingetrokken werd het project te begrotelijk. De abonnees kregen hun geld terug. Niet lang daarna maakte Robberechts een eind aan zijn leven. Twee jaar later verscheen de totaaltekst onder de titel T⊗T [NAGELATEN WERK]. Uitgeverij Kritak had er een dundrukeditie van gemaakt van meer dan duizend pagina’s.

Eén van de abonnees was H.C. ten Berge (1938) die het project integer van opzet en interessant als idee noemde, maar daar onmiddellijk aan toevoegde dat het een uitgelezen methode was om de laatste liefhebbers de deur uit te jagen. De rouwkaart met het bericht van de dood van zijn vriend had hem pas tien dagen later bereikt. Van Jacq Vogelaar (1944 – 2013) hoorde hij dat de begrafenis een treurig stemmende gebeurtenis op een grauwe akker in de regen was geworden.

In het woord vooraf, dat op pagina 579 begint, beschrijft Robberechts wat hem met het project voor ogen staat: enerzijds zouden de teksten moeten beantwoorden aan de gehele verscheidenheid en complexiteit van de wereld waar we in leven; anderzijds zou de tegenstelling tussen verschillende genres er opgelost moeten worden. De fragmenten variëren in lengte van enkele regels tot een aantal pagina’s. Voor de ordening ervan heeft Robberechts gebruik gemaakt van het onderzoek van de Leuvense onderzoekers le groupe µ dat in 1970 was gepubliceerd in het boek Rhétorique Générale. Zij ordenen teksten op negen niveaus, van het eenvoudige verslag (de nulgraad), via variabele vertelperspectieven, tot het gebruik van grafische woordvormen aan toe.

Ik liet het tot mij doordringen en las ondertussen verder in Aan het einde van de oorlog het boek waarmee Bert Natter (1968) over een paar weken de Libris Literatuurprijs hoopt te winnen. Daar vielen mij opeens de overeenkomsten op tussen dit boek en het nagelaten magnum opus van Robberechts. Tekstfragmenten van soms enkele regels tot een aantal pagina’s, elk fragment met een eigen personage, terwijl pas geleidelijk duidelijk wordt wat de verschillende personages met elkaar te maken hebben. Teksten die het niveau van de nulgraad nauwelijks overstijgen, processen verbaal eigenlijk, al moet ik met twee woorden spreken; ik ben nog niet tot de helft van Natters boek gevorderd en in T⊗T heb ik alleen nog maar gebladerd. Een belangrijk verschil tussen T⊗T en Natters boek is dat in het laatste werk de fragmenten chronologisch zijn geordend, terwijl de lezer van Robberechts fragmenten vrij is om een eigen volgorde van de fragmenten te kiezen.

Hoe krijgt Natter het voor elkaar om samenhang te organiseren in zeshonderd pagina’s fragmenten van het elementairste tekstniveau, waar dat Robberechts niet lukt met duizend pagina’s veel gevarieerder fragmenten?

Aan het einde van de oorlog speelt op één dag; de verjaardag van de Führer, twintig april 1945, in en om een concentratiekamp ten noorden van Berlijn. Het Sovjetleger is genaderd tot een twintigtal kilometer. Bij oostenwind is het mortiervuur in het kamp te horen. Wat zich toen heeft afgespeeld, schrijnt in een donker hoekje van ons collectieve geheugen. Natter hoeft er alleen maar naar te wijzen.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Pleister

Het was nog voor de pandemie, een jaar of zeven acht geleden. Een borrel met de collega’s die les gaven aan de leerlingen van de hoogste klassen van het HAVO, in een van de eetcafés van Krommenie. Mijn wekelijkse stukjes kwamen ter sprake en de collega economie vroeg: ‘Waarom doe je dat?’. Hij een biertje, ik een biertje. ‘Laat me even denken’, zei ik. Waarom ik er mee begon, wist ik nog wel. Een paar keer per jaar vroeg de medewerkster publiciteit me iets te schrijven voor het personeelsblad of voor het magazine dat elk trimester aan de ouders van onze leerlingen werd gestuurd. De opdracht overviel me dan, zodat ik besloot tekstjes te schrijven als het mij uitkwam en ik bij een volgend verzoek uit voorraad kon leveren. Toen het  intranet op school verscheen, was het mogelijk die stukjes voor iedereen op school zichtbaar te maken. Maar dat was tien jaar geleden, die school had ik inmiddels verlaten. Wat was het antwoord op de vraag waarom ik het nu, of nog steeds, deed?

Op 5 januari 1964 schreef Daniël Robberechts (1937 – 1992) in zijn dagboek: Wat het leven leefbaar maakt. De zelfmoordgedachte daagt regelmatig weer op. Ik zou er misschien aan kunnen ontsnappen door me cynisch uit te leven (rokkenjager) of door een nieuw, opdringerig beroep te gaan uitoefenen waarin de bezinning op het leven uitgesloten zou zijn (leraar); in beide gevallen een vlucht, een pleister op een houten been, met het gevaar dat de ontnuchtering veel erger zou zijn. Ik las het deze week en was verrast door zijn beknopte en heldere kwalificatie van het beroep van leraar, terwijl ik uit eigen ervaring wist dat bezinning, zo niet op het leven, dan toch op de bizarre beroepspraktijk, althans voor mij, een manier was om het hoofd boven water te houden. Daar waren die wekelijkse stukjes ook voor nodig.  Robberechts deed er inmiddels alles aan om carrière te maken in de literatuur en was hard op weg om de meest bekroonde onuitgegeven Vlaamse schrijver (zijn eigen woorden) te worden.

Ik had het Dagboek ’64 ~’65 van Robberechts uit de kast genomen omdat ik eerder in de week in de Java bookshop was gestuit op een monografie over zijn werk van Arjen Mulder (1955). Mulder studeerde biologie aan de VU, schreef poëzie en volgde in de eerste helft van 1978 een stoomcursus pedagogiek om zijn eerstegraads lesbevoegdheid te halen. Vijfenveertig jaar later noemt hij het een traumatische ervaring. Wat ik me had voorgesteld als een open ontmoeting tussen leraar en leerlingen rond een interessant gespreksonderwerp, de biologie, zag ik verwrongen worden tot emotionele chantage (…) het ontwrichte mijn ziel en brak mijn poëtisch mechaniek aan stukken, ik voelde hoe de delen zich herschikten tot een karikatuur. Ik wist dat ik nooit meer een gedicht zou schrijven. Van les geven is het ook niet gekomen, voor zover ik kan nagaan.

En dan te bedenken dat de schrijverscarrière van Robberechts voor een belangrijk deel is mogelijk gemaakt met het inkomen dat zijn vrouw Cee verdiende in het onderwijs.

Het was te lang stil gebleven. Het antwoord dat ik gaf was: om de gekkigheid voor te blijven. De collega economie liet het even bezinken, nam een slok van zijn bier en zei: Ja, dat begrijp ik wel…

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Sciomantie

Guillaume Apollinaire (1880 – 1918) was elf maanden aan het front toen, terwijl hij ‘le Mercure du Sud’ las, een granaatscherf zijn rechterslaap trof. Zeventien maart 1916, ‘Een mooie Minerva is het kind van mijn hoofd / Ik ben voorgoed gekroond door een ster van bloed’ zou hij daar later over schrijven. De gewonde commandant en dichter wordt per ambulance van de loopgraven onder Reims naar Parijs gebracht, om daar te worden verpleegd. Hij belandt op de operatietafel, waar de chirurgen een gat in zijn schedel boren om een bloedprop te verwijderen. Terug naar het front gaat hij niet meer. Een jaar later schrijft hij het gedicht ‘Schaduw’ over zijn herinneringen aan de loopgraven.

Jullie zijn opnieuw dicht bij me / Herinneringen aan mijn kameraden die sneuvelden in de oorlog / Olijf van de tijd, al uit de openingsregels is duidelijk dat de geheugenplaats niet het oostelijk front is, maar een afwezige aanwezigheid die hecht met de verteller is verbonden. Ontastbare sombere gedaante die de / Veranderlijke vorm van mijn schaduw heeft aangenomen. Afwezig, want geen van de gesneuvelde kameraden zal de goddelijke gedichten die ik zing nog kunnen lezen, aanwezig, want, zoveel staat vast, deze veelvormige schaduw zal hem nooit meer verlaten. Of is het toch de poëzie zelf die bezongen wordt? Schaduw inkt van de zon / Neergeschreven door mijn licht.

Terwijl Apollinaire herstelde van zijn wonden, bundelden zijn vrienden een aantal van zijn korte verhalen onder de titel De vermoorde dichter die nog datzelfde jaar verscheen. Daarin stond Het vertrek van de schaduw waarin ook sprake is van een innige band tussen dood en  schaduw. Het speelt in Parijs, een winkeltje met Koopjes uit de lommerd in de rue des Francs-Bourgeois dat wordt uitgebaat door David Bakar, die een herinnering ophaalt uit zijn tijd in Rome. Een man in een regenjas, zonder hoed, op een plein in de menigte. Hij scheen droef en terneergeslagen en terwijl de mensen luisterden zag ik hoe in de zon de man helemaal geen schaduw had. Snel en onopvallend haalde hij een revolver uit zijn zak en schoot zich een kogel door de mond.

Bakar weet een en ander van sciomantie of schaduwlezen. Want weet u wel dat volgens ons heilig geloof de schaduw het lichaam verlaat dertig dagen vóór de dood?

Dat opent de mogelijkheid om gestorven vrienden weer tot leven te wekken door hun lichaam met de schaduw te herenigen.

In het titelverhaal van de verhalenbundel staat een verslag van een onderhoud van de dertienjarige Croniamantal met zijn leermeester meneer Janssen over zielsverhuizing. Uw ziel huisde net als de mijne in andere menselijke lichamen, in andere dieren of werd verstrooid en leeft zo voort na uw dood omdat niets kan vergaan, houdt de meester zijn pupil voor, en voegt er aan toe: Want wat is het stof langs de wegen anders dan de as van de doden?

Of heeft Apollinaire, net als ik, de editie uit 1889 van de petit dictionnaire universel van É. Littré in zijn kast staan, waarin als een van de betekenissen van ombre, schaduw, staat: Selon les anciens, apparence, simulacre du corps après la mort, een geestverschijning van een overledene die even komt spoken.

De zwarte, sombere gedaante van onze schaduw zou net zo goed van het stof langs de wegen kunnen zijn of van de modder van de loopgraven. Munitiewagens vol gemis, besluit Apollinaire zijn gedicht, Een god die zich verootmoedigt.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Sociale zaken

Het hoofdredactioneel commentaar van de Volkskrant koos afgelopen maandag minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als hoofdpersoon. Aanleiding waren de zorgen over de gevolgen van de voorgenomen bezuinigingen op de sociale zekerheid. De fractievoorzitters van de coalitiepartijen D’66 en CDA zeiden moeite te hebben met de verkorting van het zwangerschapsverlof, terwijl ze daar een paar weken eerder, tijdens de formatieonderhandelingen, mee hadden ingestemd. De minister verklaarde geschrokken te zijn van de reacties op zijn opdracht de uitkeringen voor mensen die nu arbeidsongeschikt zijn, te verlagen. In de laatste alinea wijst de krant erop dat de minister kon weten hoe gevoelig het bezuinigen op bestaande gevallen ligt. Hij is geboren in 1963, en was in de vroege jaren negentig als ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken betrokken bij soortgelijke ingrepen van het kabinet Lubbers III, waarvoor het CDA, bij de verkiezingen van 1994 van de kiezers de rekening kreeg gepresenteerd.

Ik bleef haken aan het jaartal 1963, omdat het ook het geboortejaar was van Rob van Essen, van wie ik de nieuwe roman De grote schoonmaak aan het lezen was. Van Essen en Vijlbrief zijn leeftijdgenoten. Ik besefte ineens dat beide mannen hun vormende jaren beleefden in de jaren tachtig, die het einde markeerde van het ideaal van verzorging, verzekering, verheffing en verbinding van de bevolking; de verzorgingsstaat. Van Essen kijkt met enig ongeloof en niet zonder nostalgie terug op zijn tijd als uitkeringstrekker in Amsterdam. Vijlbrief zegt voor het voortbestaan van de verzorgingsstaat te vechten door hem ingrijpend te kortwieken.

Van Essen schreef in Kind van de verzorgingsstaat: Soms kan ik naar die tijd terugverlangen. Alles was toen nog zonder consequenties. Niet alleen doordat de staatsverzorging honger en dakloosheid voorkwam (en dan hield je nog genoeg over voor café- en bioscoopbezoek), maar ook, vooral, doordat het leven nog statisch was; het kon elke dag opnieuw beginnen … Van Essen is de eerste om toe te geven dat die bitterzoete melancholie massale jeugdwerkloosheid en een voortdurende koude oorlog nodig had. Dat de aidsepidemie ondertussen genadeloos huishield en een generatie, voornamelijk homoseksuele mannen, wegmaaide, relativeert de laatste zin. Het leven moest voor velen elke dag beginnen, hoe onmogelijk dat ook leek.

Ook in De grote schoonmaak is ruim baan gemaakt voor dat grimmige decennium. Zo sleepte ik mij door de jaren tachtig, in mijn kleine etage bij het verlaten rangeerterrein, aldus het hoofdpersonage Thomas. Elke dag deed ik mijn bescheiden boodschappen, die ik betaalde met het geld dat de Sociale Dienst maandelijks op mijn rekening stortte. En: Als kabeltelevisie in die jaren aan iemand besteed was, dan wel aan mij. Het nieuws, de actualiteiten, de snookertoernooien op de BBC met de felgekleurde ballen die een voor een verdwenen tot het groene laken er maagdelijk bij lag – ik zag alles.  

Terwijl Van Essen weet dat het heimwee naar die jaren van de verzorgingsstaat niet oprecht is, dat je niet terug kunt naar die tijd in Amsterdam. Net zoals je niet twee keer in dezelfde rivier kan stappen, kan je niet twee keer in dezelfde stad rondlopen.

Op de site van de Rijksoverheid staat een citaat van minister Vijlbrief. Hij wil samen aan de slag om Nederland klaar te maken voor de toekomst. De grote schoonmaak eindigt in Brixopolis in het jaar 2197. Hoeveel toekomst wil je hebben? Elsa vraagt: Hebben jullie het boek uit? Mystic antwoordt: Iedereen heeft het boek uit, Nu de minister nog.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Kaas, stro, zon

In den beginne was het woord, schrijft Johannes aan het begin van het laatste Bijbelboek en daar heeft hij gelijk in. In het eerste boek lezen we immers dat de Schepper, toen de aarde nog woest en ledig was, de wereld tot stand bracht door te spreken. Dat het woord scheppingskracht heeft, ligt ten grondslag aan de Joods kabbala, maar is ook de vaste overtuiging van schrijvers en dichters. Moeten we dan vrezen dat onze wereld verloren gaat als we de woorden kwijtraken? Die onrust maakt dat we doorlezen in ‘Een woord voor’, de nieuwe roman van Eva Meijer (1980).

Achteloos is het eerste woord dat verdwijnt, kort daarna moet ook archaïsch er aan geloven. Niemand die ze zich nog herinnert, lege plekken in de woordenboeken, geen spoor van terug te vinden in digitale bestanden, een vaag benul over wat men vroeger zei, meer niet. Nu zijn achteloos en archaïsch woorden die de meesten van ons niet dagelijks gebruiken, ze worden nauwelijks gemist. Dat wordt anders als de woorden neuken en geld zomaar zijn verdampt. Als het woord geel er ook aan moet geloven, dreigt er een volksopstand. Niet om het verlies te wreken, maar omdat er strijd ontstaat over het woord dat in de plaats komt. Is dat stro, zoals men in de Nedersaksische streken vindt, zon dat volgens Randstedelingen het meest in aanmerking komt, of kaas dat voor de boeren het beste woord is. De regering besluit in arren moede om voorlopig het Engels als officiële eenheidstaal te gebruiken.

Daarmee zijn de problemen niet opgelost. Al was het maar omdat Nederlandse woorden als uitwaaien, niksen, gedogen, aanstelleritis en dropping in geen enkele taal een equivalent hebben, zoals taalkundige Marc van Oostendorp deze week schreef. Of omdat niet iedereen voldoende Engels spreekt. Of omdat de Friezen een beter alternatief hebben. En waarom dan niet het Duits, vragen de bewoners van de oostelijke grensstreken, terwijl dichters en letterkundigen waarschuwen dat het afschaffen van het Nederlands onze culturele ervaring voorgoed verarmt.

De minister president zwijgt: Misschien zit daar iets in. Maar hij probeert al de hele tijd de boel bij elkaar te houden. Na het PVV-kabinet die na elf maanden viel en het daaropvolgende middenkabinet die het midden niet kon vinden is zijn partij weer aan de macht – niet de grootste, maar de redelijkste. Trouwens, het woordje dat is ook verdwenen en door die vervangen.

Wat is er aan de hand? Zijn het hacks van vijandige mogendheden? Dat de woorden ook uit het menselijk geheugen verdwijnen, duidt eerder op een virus. Zijn we getuige van het laatste stadium van cultureel imperialisme uit de Verenigde Staten dat ooit begon met Donald Duck, Coca Cola en Elvis Presley en is ontaard in een onaangekondigd experiment van technoligarchen? Als de premier het onderwerp omzichtig aanroert bij zijn Amerikaanse collega, juicht die het besluit om voorlopig de Engelse taal te gebruiken toe en zegt de rekening te sturen voor de leenvergoeding.

En dan moet The Night of the Name Losses nog komen, waarin van de ene dag op de andere bijna de helft van de namen kwijtraakt. Lege bevolkingsregisters, gaten in het paspoort, wel reclame-afbeeldingen op straat, maar geen merknamen, hoe roep je nu de kinderen voor het eten? En wat te denken van de begraafplaatsen, waar op de stenen alleen datums achterblijven, soms een foto, een enkel symbool. Nog diezelfde avond overvalt iemand een benzinepomp. De dader valt niet te identificeren.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Aan een haak

Tijdens de pandemie waren er berichten over zorgen over baby’s die in hun eerste levensmaanden uitsluitend gezichten zagen met een mondkapje. Dat van de verloskundige, de vroedvrouw, de kraamhulp, ouders, broertjes, zusjes. Zwaaiende grootouders buiten voor het raam. Zouden de pasgeboren kindjes zich kunnen hechten aan alleen een paar ogen? Hoe moesten ze ooit leren lachen, als het hun niet was voorgedaan?

Het is januari 2021. Je bent twee dagen en bijna twee nachten oud. Het kindje slaapt in een bedje van plexiglas, zijn moeder spreekt het in gedachten toe. In het donker van mijn ziekenhuisbed word jij een kubistisch samenraapsel. Naast mij ligt mijn kind, en het heeft geen gezicht. Ik probeer niet in paniek te raken. We bevinden ons in het eerste hoofdstuk van Als de dieren, het debuut van de Vlaamse Lieselot Mariën (1986), één van de zes genomineerden voor de Libris literatuurprijs. Negen maanden heb ik je gedragen, en toch voelde het alsof je in enkele seconden dwars door mij heen gevallen was.

Het kind zal in april 2020 zijn verwekt. Een maand eerder las Ingmar Heytze (1970) zijn gedicht Vogels, vissen voor op radio 1: Ik ben net zo bang als jij, net zo bezorgd voor iedereen die ik niet missen kan. Hij leest: Maar in Wuhan hoor je vogels zingen. Boven China was de lucht nog nooit zo blauw. In Venetië zien ze vissen in het helderste water sinds tijden. En besluit met: We zijn een virus dat een virus heeft gekregen.

Als de ik-persoon uit het eerste hoofdstuk later naar de foto’s van haar en haar zoon kijkt, lukt het haar nauwelijks zichzelf te herkennen. Ze spreekt van een vrouw in mijn kleren, meent dat het te maken heeft met een moment in augustus 2021 waarop ik jou hoorde huilen en je de rug toekeerde; het moment waarop zij je troostte en ik de trap af liep. Het moment dat ik en de vrouw in mijn kleren niet meer samenvielen.

In diezelfde maand steeg het aantal besmettingen in België tot ongeveer 500 per dag. In het hele land werd een mondmaskerplicht ingevoerd en een avondklok verordend. Uit die tijd dateert de foto van haar en een vriendin die ook dat jaar een kind gekregen heeft. Twee tevreden glimlachende moeders op een picknickdeken, elk met een stevige baby van ongeveer acht maanden op de arm. Nee, deze kinderen zou het, pandemie of geen pandemie, aan niets ontbreken.

Ook in de stad, waar ze met haar baby in de draagzak loopt, trekt men zich niets aan van de aanbevelingen om de gevolgen van de pandemie te beperken. Er lopen zoveel mensen in deze straat, er lopen zoveel mensen. Ze stompen met hun boodschappentassen tegen mijn dijen, ze spreken voor zich uit in telefoons die ze in hun hoofddoek knellen, ze roepen naar elkaar van weerszijden van de straat. Voor een slagerij staat een bestelwagen met daarin het kadaver van een schaap. In dit moederschap hangt mijn lijf aan een haak, druipt mijn bloed uit mijn vlees.

Dat voorjaar was in de Vlaamse versie van Beleef de lente te zien hoe de slechtvalk zodra de eieren braken, haar jongen verorberde. De beelden werden ijlings offline gehaald. Een expert verklaarde dat dit niet de natuur is. Voor het scherm is de vrouw in mijn kleren, het kind slapend op haar buik, er getuige van. Ik weet hoe het komt en het is afschuwelijk.

Maar dus geen Covid.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Veel wit

Moeder was gestorven en werd bijgezet in het graf van haar man Freek en zijn eerste vrouw. Om de groeve stonden de kinderen: Helmer, Lieke en Magda, schoonzoon Tim en de kleinkinderen Anka en Frank. Moeder heeft in de achtste roman van Henry Sepers (1955) ‘Moeder is een ding’ net zo min een naam als de vrouw die Freek had liefgehad voor hij moeder ontmoette. Helmer was vijf toen hij moeder leerde kennen, de vrouw was een jaar dood. Juffrouw Valk van de kleuterschool had met een warme en innige knuffel afscheid genomen van Helmer, die de volgende dag met zijn vader naar het andere eind van de stad verhuisde, om bij moeder te gaan wonen. Over de vrouw is daarna niet meer gesproken.

Door Freek Splinter en zijn echtgenote in elk geval niet. Helmer groeide op, schreef poëzie en vergaarde enige bekendheid met bundels als Kinderschim, De gewiste vrouw, In de nevels van het jarenwoud en Nachtvergrijpen. Zijn vader was trots op zijn beroemde zoon, prees het taalgebruik, maar over de inhoud sprak hij niet. Moeder ging het boven de pet, eigenlijk had ze meer op met haar schoonzoon. Die liet zijn handen tenminste wapperen, in tegenstelling tot haar zoon die leefde van de subsidies die hij ontving voor onbegrijpelijke boekjes met erg veel wit op de pagina’s. Critici duidden de gedichten als een verlangen naar intimiteit en de behoefte om de leegte in de dichter zelf te omsingelen met woorden. Citaten die het prima deden op een achterflap.

Als Helmer zijn vader naar zijn vroegste jeugd vroeg, kreeg hij nul op het rekest en ook moeder gaf niet thuis. Na de dood van zijn vader is Helmer naar diens beste vriend David van Akkeren gegaan, hij moest de vrouw toch ook gekend hebben. David zuchtte. Toen stond hij op. Resoluut. ‘Ik kan je niet helpen’, zei hij. Het is niet aan mij. Nu was ook moeder overleden en was er niemand meer om de vragen over vroeger aan te stellen. Ooit zal ik over deze dingen dichten, ik sla beelden op in mijn hoofd. Tegelijkertijd knaagt het benul dat vragen de voorkeur verdienen boven de antwoorden. Wat moest ik aan met het besef van ondoorgrondelijkheid van mijn bestaan, als daar een weten voor in de plaats kwam? Waarover kon ik dan nog schrijven?

Een oude buurvrouw, tante Ida, bindt Helmer op het hart de praatjes die er over zijn moeder rondgingen niet te geloven; Een engel, een opdracht van boven, hoe verzinnen ze het.

Als Helmer via de uitgeverij een condoleancebericht krijgt van juffrouw Valk, besluit hij haar op te zoeken. Hij mag Anita zeggen. Zij had zijn gedichten gelezen en voelde de aanwezigheid van zijn echte moeder. Alsof haar geest over de bladzijden zweefde, maar nooit wilde neerdalen.

Dat verhaal van tante Ida kende ze ook. Er zou een engel aan het sterfbed van je moeder zijn verschenen. De dominee vertelde dit in zijn preek tijdens de afscheidsdienst. Ongepast vond ik het verhaal. Idioter kan het niet.

En toch. Een valk is ontegenzeggelijk een gevleugeld wezen en Anita is bij mijn weten het enige woord (hoewel, IJsbrand?) dat zowel eigennaam als oxymoron is; een menselijke naam die zichzelf ontkent elke keer dat hij wordt genoemd. Is er meer nodig voor een engel?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Mijn stad

Dat Maxime Garcia Diaz niet bij mij in de klas zat, komt omdat ze opgroeide in Amsterdam Oud West en niet in Almere. Dat ze zich vaak ziek meldde, speelde ook een rol, maar anders had het in de jaren tussen 2008 en 2012 makkelijk gekund. ‘Toen ik een meisje was zat ik op de computer / Toen ik op de computer zat was ik een god/probleem/Amerikaan/volwassen man/zoon / van mijn vader/lichaam in wachtstand’, schrijft ze. In 2021 debuteerde ze met de bundel ‘Het is warm in de hivemind’, waarvoor ze de C. Buddingh’prijs kreeg en nu is er ‘Het netwerk moet gebouwd worden’, een boek van tweehonderdvijftig pagina’s waarmee ze meedingt naar de Herman de Coninckprijs op 21 maart. Mijn oudste neef Jan gaf het mij voor mijn verjaardag. Hij kent haar van de hoofdstedelijke kraakbeweging.

De late babyboomer zoals ik, denkt bij een netwerk eerst aan het tuig waarmee men vissen verschalkt. Men is gevangen in een net. Ergens in de afgelopen decennia is de betekenis van netwerk gaan overhellen naar verbondenheid en communicatieve mogelijkheden die vrijheid beloven. Ik zie mijzelf geen netwerk bouwen. Verbouwen misschien, ondermijnen liever. Netten breien kan ik niet en voor het repareren ervan mis ik de boetvaardigheid.

Maxime Garcia Diaz is net zo oud als het internet. 1993 is het geboortejaar van de Intel Pentium microprocessor en van Microsoft Windows NT. In dat jaar verschenen de eerste advertenties online en vanaf 1 mei kon iedereen een account openen bij XS4ALL. Op een van de eerste pagina’s van Het netwerk moet gebouwd worden legt ze de term daemon uit: een proces dat taken stuurt in de computer die niet op het scherm te zien zijn. Ze besluit met Een daemon werd geboren in juli.

Toen ik een meisje was zat ik op de computer / Toen ik op de computer zat was ik een transatlantische verbinding / in het beste vestigingsklimaat van de europese unie / en ik stierf naamloos en stierf en zei maxime Nu heeft ze heimwee naar de beginjaren van het nieuwe millennium, toen het internet vooral werd verkend door minderjarige avonturiers, gamers en hackers.

Schoolleiders lieten zich destijds door Microsoft bijscholen in de mogelijkheden die de nieuwe techniek bood en kwamen terug met de boodschap dat de nieuwe generatie er zo mee was vergroeid dat het maar beter was die te omarmen. Ik was als kind verslaafd en nu nog steeds schrijft Garcia Diaz. Ik was een millennial die reageerde op de babyboomgeneratie. Ik dacht na over hun idee van het internet als een schadelijke plek, ik wilde mijn internet verdedigen tegen de mensen die het niet begrijpen. Ze is van gedachten veranderd: Hoe de dingen in de war raken. Geboorteplaats, eerste referentiekader. Het was een eenzame, ongezonde stad, maar het was mijn stad.

Van gedachten veranderen is een ding, jezelf onder ogen komen een ander. Poëzie kan er bij helpen. Vertel me hoe het metrum werkt of ik vermoord je hele familie. schrijft ze, en Ik zou een eerlijk imperium willen zijn, maar dat kan niet. /  Ik voel me eenzaam wanneer ik een regel weghaal uit een gedicht. / Maar je bent helemaal goed. Je bent zo zo zo goed

En ze schrijft: Uiteindelijk ging ik weer naar school. Er moest heel wat aan te pas komen – een conrector, blijven zitten, een speciaal aangepast programma – maar ik ging weer naar school. Ik werd groot, werd normaal, ging studeren.

Bedankt Jan!

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Boter

Eerst veranderde de brievenbus van kleur. De PTT heette voortaan Post nl en daar hoorde de kleur oranje bij. Maar wie op de plaats waar hij een rode brievenbus wist, naar een oranje exemplaar zocht, kwam nog al eens bedrogen uit. Het aantal brievenbussen is de afgelopen tijd meer dan gehalveerd, en waar ze nog zijn, staan ze verdekt opgesteld, in een hoek van een supermarkt of winkelcentrum, in een gang van een treinstation.

Dagelijks worden er acht miljoen brieven bezorgd en dertigduizend mensen helpen mee die brieven op de mat te laten vallen lees ik in Het gezoem van bijna alles, de nieuwe roman van Coco Schrijber (1961). De post is een zaak van leven en dood.

Cato Goudschenker is postbode op een druppelvormig eiland in de Atlantische oceaan, drieënvijftig jaar, ze woont alleen in een kleine huurwoning met een terras dat over het eiland uitkijkt en over de zee zover het oog reikt. Haar oude buurvrouw, Sor Toyota, trekt er als verpleeghulp elke dag met haar oude auto op uit. Zij wees haar op de vacature voor postbesteller. In een vorig leven was Cato hoogleraar filosofie. Denken is wat ze het liefste doet. En klimmen, maar daar gaat het nu nog niet over, staat er. Cato is ervan overtuigd dat alles wat je denken kunt, bestaat. Net als haar naamgenote die naar de botermarkt ging en kon maken wat ze wou, al was daar wel boter voor nodig.

Cato dekt de tafel op het terras, zet er zes stoelen omheen. Ze heeft kroketjes gefrituurd met geitenvlees, paddenstoelen en aubergines. Er zijn knapperige aardappeltjes, jonge sla met uienringen, avocado en passievrucht. Voor toe is er chocolademousse, flan met peer in honingrum en Hollandse appeltaart, voor haar Hollandse kinderen. Als alles is opgediend, schenkt ze zich alvast een glas wijn in, wacht op wat komen gaat.

Achtenveertig uur later moet ze van de buurman horen dat ze al die tijd geslapen heeft. Iedereen was uitgenodigd, niemand is op komen dagen. Ratten, meeuwen en duiven hebben een ravage achtergelaten. Ze veegt wat keutels van de tafel. Het gezoem van bijna alles heeft iets in gang gezet wat onomkeerbaar is. In de haven regelt ze een passagiersplek op een vrachtschip naar Peru, de besneeuwde toppen van de Andes zijn haar reisdoel.

Haar baan heeft ze opgezegd. Voor ze vertrekt wil ze een brief achterlaten. Maar voor wie? Kinderen heeft ze niet, drie waren al dood voor hun geboorte, de tweeling was vijf jaar toen ze verpletterd werden door de ijskast. Haar ouders overleden voor ze achttien was. Sor Toyota is op haar verjaardag met de auto in het ravijn gereden, 96 jaar. Ze besluit op internet naar verwanten, nu ja, naamgenoten op zoek te gaan.

Een brief is een geschenk. Een stuk of zeven Goudschenkers vindt ze. In Nederland, Italië en Nieuw Zeeland. Soms alleen een naam, af en toe volledige adresgegevens. In Peru brengt ze haar brieven naar het postkantoor voor ze de bergen in gaat. Terwijl Cato’s sporen worden uitgewist in de zachte maar onverbiddelijke witheid, komen haar brieven aan. Ze worden ongelezen weggegooid, door de verkeerde ter harte genomen, komen te laat zonder vergeefs te zijn, zetten aan tot onomkeerbare daden.

Zo had ze het gedacht, onderweg naar Peru. Ik mag dan Goudschenker heten, maar goud schenk ik niet, ik schenk leegte.

Geplaatst in eten & drinken | Getagged | Een reactie plaatsen

Oud zweet

Behalve de excursie naar het voormalig concentratiekamp Sachsenhausen en de workshop Street Art, was een bezoek aan de Gedenkstätte Hohenschönhausen een vast onderdeel van de werkweek naar Berlijn, die de school waar ik werkte, aanbood aan leerlingen van de voorexamenklassen havo en vwo. Een halve eeuw was het een witte plek op de kaart van de DDR. Na de val van de muur in 1989 bleek het een omvangrijk gevangeniscomplex, cellen, verhoorkamers, arbeidsvoorzieningen, exercitieruimtes, kantoren, garages en een hospitaal, verborgen achter een blinde muur met een wachttoren die uitzicht bood naar alle kanten. Tussen 2016 en de uitbraak van de covidpandemie bezocht ik het drie keer.

Er is de herinnering van gestolde tijd. Het was er nog steeds 1965. De bakelieten telefoons op houten bureaus met fineer, zware schrijfmachines, het verkleurde behang, op de grond zeil dat gescheurd was en bij de drempels afgebrokkeld. Boenwas, lysol, ethanol misschien, met een vleug van oud zweet, die me terugvoerden naar mijn vroege jeugd. Verlaten gangen met gesloten deuren, langs de muren een kabel waarmee alarm geslagen werd, zoals die vroeger in de bus hing om de chauffeur te vragen bij de volgende halte te stoppen. Deze muren liegen niet sprak onze gids. Hoezo niet? Waarover niet?

Vanaf het einde van de oorlog tot ongeveer 1950 was het complex een Sovjetgevangenis, daarna is het in gebruik genomen door de Staatssicherheitsdienst van de DDR. Pasten de Sovjetautoriteiten vooral fysiek geweld, of de dreiging daarmee, toe om hun gedetineerden tot bekentenissen te verleiden, de Stasi bekwaamde zich in moderne psychologische technieken om burgerschap in de socialistische heilstaat in wording te bevorderen. Technieken met beperkt lichamelijk letsel, maar verwoestend voor het individu dat er het slachtoffer van was.

Lena Bürger, een van de hoofdpersonen van Het koor van de driehonderd moordenaressen, de nieuwe roman van Willem du Gardijn (1964), had geen schijn van kans. Ze maakte deel uit van een groep die zich had verzameld in de kelder van de slagerij in afwachting van het moment dat de tunnel die vanuit het westen onder de muur door gegraven werd, zich onder de winkel zou openen naar de vrijheid. Voor het zover was, daalden gewapende VOPO’s de trap af. In de schermutselingen die volgen brengt Lena een van de agenten ten val. Zijn geweer gaat af en zijn collega wordt dodelijk getroffen.

Na de val van de muur hebben ex-gedetineerden ervoor gezorgd dat de stasi-gevangenis een gedenkplaats werd. Zij verzorgen ook de rondleidingen, herinneren ons eraan dat de ondervragers van toen niet zijn vervolgd, maar gewoon van baan veranderd. Dat je hen, bij wijze van spreken, dagelijks kon tegenkomen in Berlijn. Ze vertellen van de slechte hygiëne, de vernederingen, de ontmenselijking en het nie wieder is ze in de mond bestorven. Ze openen een gecapitonneerde celdeur. Niet alleen de deur, ook de muren zijn onzichtbaar achter een opbollend kussen. Onmogelijk om zich hier te bezeren. Elk geluid wordt geabsorbeerd nog voor het de mond verlaten heeft.

De ondervrager laat Lena een film zien van een haar onbekende vrouw die Lena’s echtgenoot tot seks verleidt. Nog voor het zover is, trapt ze de projectietafel omver. Bewakers overmeesteren haar en werken haar hardhandig in de cel. Ik voel aan de deur, die is beplakt met rubber, overal is rubber, ook de vloer is van rubber, er is geen bed, geen licht, alleen duisternis.

Doof, blind en stom, maar liegen? Nee.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen