Niemand ontkomt

Het bericht van het overlijden van Hans Magnus Enzensberger (1929 – 2022) katapulteerde mij terug in de tijd, naar de periode dat ik Nederlandse taal- & letterkunde studeerde, de tweede helft van de jaren zeventig. Aan het streven naar gelijkheid van kennis, inkomen en macht, was een bruusk einde gekomen toen het kabinet onder leiding van Joop den Uyl in maart 1977 viel over de grondpolitiek. In hetzelfde jaar werden Willem Engel en Hugo de Jonge geboren. Jan Raas won Milaan – San Remo en zijn eerste Amstel Gold Race. De verkiezingen voor de tweede kamer leverden op vijfentwintig mei zetelwinst op voor de Partij van de Arbeid (‘Kies de minister president’), maar van een tweede kabinet Den Uyl is het niet meer gekomen.

Ik had de verplichte onderdelen afgerond en koos er met een groep gelijkgestemden voor ons te verdiepen in het verschijnsel bewustzijnsindustrie. Het was de titel van een opstel dat Enzensberger in 1962 schreef en dat in 1974 in het Nederlands was vertaald. Al in de eerste alinea maakt de schrijver korte metten met het idee dat wij baas zouden zijn in het eigen brein. Idealisme op pantoffels, noemde hij het. In de tweede alinea komt Marx (1818 – 1883) op de proppen: Het bewustzijn is bij voorbaat al een maatschappelijk product en blijft dat, zolang er mensen zijn. Wij beaamden het van harte, maar vonden diep van binnen dat het niet voor ons gold; dat ons bewustzijn beter wist en dat we ze dat zouden laten weten. Pas toen ik een kwart eeuw later Prometeus van Carry van Bruggen (1881 – 1932) voor de tweede of derde keer las, ervoer ik iets van de helderheid die gepaard gaat aan de erkenning dat vrije wil een fictie is.

Of Enzensberger zo ver ging, weet ik niet. De bewustzijnsindustrie is een lastig ding. Bewustzijn, oordeel, bekwaamheid tot beslissen veronderstelt zij niet slechts als abstract recht bij ieder individu; zij produceert ze, schijnbaar paradoxaal zelf. Uitbuiten kan men alleen krachten die aanwezig zijn; om deze ten dienste van de bazen te kunnen temmen moeten ze eerst opgewekt worden. Niemand ontkomt. We veranderden langzaam in nuttige idioten van het kapitalisme. Gelukkig verscheen op acht april 1977 het debuutalbum van The Clash.

Hoewel bewustzijnsindustrie dus al honderd jaar bestond, was het in zijn volle omvang nog nooit in kaart gebracht. Studies beperkten zich tot film, radio, televisie, de macht van propaganda of reclame; de journalistiek bleef buiten schot, net als mode en design en misschien wel de invloedrijkste tak: onderwijs.

In dezelfde essaybundel als waarin Bewustzijnsindustrie verscheen, probeerde Enzensberger ook een theorie te ontwikkelen van het toerisme. Dezelfde gedachtegang tussen de regels; het georganiseerde massatoerisme transformeert een systeemkritisch vrijheidsverlangen tot industrieel geproduceerde risicoloze, hapklare brokken vakantiepret waarmee we er weer een jaartje tegen kunnen.

Ook dit idee kwam ons onweerstaanbaar voor en we produceerden een bloemlezing van vrijheidsclichés uit het werk van Louis Couperus, Nescio, Slauerhoff (maar Beets, Van Lennep, Bosboom – Toussaint hadden ook gekund) die grondstof vormden voor het narratief –  discours zeiden we toen – van het massatoerisme.

In de dagen dat Ilja Leonard Pfeijffer (1968) Grand Hotel Europa nog niet had geschreven en niemand wifi had.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

De herrie, het bloed

Het begon met een collectie Chinese voorlichtingsposters over gezondheid, hygiëne en persoonlijke verzorging uit de jaren dertig, veertig en vijftig, die in het bezit waren gekomen van uitgeverij Contact. En het begon met het verzoek van een redacteur aan Manon Uphoff (1962) om bij de prenten een persoonlijk commentaar te schrijven. De uitkomst was een geïllustreerde uitgave die in 2008 verscheen over het menselijk lichaam, met als titel een versregel van Wisława Szymborska (1923 – 2012): ‘Het moet eten, ademhalen, slapen’.

Het hoofdstuk Goede dokters opent met twee vragen: van wie is het lichaam, het vlees, en wie is er verantwoordelijk voor het vlees als het ziek is? Op de pagina ertegenover zien we, boven twee voor mij onleesbare tekstregels, een lachende arts, witte buis en muts, mondkapje bungelend om de hals, zittend aan tafel tegenover drie eveneens lachende kinderen van oplopende leeftijden en een al even goedgeluimde jonge vrouw. Aan de muur achter de personages hangt een plaat waarvan men door vier afbeeldingen kan leren tanden poetsen.

Uphoff geeft zelf antwoorden op de eerste vraag: het lichaam is van God, de mens, de Staat of de markt. Mannen zijn doorgaans meer van zichzelf dan vrouwen, behalve als het oorlog is. Vrouwen zijn meer van zichzelf dan kinderen. Maar de vraag van wie het lichaam is als het ziek is, laat zich moeilijker beantwoorden.

Wacht even, dat gaat wel erg snel. Had de schrijfster ons er in de inleiding tot haar boek niet op gewezen dat de grenzen van ons lichaam poreus zijn: En met de minutieuze en gedetailleerde tekeningen van het voedsel dat ons lichaam binnen gaat en dat we eten, opnemen en verteren, wordt meteen ook zichtbaar gemaakt dat dit parasieten de gelegenheid geeft  zich te transporteren en verplaatsen naar ons ‘systeem’, en worden we tegelijk gewaarschuwd en eraan herinnerd dat we nooit alleen leven, en dat onze organisatie er een is tussen vele, vele andere…  dat Bob Dylan (1941) dus alle gelijk van de wereld heeft als hij zingt I contain multitudes.

Jan-Hendrik Bakker (1953) schrijft in zijn boek Grond dat de kolonisatie van Noord-Amerika een stuk sneller ging na de uitvinding van het prikkeldraad. Het verschil tussen mijn en dijn kon met palen, krammen, een hamer en de nodige rollen draad eenvoudig worden vastgesteld. De wortels van het eigendom zijn doorgaans in even mythische als schaamtevolle nevelen gehuld. Is er niet meer waarheid in de bewering dat wij een lichaam zijn dan dat wij een lichaam hebben?

De volgende vraag is of de arts degene kan zijn met zeggenschap over het zieke lichaam. De eed van Hippocrates houdt hem of haar aan de belofte altijd het belang van de patiënt voorop te stellen, maar er bestaat ook zoiets als professionele en/of wetenschappelijke nieuwsgierigheid, of de verleiding van de techniek: Als ik aan het opereren ben, ben ik niet bezig met humaan zijn, dan vind ik het gewoon geweldig, de herrie, het bloed, het boren…’ Om nog maar te zwijgen van de belangen van de verzekeraars, de invloed van big pharma, instanties die aan Hippocrates geen boodschap hebben, of van de plattelandsdokter uit het gelijknamige verhaal van Franz Kafka (1883 – 1924), die door de dorpsbewoners wordt overmeesterd en bij zijn ongeneeslijk zieke patiënt in bed gestopt, terwijl ze zingen en als hij je niet geneest, dood hem dan! ’t Is maar een dokter.

Want agressie tegen hulpverleners had je toen ook al.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Gouden leegte

‘Doe de deur dicht!’ Het is twee uur ’s ochtends en mijn moeder zit op de rand van haar bed. Ze heeft op de knop gedrukt, waarop in mijn slaapkamer de bel ging en ik mij naar beneden spoedde. Is dat angst in haar ogen? Ik vraag waarmee ik haar kan helpen ‘Doe de deur dicht!’, herhaalt ze met klem, en ze zwaait met haar arm om naar de deur te wijzen die ze bedoelt. Ik ben er net door binnengekomen en loop terug om hem te sluiten. Ze zegt: ‘die hond zit achter me aan’.

Welke zou het zijn? Boris en Bobbie, de twee boxers, waren de eerste honden in ons gezin. Een van hen is met hevige toevallen naar de dierenarts gebracht, die hem uit zijn lijden verloste. De andere is thuis gestorven en in de tuin begraven. Net als Adam, onze derde hond, die nadat hij van nabij het overlijden van mijn vader en mijn broer had meegemaakt, niet meer te vertrouwen was. Mijn jongste zus, inmiddels dierenarts, bracht hem om nadat hij haar gebeten had. Toen kwam Chica, die een stuk makkelijker in de omgang was en evenmin het eeuwige leven had. Trui slijt haar laatste dagen bij mijn oudste zus in Friesland. Mijn moeder is dol op honden. Waarom zou ze er nu bang voor zijn?

Linnaeus (1707 – 1778) zag het goed: Eet vlees, meelspijzen, verteert beenderen, braakt van gras. Drinkt likkend. Tilt een achterpoot zijdelings op. Neus vochtig. Loopt op de tenen, soms half dwars. Laat bij hitte de tong uit de bek hangen. Loopt in een kring om zijn slaapplaats voor hij gaat liggen. Hoort scherp in de slaap, droomt. Hondengedrag is de afgelopen tweeënhalve eeuw niet veel veranderd.

Heart of a dog is een documentaire van performancekunstenaar Laurie Anderson (1947) uit 2015. De film is opgedragen aan haar overleden echtgenoot Lou Reed en gaat over de dood van haar moeder, die van de jong gestorven kunstenaar Gordon Matta – Clark en over haar terriër Lolabelle. Toen de hond niet meer kon zien, was het strand de enige plek waar hij vrijuit rennen dorst. Op haar sterfbed praatte Lauries moeder met de dieren op het plafond. Matta-Clark nodigde zijn vrienden aan zijn ziekbed en las hun vierentwintig uur voor, tot hij stierf.

Daar verschijnt de muurschildering die Francisco de Goya y Lucientes (1746 – 1828) als laatste voor zijn dood maakte. De voice over van Laurie Anderson beschrijft het donkere hondenkopje dat naar boven kijkt in een grote gouden leegte. Ik zag het twee keer in het Prado in Madrid en was beide keren sprakeloos.

In alle omstandigheden trouw. Huisgenoot van de mens. Kwispelt bij nadering van zijn meester. Vergezelt dien, vooruit lopende. Keert zich om bij kruiswegen, wacht. Leerzaam, zoekt verloren voorwerpen op. Doet ’s nachts de ronde. Genoten honden in Linnaeus’ tijd toch een betere opvoeding? Bij naderend onweer onrustig. Verbreider van hondsdolheid. Wordt in de ouderdom blind.

Ik maak een handdoek nat om haar gezicht op te frissen en de fantomen uit haar hoofd te jagen. Ook de dood kan mijn moeder nauwelijks angst inboezemen. Het is haar meisjesnaam. Het was zó’n grote, zegt ze nog, een bruine.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , | Een reactie plaatsen

Subliem

In het tiende deel van zijn monografie over geweld komt Hans Achterhuis (1942) over D.A.F. de Sade (1740 – 1814) te spreken. De beroemdste bewoner van de Bastille toen die door de havelozen van Parijs in 1789 werd bestormd, was immers verantwoordelijk voor een encyclopedische opsomming van vernederingen, verkrachtingen, verminkingen tot moorden  aan toe inclusief de even logische als bedrieglijke rechtvaardiging ervan. In zijn filosofische romans ´Justine, of de tegenspoed van de deugdzaamheid´, ´Juliette, of de voorspoed van de ondeugd´ en ´De 120 dagen van Sodom´ hoefde de Goddelijke Markies niets te verzinnen, alle beschreven praktijken bestonden al, en geen ervan is gestopt na de publicatie van zijn werk, of het nu is in Abu Ghraib of in de kelder van Marc Dutroux. ‘De Sade is nog steeds onze tijdgenoot’, verzucht Achterhuis.

Terwijl de auteur de vraag stelt waarom we deze weerzinwekkende boeken zouden lezen, en of de overheid ze niet beter zou verbieden, verschijnt het begrip subliem op de pagina. Volgens het Algemeen Letterkundig Lexicon een nogal vaag begrip in de literaire theorie en de esthetiek, dat zowel verwijst naar een bepaald taalgebruik (bijv. verheven of het genus sublime), een stijl of genre, als naar een soort van hogere of beklemmende schoonheid. Het begrip maakt opgang in de traditie van de welsprekendheid en verandert in de achttiende eeuw van betekenis als ‘het verhevene’ zich verbindt met de onweerstaanbare combinatie van pijn en genot, angst en schoonheid, waarbij we, in de woorden van Arnold Heumakers, een vreemde en onherbergzame dimensie van onszelf in het vizier krijgen en onze onschuld verliezen. In de negentiende eeuw wordt het een onmisbaar ingrediënt van The Gothic Novel, in onze tijd zien we er sporen van terug in het verschijnsel van het ramptoerisme.

Een jaar geleden, ik was aan het herstellen na een hartoperatie, stuitte ik op de term Goddelijk geweld, die Walter Benjamin aan het einde van zijn opstel Zur Kritik der Gewalt muntte als uitweg voor het alomtegenwoordige geweld waarmee recht wordt gesticht en gehandhaafd. Ik keek naar mijn kwetsuren en vroeg mij af van welk geweld ik slachtoffer was geworden. Benjamin schreef over een anti-geweld dat niet dreigt, maar doet en dat heelt in plaats van vernietigt op bloedige wijze.

Die eerste weken na de operatie was ik in de ban van het overweldigende van de ervaring, de onbevattelijkheid ervan én de vaststelling dat ik het overleefd had. Het maakte de manifestatie van helend geweld tot een belevenis van het sublieme. Even was ik ramptoerist aan mijn eigen ziekenhuisbed. Was dat wat Walter Benjamin bedoelde?

Lieven de Cauter (1959) cultuurfilosoof te Brussel, betoogt dat Benjamin met een vast schema werkte, als hij de wereld om zich heen probeerde te begrijpen. Elk fenomeen krijgt daarin drie dimensies, een in de natuurgeschiedenis, een in de wereldgeschiedenis en een in de godsgeschiedenis. Sinds de vaststelling van elementaire aanspraken in een oertijd, waarvan wij weten via eeuwenoude verhalen en gebruiken, zijn recht en geweld twee handen op een buik. Dat duurt voort in de moderne tijd waar geweld het laatste woord heeft bij rechtshandhaving. In de beste Joodse traditie verwachtte Benjamin de opheffing van geweld van een Messias wiens komst aanstaande is.

Een utopie, volgens Achterhuis, waaraan we te allen tijde weerstand moeten bieden.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Verbeelding van vervulling

‘Mythen en stoplichten’, het debuut van Alara Adilow, verscheen afgelopen april, terwijl ik even niet oplette. Toen Chrétien Breukers eind september in de Podcast ‘De nieuwe contrabas’ over de bundel sprak, deed ik dat wel. Het gaat over Mark Rutte en Breukers leest: ‘Na een paar glaasjes champagne / en onnodige en oppervlakkige identiteitsuitwisselingen / mag ik hem neuken en daar ben ik dankbaar voor / want hij is de gladrijkheilige minister-president / al dertien jaar, iets om trots op te zijn / en hij heeft mooiwitbillen die zacht zijn en onschuld uitstralen.’ De titel van het gedicht is: ‘Schenk mij een taal waarin ik genderloze verhoudingen kan aangaan met de wereld’.

Toen Lucebert zo oud was als Alara Adilow nu, zei hij tegen H.U. Jessurun d’Oliveira: Overigens zal het er met het Nederlandse proza slecht blijven voorstaan, zolang ons toch zo door en door democratisch volk zijn taal niet democratiseert, zolang het nog verschil maakt tussen fatsoenlijke en onfatsoenlijke taal, tussen het zgn. ordinaire en het mooie woord. De zgn. algemeen beschaafde taal is de pest voor een levende literatuur. Jan Wolkers zou twaalf jaar later debuteren, op ‘Mythen en stoplichten’ moesten we nog ruim zeventig jaar wachten. Lucebert kreeg die tijd niet.

Adilow is Amsterdams, queer, trans, Somalisch, van kleur, moslim, vierendertig jaar, van de straat – Drie clowns roken een jointje in de lift / van een flat in de achterbuurt – en niet van de straat; ze kent de klassieken; van Ramses Shaffy tot Maria, de moeder Gods, Brahms, Bruckner, Mahler, Etta James en Tupacs. Ze heeft de moed om na J.C. Bloem de maand november te bezingen – Herfst bloedt plechtig een halsketting, een enkelbandje, een paar oorbellen / nacht raapt ze op en schenkt ze de maan – en ook zij krijgt het bijna te kwaad bij de aanblik van jonge sla: Zijn pik zwelt als een rel / die van mij is een krop sla in het Koplandgedicht.

Naar Lucebert verwijst ze in het gedicht ‘Raadgeving’: Ik zeg: bijt in mijn tepels, ik zeg: pijp me. / Ze geloven me niet want mijn lichaam / heeft me vermomd, maar ik ben een vrouw. / Ik doe een rok aan, de rok van het universum, ik zwier rond / in de verbeelding van vervulling: een eindeloze reis / door een steeds sluitende sneeuwende nacht.

‘ik tracht op poëtische wijze’, misschien wel Luceberts meest poëticale gedicht, waarin hij afrekent met schoonheid als kenmerk van kunst: zij troost de larven de reptielen de ratten / maar de mens verschrikt zij / en treft hem met het besef / een broodkruimel te zijn op de rok van het universum.

Cyrille Offermans (1945) noemt de afwezige moeder en het Jordaanoproer, waar Lucebert als negenjarige getuige van was, beslissende factoren voor de ontluiking van het creatieve genie van de dichter-schilder. De rok van het universum kleedt een heelal-moeder die geen boodschap heeft aan haar minuscule kinderen.

De moeder van Alara Adilow wil niets meer met haar kind te maken hebben sinds het in transitie ging. Je hield van mij als zoon en ik wilde een echte zoon zijn. / Ik begon hormonen te nemen, verborg mijn borstgroei. / De wachttijd bij VUmc is bijna drie jaar. / Vriendinnen van mij hebben zelfmoord gepleegd gedurende die wachttijd.

Stoplichten in deze bundel regelen het verkeer van mensen niet, mythen niet dat van de goden

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Draadjes

In ‘Het licht in de stad’, het nieuwe boek van Inge Schilperoord (1973), krijgen, voor zover het geen popartiesten zijn, alleen dode mannen een naam. Zoals Siewert ten Broek, bij leven advocaat en succesvol raadsman van jihadkinderen. Hij verdedigde Isra el H., wees erop dat er misschien sprake was van woede en frustratie, zucht naar avontuur die ze onder woorden bracht door te lenen bij een radicaal narratief, maar dat het in de kern een kwetsbaar kind was. Na de vrijspraak dook Ten Broeks cliënt op in Syrië, en was zijn reputatie naar de vaantjes. Kort daarna is hij verongelukt tijdens een fietsvakantie in de Ardennen.

Of Johann Sebastian Bach, van wie Sofie ten Broek de Goldberg Variaties op zet als zij rust in haar hoofd zoekt. Sinds de dood van haar vader woont ze bij haar tante Luciënne die piano speelt en viool en les geeft op het conservatorium. Sofie weet niet of ze kwaad moet zijn op haar vader, die meer aandacht had voor zijn jihadkinderen dan voor zijn enige dochter, terwijl hij de allerlaatste was die het allermeeste van haar hield. Haar moeder heeft ze niet gekend. Als haar vader ’s avonds in het donker luisterde naar muziek van Frederic Chopin, wist Sofie dat hij aan haar dacht. De levende mannen in het boek duidt Schilperoord aan als ‘oom’, ‘broers’, ‘imam’ of ‘politieagent’, al kan de laatste een vrouw zijn. Voor vrouwen in het boek geldt grofweg het omgekeerde, zij hebben een naam zolang ze tot het rijk van de levenden behoren.

Sofie is zestien jaar en zit in de vijfde klas van het vwo. Ze heeft zich voorgenomen de missie van haar vader voort te zetten en koos als titel voor haar profielwerkstuk ‘De mythe van islamitisch geweld’, dezelfde titel als van het nooit gepubliceerde artikel dat haar vader vorig jaar had geschreven. Sofie wil Zala Azimi, uit de parallelklas, die met haar moeder uit Afghanistan is gevlucht, vragen het met haar te schrijven. “Het is dieptriest. Nederlandse kinderen worden ingepalmd door IS en ze raken verwikkeld in een oorlog waar ze niks mee te maken hebben. Ze komen terug uit het kalifaat met levenslange trauma’s of sterven een zinloze dood ver van huis…” Zala begon te lachen. “Wat een onzin. Ze gaan toch zelf?”

Samenwerken aan een profielwerkstuk is voor mij altijd een geheim gebleven. Zelf een tekst schrijven is al zo moeilijk, dat samen doen verdubbelt de problemen alleen.

Sofie gaat geregeld met de metro naar Zuid om bij Zala thuis aan het werkstuk te werken. Ze drinken thee met kardemom en eten cake. Ze hadden het helemaal niet over het werkstuk, maar dat deed er niet toe. Het enige dat er toe deed was dat ze hier zaten, en dat er met alle gedachten die ze uitwisselden ergens door iemand onzichtbare, heel fijne draadjes tussen hen werden gesponnen. Een volgende keer luisteren ze naar de muziek van Zala uit Kabul en Kandahar. Opeens was het vier uur en hadden ze het helemaal nog niet gehad over Sophies ideeën voor de indeling van het werkstuk, die ze Zala had gemaild. De keren daarna kijken ze naar de nieuwste clip van Jamal Mubarez en Khalil Yousefi. Ondertussen wist Sophie dat ze er vandaag niet verder aan zou werken. Misschien wel nooit meer.

Maar dat deed er dus niet toe.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Iets doen

Toen mijn moeder haast niet meer kon lopen, ontfermde mijn oudste zus zich over Trui. De hond ging met haar mee naar G. dat onder de rook van Leeuwarden ligt. Het duurde niet lang of de gezamenlijke achtertuin van mijn moeder en mij werd eerst verkend door de witte kat van de overbuurvrouw, en daarna resoluut toegeëigend. Ik zag hoe de reiger op zijn dagelijkse stek bij de vijver werd bespied, belaagd en bedreigd door de nieuwe bewindvoerder. Een week later vond ik het lijk van de vogel achter in de tuin, de nek geknakt, zijn kop er in onnatuurlijke houding naast. Van de dader geen spoor.

Ludwig was beneden. Hij zat stoïcijns op  het aanrecht en gaf haar een geringschattende blik. Remco, die doof was en een beetje dom, lag waarschijnlijk te slapen op haar hoofdkussen. Zo introduceert Peter Terrin (1968) de twee katten die figureren in Anna, de langste episode uit De gebeurtenis, dat dit jaar verscheen. Hun baasje heet Frouke, tweeëndertig jaar, actrice. Ze vrijt al vier jaar met Michel, kunstschilder, vierenzeventig jaar en dertig jaar gehuwd met Anna die terminaal ziek is en volgens hem langzaam haar verstandelijke vermogens verliest. Het einde is onvermijdelijk, maar wanneer het gebeuren zal weet geen van de artsen. Dit duurt te lang, aldus Frouke. We moeten iets doen.

Michel stelt Frouke voor bij hem in te trekken. De villa is groot genoeg. Anna hoeft er niets van te merken. Frouke neemt Remco op van haar kussen, waar hij ligt te slapen en duwt haar neus in zijn witte vacht. Ze aaide hem, en op haar telefoon opende ze de foto’s van de villa, van de tuin. Kijk eens, zei ze. Helemaal voor jou.

Afgelopen zomer fatsoeneerde ik de olijfwilg in de voortuin toen de auto van de overbuurvrouw stopte. Ze stak haar hoofd uit het portier. We zijn verlost van het witte monster, riep ze. Ze had de kat overgedaan aan de trimster, die achter in de polder woonde. Daar had de witte kat voldoende ruimte om zijn jachtinstincten bot te vieren. Verdrietig? Ja, ook. Maar het was geen doen. Als ze het dier op haar bed vond, moest ze haar man roepen om hem weg te jagen.

De dove witte kater ligt ondertussen op Anna’s schoot. Daar ben je, zei Frouke. Ik heb je overal gezocht. Ze boog voorover en keek van dichtbij naar Remco, merkte dat Anna dat ook deed, verrast. Wat ben jij een ondeugende kater. Werkelijk. Kom nu maar hier, je hebt mevrouw al genoeg lastig gevallen. Michel had zijn vrouw de verwarring graag willen besparen, maar de witte kater had er anders over beslist. Tegelijkertijd vroeg hij zich af wat Frouke had bedoeld toen ze zei we moeten iets doen.

Als Anna is overleden, is Frouke degene die haar vindt. Ze klopte wat harder op de deur, kreeg geen gehoor. Ze hoorde Remco, zijn half protesterende, klaaglijke miauwen van de honger, en opende voorzichtig de deur. Het moet een dag in de late nazomer zijn geweest.

Daarop volgde een zachte, natte winter met wind uit het zuidwesten. Frouke was na de tournee met de laatste productie niet naar de villa teruggekeerd. Michel gaf de bananenplant in haar slaapkamer trouw water en daarna werd het voorjaar.

Op een late middag eind maart zag hij diep in de tuin een wit vlekje. Even meende hij naar een meeuw te kijken, op zo’n afstand was het moeilijk in te schatten, toen zag hij dat het Remco was. Ook die had zich sinds Anna’s dood niet meer laten zien.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Strepen

Om de tafel zitten een journalist, een ondernemer en een filosoof die respectievelijk luisteren naar de namen Wierd Duk, Marlies Dekkers en Ad Verbrugge. Onder het toeziend oog van de camera van het You Tube-videokanaal ‘De Nieuwe Wereld’ – verdiepende gesprekken in een tijd van verandering – discussieert het drietal over de bedreiging van de democratie door polarisatie, ‘cancelling’ en ontluikende tribale verhoudingen. De ondernemer benadrukt de ernst van de situatie door eraan te herinneren dat de leider van Rusland op het punt staat een atoomwapen af te schieten, de journalist noemt Jérôme Heldring als voorbeeld van een publicist die probeerde boven de partijen te staan, waar columnisten anno nu zo scherp mogelijk een kant kiezen, de filosoof vraagt zich af hoe het toch mogelijk is dat de ‘elite’ zijn gezag is kwijtgeraakt en merkt tussen neus en lippen door op dat november door de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) is uitgeroepen tot ‘maand van het gezag’.

Macht is uitgesteld geweld, gezag is uitgestald geweld, staat in De Draaischijf, de roman van Tom Lanoye (1958) over collaboratie, verzet, opportunisme en liefde, voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog in de toneelwereld van de lage landen. Dat de verschillen tussen macht, gezag en geweld klein zijn, vind ik niet vreemd. De Duitse taal moet het doen met één woord om te spreken over dat scala aan menselijke bemoeienis met elkaar en met de wereld. Die Elterliche Gewalt, is ouderlijk gezag, die Gewaltentrennung is de scheiding der machten en einer Gewaltakt is een gewelddaad.

Verbrugge wijst erop dat de kapitalisten in Engeland uit de vroege negentiende eeuw hun gezag behielden door, ondanks alles, de welvaart voor velen te vergroten. Hij noemt de ontzuiling en het door het neoliberalisme aangejaagde individualisme als oorzaken van de huidige gezagscrisis. De opstand tegen het gezag in de jaren zestig komt voorbij, maar de constatering dat een bestendige traditie van gezagsgetrouwheid, nu eens van deze, dan weer van gene snit, verzandde in twee wereldoorlogen, blijft uit, net als de milde gevolgtrekking dat we misschien niet zonder gezag kunnen, maar dat het mét toch ook niet meevalt.

Ik had er in de vroege jaren nul niet zo lang voor nodig om te ontdekken dat het in de les niet werkte om op mijn strepen te staan. Lesgeven zonder gezag, was de opdracht die voorlag, ook al was er nog nooit iemand geweest die dat voor mogelijk hield en wist ik nog niet hoe dat moest.

Dat het met verstandhoudingen tijdens de les te maken had, dat het hielp als er iets van een gedeelde nieuwsgierigheid was, dat we in de fictie moesten leven dat geen van ons een haar beter was dan de ander en dat we ons beter niet te opzichtig met elkaar bemoeiden. Jij wilde toch havo doen? sprak ik tot wie klaagde dat de lesstof saai was, het programma overladen of het huiswerk teveel.

Ondertussen leerden in Nederland scholieren elk jaar een beetje minder, groeide de onderwijsbegroting elk jaar een beetje meer, net als het aantal leerlingen in de klas en de hoeveelheid vacatures op Meesterbaan.nl. De utopie van gewaltfreie Kommunikation en gewaltfreier Unterricht gloort ondertussen onverminderd aan de einder.

Vooruit, nog een maand dan, en dan is het klaar.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Mantra

Of ik het minder benauwd heb met een nieuwe hartklep, wil de mondhygiëniste weten, of ik vrijer kan ademhalen. Ik lig met opengesperde mond languit achterover in de stoel terwijl het wegslijpen van tandsteen en de inspectie van de tussenruimtes van tanden en kiezen ongestoord verder gaat. Na ruim een jaar is het niet alleen gelukt een afspraak met de mondhygiëniste te maken maar ook na te komen. Een hartklep van kunststof werkt, als ik het goed begrijp, het beste als het bloed van een homogene kwaliteit is en zeker niet te dik. De trombosedienst ziet daarop toe en schrijft me nauwgezet medicatie voor. Als er stolsels in de bloedbaan komen, zou de klep er de brui aan kunnen geven en is het uit met de pret. Mijn tandheelkundige verzorgers zagen het bloedbad in mijn mond al voor zich en deinsden terug voor het risico. De zorgen om mijn hart waren groter dan die om mijn gebit. Of ik de medicatie niet tijdelijk kon stoppen om de kans op bloedingen te verminderen?

Daar kon geen sprake van zijn, dicteerde de trombosearts. Zorgvuldig gecontroleerd een paar dagen de dosis verlagen kon wel. De uitnodigingen voor bloedafname direct na het bezoek aan de tandarts en drie dagen later weer, vond ik de volgende dag al in de bus. Deze week zou zich moeiteloos vullen met heen-en-weer ritten naar de prikpost van de trombosedienst in de Jan Tooropstraat.

De wachtkamer was leeg, maar aan de andere kant van een rode lijn op het linoleum op de vloer was het een komen en gaan van vrouwen in witte jassen. Ik sloeg mijn boek open, verslaggever Joeri Boom (1971) was met koorts uit Kasjmir teruggekomen, hij was er geconfronteerd met onverholen vijandelijkheid tussen moslim- en hindoegroepen, maar ook met talrijke tijgermuggen. Hij vreesde te zijn besmet met knokkelkoorts. De dokter stelt de diagnose vrijwel meteen. (…) Ze wenkt een assistent. ‘Meteen bloed afnemen.’ Juist op dat moment hoor ik mijn naam en volg ik een jonge vrouw in een witte jas naar een van de behandelkamers.

Boom was sinds 2012 Zuid-Aziëcorrespondent voor NRC-Handelsblad en de NOS met als standplaats New Delhi. In die jaren loopt zijn huwelijk op de klippen, wordt zijn beste vriend en soulmate, de fotograaf Jeroen Oerlemans in Syrië doodgeschoten. Hij schreef er een boek over dat Ik wil weg heet. Als Boom zes jaar later is teruggekeerd in Nederland besluit hij het beroep van verslaggever eraan te geven om docent te worden op de basisschool. Jeroen Oerlemans is afgelopen zondag twee oktober, de zesde verjaardag van zijn dood, in Amsterdam herdacht. Brug 422 over de Boerenwetering bij het Beatrixpark heet voortaan de Jeroen Oerlemansbrug.

Nog in Delhi raadpleegt Boom voor vijfendertig dollar per consult een psychotherapeut die hem voorhoudt dat wat wij voor de werkelijkheid houden, gestolde energie is van de geest, dat er geen verleden is en geen toekomst, dat er niets is dan je hartslag en je ademhaling. Een conclusie die ook mijn tandheelkundige verzorgers dicht waren genaderd. Zeg mij na: ‘Ik heb niets nodig, want al het goede in mijn leven gebeurt vanzelf.’

Als de mondhygiëniste de stoel weer overeind zet, ik mijn mond kan spoelen en zij op het computerscherm een datum zoekt voor een volgende afspraak, is er geen druppel bloed gevloeid.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , | Een reactie plaatsen

Acéphale

Het vijfentwintigjarig huwelijk van mijn ouders was het laatste zetje. In de zomer van 1980  gingen we met het hele gezin naar Canada. Ik was vierentwintig jaar, het was de eerste keer dat ik vloog, Vancouver International Airport was het doel. Een week of vier, vijf waren we te gast bij nu eens de ene oom, dan weer de andere tante. Neven en nichten, die doorgaans een paar jaar jonger waren dan ik, maar al wel een rijbewijs hadden, lieten ons de highlights van British Columbia zien: Lake Louise, Fraser Canyon, Jasper National Park, Banff. Bij het ziekenhuis van Salmon Arm, waar mijn oma woonde, stelden we ons op voor een foto van de hele familie. We waren met meer dan honderd kleinkinderen en achterkleinkinderen.

Ik ben naar zolder gelopen om de foto’s te halen die ik er maakte. Ik wil weten wat ik zag. Weidse snelwegen, een tankstation, een jongeman met lang haar en ontbloot bovenlijf zit langs de kant op het asfalt, leunt tegen een versleten rugzak, steekt zijn duim omhoog naar elke passerende personenauto, de bergen rondom, daarboven alle ruimte voor wolkenpartijen en de zon die schittert in de voorruiten van de auto’s. Daar hoort de stem bij van Gordon Lightfoot (1938): Sometimes I think it’s a shame / When I get feeling better, when I’m feeling no pain

Emy is midden dertig. Ze studeerde psychologie en literatuurwetenschappen. Johannes is haar geliefde, ze wonen in Rotterdam. Onderweg, tijdens het maken van een documentairefilm is ze verliefd geworden op de fixer, die A. wordt genoemd in het boek. Hij heeft een tatoeage van de Acéphale aan de binnenkant van zijn onderarm. Ik kijk naar A. alsof hij zojuist een wonder heeft verricht. ‘Bataille’, zeg ik hem, ‘daar heb ik mijn bachelorscriptie over geschreven. Bataille en gothic fictie.’. A. is al langer dan vijf jaar samen met Charlotte die zeven jaar jonger is. De film wordt gedraaid in Canada, Charlotte en A. wonen in Montréal, het boek heet Tekenen van het universum, het verslag van een obsessie. De schrijfster Emy Koopman (1985).

In de zomer van 2019 reist Emy met de trein van Edmonton naar Montréal. Ze leest door elkaar Surfacing van Margaret Atwood, Will Fergusons Why I hate Canadians, Love Medicine van Louise Erdrich en Annie Muktuk and Other Stories van Norma Dunning, uit haar oordopjes klinkt Björk. Canada is voor haar de first Nations, de Albertanen, de verschillen tussen de Québecois en de Anglo’s, oost en west en alles daartussen in. Vooral dat laatste. Canada is het land van radical centre, meedogenloze middelmaat die ook A. niet vreemd is, hoezeer hij het ook verafschuwt. Het tegendeel van wat Bataille voorstond. Het tegendeel van wat Emy voor ogen heeft.

Behalve een bibliotheek aan verborgen familieverhalen, is Canada voor mij Joni Mitchell (1943), die zingt: I drew a map of Canada / Oh, Canada / With your face sketched on it twice om verlies van haar geliefde voor te blijven, Complainte pour Ste Catherine van Kate & Anna McGarrigle dat in de jaren zeventig op geen feestje ontbrak en waarin het onder meer gaat over daklozen en hoge brandstofprijzen, Neil Young natuurlijk en later Rufus Wainwright (Princesse de la rue soit la bienvenue dans mon cœur brisé). Jacques Cartier noteerde het woord Canada halverwege de zestiende eeuw het eerst in een Europese taal; Kanata, Iroquois-Huron voor woonplaats.

De trein sukkelt voort over het eindeloze spoor. Saskatchewan, Manitoba, Ontario. Ineens, vanuit het niets, in dat schijnbaar lege groengouden veld, springt er een vosje uit een hol omhoog. Hij maakt een halve salto door de lucht en landt weer op zijn pootjes, triomfantelijk en moeiteloos.

O, als Emy dat eens kon.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen