Belgische grappen

Toen ik vrijdagavond in bed nog even de radio aanzette, hoorde ik dat McCoy Tyner was overleden. In hetzelfde nieuwsbericht vermeldde men dat Tyner deel uitmaakte van het legendarische kwartet van John Coltrane dat in 1965 het album A Love Supreme uitbracht met Elvin Jones op drums en Jimmy Garrison op bas. Maar zo kende ik mijn pianoheld niet. Mijn kennismaking met de muziek van McCoy Tyner was zijn album Enlightenment uit 1973, een registratie van zijn optreden op het Jazz festival van Montreux op zeven juli dat jaar met Joony Booth op bas, Azar Lawrence op saxofoon en Alphonse Mouzon op drums.

Wat wist ik van muziek? Ik was nauwelijks zeventien jaar. On n’est pas sérieux quand on à dix-sept ans, wat u zegt, Arthur Rimbaud (1854 – 1891). De radio stond aan, het was zaterdagmiddag en Michiel de Ruyter (1926 – 1994) presenteerde zijn jazzprogramma. Ik zette het toestel wat harder, vroeg me af wat ik hoorde, de stilte na afloop van het nummer dat een klein half uur had geduurd, kwam hard binnen. De presentator hernam het woord en zei, met zijn kenmerkende hese stemgeluid, dat ik had geluisterd naar Walk spirit, talk spirit. Nog dezelfde week had ik het album waar dat nummer op stond in huis.

Anderhalf jaar later was het 1975. Er was een einde gekomen aan de Viet Nam-oorlog en aan de jeugdserie Swiebertje op de televisie. In Portugal maakte de Anjerrevolutie korte metten met fascisme en kolonialisme. Bernard Thévenet won de Tour voor Eddy Merckx. En dan breekt de langste hittegolf aan uit de Nederlandse geschiedenis. Midden in die hittegolf is er het driedaagse Hammerveld Jazzfestival in Roermond. Met een aantal vrienden van de middelbare school regelden we een tent (die we niet hebben gebruikt) en togen we naar het Zuiden.

Op vrijdagavond zagen we Charles Mingus optreden met ondermeer Don Pullen op piano en George Adams op tenorsaxofoon. Ze speelde nummers van het dubbelalbum Changes. Zaterdag traden de saxofoonlegendes Johnny Griffin, Eddy ‘Lockjaw’ Davis en Benny Carter op, terwijl later het trio van pianist Cecil Taylor was aangekondigd. Steeds als het podium ook maar even leeg was, greep vocalist Babs Gonzalves de microfoon voor een conference en een stemoefening. Zondag was het de beurt aan Jean Toots Thielemans en het festival werd afgesloten met een optreden van het kwartet van McCoy Tyner.

Bert Vuysje (later de vader van de auteur van Alleen maar nette mensen) heeft van het festival verslag gedaan in een van zijn boeken. Onder de titel Coda Roermond 1975 schreef hij over het moment dat Cecil Taylor zoek was: “Will mister Taylor please come to the stage”, werd enkele malen omgeroepen. Maar Taylor verscheen niet op het podium. Hij stond tussen het publiek gezellig te kletsen, terwijl Jean “Toots” Thielemans, zittend op de trap van de toiletwagen, een paar Belgische grappen ten beste gaf. Toen Clark Terry zijn acrobatische trompet en bugelklanken liet horen, bracht iemand uit het publiek hem spontaan een doos met twaalf blikjes bier.

Voor mij begon het allemaal met McCoy Tyner. Daarna kwamen John Coltrane, Charlie Parker, Dizzy Gillespie, Chet Baker, Keith Jarret, Thelonius Monk, Willem Breuker, Leo Cuypers, Greetje Bijma, Han Bennink & Micha Mengelberg, Hermine Deurloo.

Op een foto uit 2010 zit de eenenzeventigjarige Tyner grijnzend achter de vleugel. Een pet op het kalende hoofd, een colbert dat te wijd om zijn smalle schouders hangt. In een interview met de Vlaamse radiozender NPR antwoordt hij op de vraag hoe het komt dat hij op hoge leeftijd nog zo vingervlug is: Ik hou van wortelsap. Wortelsap is echt goed voor je. Wortelen en selderij. Vergeet de selderij niet.

Dit bericht is geplaatst in zaliger nagedachtenis met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *