Winterboek

Zondag dertien februari om elf uur ’s ochtends zingt het Linnaeuskoor in bibliotheek De Hallen in Amsterdam Oud West. We brengen misschien wel het kleinste programma met de langste repetitietijd. Toen we in het najaar van 2019 ‘Van Heine en verre’ hadden afgerond (teksten van Heinrich Heine op muziek van Mendelssohn, Schumann en van onze dirigent Jan-Paul van Spaendonck), werd een vreemd soort nostalgie over ons vaardig, waardoor we besloten een kleine ode te brengen aan de winters van vroeger. We stelden ons al een tournee voor langs de hoofdstedelijke bibliotheken in het najaar van 2020, want de titel van onze optreden was ‘Winterboek’.

Hadden we al een liedje ingestudeerd? Nu ja, we hadden een begin gemaakt. Onze dirigent had De Chinese fluit opgeslagen, waaruit hij juist een aantal gedichten had vertaald en gepubliceerd bij de Avalon pers. Daaruit koos hij De boer in de winter, en zette dat vers van Hans Bethge (1876 – 1946) naar Su Tong Po (1037 – 1101) op muziek waar in de verte Schuberts Gute Nacht, het eerste lied van Die Winterreise in doorklinkt. Hélène Swarth (1859 – 1941) had een gedicht geschreven over een straatzanger die met een stem die beeft van kou en honger een liedje zingt van verwelkte bloemen. Dat vroeg natuurlijk om een toonzetting die herinnert aan Schuberts Der Leiermann.

Het liedje van verwelkte bloemen vonden we terug in de Sint Nicolaascantate van Bernard Zweers, een compositie voor kinderkoor uit 1890, een hit die tot diep in de jaren vijftig rond Sinterklaas op de radio te horen was. Het tweede liedje van de cantate heet Het weer is guur en daarin staan de regels: en ’t laatste bloemken in den hof verwelkte en boog ter neer in ’t stof. Dat moet de tekst zijn die de straatzanger met bevende stem ten gehore bracht. Hélène Swarth schreef De straatzanger in 1892.

In de zomer zaten we in de tuin onder de appelboom. Van de eerste schrik om pandemie en lockdown bekomen, hadden we ons voorzien van spijs en drank, en probeerden voorzichtig nog een liedje; IJsbloemen. Onze enige mannentenor, nestor van ons koor, ontbrak. In de tuin zal het nog wel lukken om anderhalve meter afstand van elkaar te houden, maar bij het opscheppen van het eten lijkt me dat vrijwel onmogelijk, had hij gemaild. Palm en orchis van kristal om een bevroren woud. Zachtjes klonk het en onwennig.

Ondertussen zat muzikant, contrabassist, Daniël van Huffelen vast in een hotelkamer in Marokko. Voorlopig gingen er geen vluchten terug naar Nederland. Hij verveelde zich, vroeg iets te componeren. Van Spaendonck stuurde hem het gedicht Zonder zon van Herlinda Vekemans. We kregen een compositie terug die we in de nazomer van 2021 begonnen te repeteren en die ons eerlijk gezegd nog altijd niet vertrouwd is.

Toen premier Rutte vlak voor Kerstmis de maatregel afgekondigde die later de vergislockdown is genoemd, dorsten we nauwelijks hopen op een uitvoering.

Het werd 2022. We kregen de beste wensen van onze tenor die we al bijna twee jaar niet hadden gezien of gehoord. Nu eerst die Omikron-golf zien te overleven, schrijft hij monter. En hij vraagt: Wat is dat met een optreden in februari? Wanneer en waar?

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *