Van IJmuiden tot Plum Beach

Soms moet ik naar het strand. Ik liep het duin over en merkte op dat de zee nog nooit zo ver weg was en dat ik in de verte de skyline van Zandvoort niet zag. Er was geen horizon. De zee loste grijsblauw op in de ochtendnevel en de ochtendnevel vermengde zich ongezien met de zee. Veel dichterbij en zeker anderhalve kilometer ver tekenden zich haarscherp drie, vier silhouetten af. Andere vroege vogels die de zee naar zich toe had getrokken. Achter me vermoedde ik gestage neerslag van fijnstof, de giftige kleuren waarmee de zon op kwam.

Ik begaf mij in de intimiteit van de weidsheid, ploegde door mul zand, verpulverde mesheften, zwaardscheden, scheermessen (ensis ensis) die bij duizenden waren aangespoeld, kruiste tractorsporen en waggelde over geribbelde vlaktes die op een reuzenwasbord leken en liep langs een poel die was achtergebleven toen het zeewater zich had teruggetrokken. Ik tuurde naar het zuiden, waar niets was te zien en luisterde naar de branding, zo ver dat je hem niet kon horen.

Al die lege schelpen, al dat verdorde wier. Al die afgeworpen veren, kwallen lilden reddeloos in het zand, krabbetjes die van geen krabbengang meer wisten, probeer dan maar niet aan Leo Vroman te denken. Acht oktober 1994 was hij op Plum Beach bij Brooklyn New York. Ik heb het zelf gezien in een documentaire op de televisie. Tineke en hij en een camerateam dat buiten beeld bleef. Bijna tachtig was hij toen hij stilstond bij een paar damessandalen dat daar stond op een aangespoeld stuk hout.

Zo stil bleef het niet. Het was tijd om de honden uit te laten. Aan mijn linkerzijde waren de strandhuisjes verdwenen en in de poelen tussen de strandbanken waadden honden, sprongen op de kant en schudden hun vachten om er vervolgens als een speer vandoor te gaan achter een gele tennisbal aan. Een witte collie volgde zijn baas die in sportkleding voort holde en snel kleiner werd.

Thuis zette Vroman zich in zijn stoel met een pen en papier en schreef: de zon scheen en / we zagen een meisje / uit haar muiltjes verdwenen.

Ik raapte een grote strandgaper op, wreef er het zand vanaf en stak hem in mijn achterzak. Op het strand lag een hoopje kleren waar twee hoofden bij hoorden, die ver in zee oplichtten in het water, maar hun stemmen kon ik wel horen. Twee banken dieper in zee ging een man op een fiets voorbij en door de mist in het zuiden zag ik iets dat op Bloemendaal leek.

Vroman vult de schoentjes met herinneringen die de zijne niet zijn: De verf was aan de hielen / door haar lichtgewicht versleten / Door haar vader vergeefs gekocht / om wat iemand wilde en niet mocht / weer goed te praten. / Achtergelaten / en niet vergeten.

Of zou ze in haar badpak op haar muiltjes naar Plum Beach zijn komen lopen, daar haar sandalen hebben achtergelaten op het hout en zijn gaan zwemmen? De camera bleef gericht op de schoentjes en op de speculerende blikken van Vroman en zijn vrouw. De zee ruiste onzichtbaar op de achtergrond. Zij waren de enigen op het strand. Ook al wist Vroman zeker dat Tineke en hij het meisje zagen. Tot de laatste strofe:

Waarom en waar moet dat heen / met alles en iedereen / zo verdwenen / op Plum Beach / waar de zon scheen en / we haar niet zagen. //

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld, zaliger nagedachtenis met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *