Stroomstoring

Mijn middelbare schooljaren speelden zich voor een belangrijk deel in Kennemerland af. Eerst zat ik in Driehuis op school, de laatste drie jaren in Zeewijk, IJmuiden. Als het even kon, ging ik met de fiets; bij Halfweg het spoor over, de  Spaarndammerdijk af naar Santpoort en verder, maar als het regende of ’s winters koud was, reed ik met lijn tachtig en zeventig van de NZH via Haarlem richting Velsen en IJmuiden.

Ik hoorde op het nieuws van vijf uur van de stroomstoring in en rond Amsterdam. Voor half zeven hoefde ik niet naar school, er was dus nog tijd om af te wachten hoe een en ander zich zou ontwikkelen. Anderhalf uur later verschenen de eerste foto’s van een in duisternis gehulde hoofdstad op Twitter bij berichtjes van reizigers die keer op keer waren teleurgesteld in de berichtgeving van de NS-reisplanner. Het werd me langzaam duidelijk dat ik rijdend openbaar vervoer het best ver van Amsterdam kon zoeken. Mij schoot een oude route te binnen; die met de bus naar Haarlem Station en dan naar het Noorden.

De herinneringen aan toen, ze zullen er wel zijn, maar oproepen kan ik ze niet. Lopen door natuurgebied Duin en Kruidberg, feestjes op het strand, we waren naar een schoolmusical geweest op het Pius X College in Beverwijk en kwamen ’s avonds terug in een opgewonden roes, op B-day zongen we alle liedjes van The Beatles de hele dag mee met de radio.

Na mijn examen en de diploma-uitreiking ( Mijn moeder en ik waren te laat. De bus had een lekke band en we moesten uren wachten op een andere.) ben ik er niet meer terug geweest. Ik ging studeren in Amsterdam en maakte er nieuwe vrienden. Soms ontdekte ik sporen van mijn schooljaren in boeken die ik las. De cour van Gymnasium Paulinum is het decor van een sneeuwballengevecht in een van de romans van Jacq Firmin Vogelaar (1944 – 2013), De dood als meisje van acht of Weg van de pijn, ik weet het niet meer. De hoofdpersoon van Het Gym van Karin Amatmoekrim (1977) groeit op onder de Sterflat in Zeewijk,  juist waar het Ichthuscollege  stond. De wijk moet, sinds ik daar weg was, in hoog tempo zijn veranderd. En een paar maanden geleden publiceerde mijn klasgenoot uit de derde, Vincent van Warmerdam (1956), de kleine roman De Plectrumfabriek, waarin we getuige zijn van de coming of age van Wessel in het IJmuiden van de late jaren zestig en de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw.

Op station Haarlem trof ik een trein richting Alkmaar en Hoorn die niet alleen op de borden werd aangekondigd, maar zelfs al klaar stond aan het perron. Ik zette mij verwachtingsvol aan het raam. De aangekondigde route riep iets van nostalgie in mij wakker en maakte me nieuwsgierig. Bloemendaal, Santpoort-Zuid, Santpoort-Noord, Driehuis, Beverwijk, Heemskerk, zou ik een glimp op kunnen vangen van de Wüstelaan, waar ooit een schoolfeest was, van het viaduct over de Hagelingerweg desnoods, waar ik dagelijks twee keer onderdoor fietste, zouden de sportvelden voor de school vlakbij het station er nog zijn?

Toen het zover was, drukte ik mijn neus tegen het raam en staarde in een onbestemde duisternis.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *