Slotakkoord

Twee weken lang trokken buien over het land. Uitlopers van stormen die in de kuststreken van Les Alpes Maritimes en Liguria voor serieuze problemen hadden gezorgd. Door de ramen van het lokaal zag ik de bomen heen en weer zwaaien en het verbaasde me dat de werveling van losgewaaide bladeren uitbleef. Was de herfst dan nog niet gekomen? De jagende wolkenluchten waren er ook de volgende dagen. Daarna woei de wind de straten droog, ook waar daarnet nog plassen waren. Ik zag mijn kans schoon en pakte de kooimaaier uit het schuurtje om het gras te maaien, dat was tenslotte ook al veertien dagen geleden.

De regen heeft het grasveld goed gedaan. Het huivert niet meer van voorjaarskou en herinnering aan een droge zomer. Voor de maaicilinder springt een bruine kikker op. Ik stop en volg het beestje met mijn ogen, verzeker mij ervan dat hij een goed heenkomen heeft gevonden tussen het blad van de ooievaarsbekken onder de fazantenbes voor ik de messen weer laat draaien.

Van alles het laatste, denk ik. De heliantus lemon queen, van de honderden bloemen zijn er nog maar een paar over, de kleinbloemige zonnebloem en de rode dahlia ‘bishop of landalf’ die door de wind zijn omgewaaid en nu hun kop opsteken uit het gras. De blaasjesboom (koelreuteria paniculata) die zijn bladeren nog even laat oplichten in goud en rood, voor hij ze vallen laat. Tegen de muur het slotakkoord van wingerd met kleuren van groengeel en donkerrood, een zweem van blauw. Daarboven de aanstaande herfsttooi van de valse christusdoorn (gleditia sunburst).

De volgende ochtend is het zeven graden. Zonnestralen projecteren een regenboog tegen de loodgrijze noordwestelijke hemel. Ik zie hem oplichten door een glasgordijn van pijpenstelen. Als het later weer droog is geworden is er een roodborstje op het plaatsje. En tegen de houten schutting, tussen de ranken van de clematis, vermoed ik een winterkoning. Een spreeuw ontfermt zich over de laatste bramen, koolmezen inspecteren de kroon van de appelboom op wat er van hun gading is. Bij zeven graden groeit het gras niet meer.

De kou op mijn wangen, koele lucht om te ademen. Was ik de lethargie van de zomer beu? Was het verlangen naar de geur van aarde en van rottend blad, cantharellen en stekelzwammen op het bord, knolselderij en eekhoorntjesbrood, of gewoon de herinnering aan de kou uit een tijd dat de paniek, het virus en wij nog niet samen waren.

De laurier moet worden gesnoeid. Twee groenbakken vol en daarna aan je handen ruiken. Kruidig en vol, niet scherp, niet groen, niet aan drop denken. Denk aan de frisheid van water (waar ruikt water naar?), denk ook aan de geur van je huid. En dan nog niet je handen  wassen.

Met een zwaai breng ik een lange tak over mijn hoofd naar de snoeischaar die hem kort zal knippen in de container. Dan sta ik ineens in een roze wolk van rozenblaadjes. De laatste bloemen van de New Dawn die bloeien waar de zon dit jaar niet meer zal komen.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *