Schietbaan

Je kunt maar op een plaats tegelijk zijn, en dan nog. Een dertienjarige jongen staat tussen de mensen bij het hek van de kazerne te kijken. Amersfoort,1943. Een groepje gevangen is daar aan het graven. Ze waren zeventien mei van kamp Vught overgebracht, ‘Zebra-Juden’ werden ze genoemd, om hun gestreepte kleren. Er is een soldaat bij. Hij heeft een geweer, kijkt naar de grond en loopt wat heen en weer. Iemand vraagt wat dat moet worden, of dat soms een schietbaan moet worden? Om er aan toe te voegen: ‘Ik denk het wel: een schietbaan’.

Diezelfde zeventiende mei was in alle vroegte een groep van 573 joodse gevangenen uit Westerbork aangekomen op het station. Er volgde een tocht van een uur die, bepakt en bezakt, te voet werd afgelegd naar het Kamp dat aan de Zuidkant van Amersfoort lag. Best mogelijk dat Herman Dirk van Dodeweerd, dertien jaar, dat gehoord heeft, maar de jongen die later Armando (1929 – 2018) zou worden, heeft zich waarschijnlijk omgekeerd om nog even door te slapen. Hij woonde niet ver van het kamp.

De website van Kamp Amersfoort noemt enkele namen van de nieuw aangekomen gevangenen, zoals de in Amsterdam geboren kapper Hartog Kesnig (gevangene nummer 213; 1914-1985) en zijn in Antwerpen geboren vrouw Esther Kesnig-van Loggem (# 214; 1923-1996), die hoogzwanger was van hun eerste kind. Zij hadden op de Blasiusstraat 75 II gewoond en de dameskapperszaak van Hartog bevond zich aan de Weesperstraat 60. Het kind dat vier dagen later geboren wordt, krijgt de naam Raymond en is de enige baby die in Amersfoort in gevangenschap het levenslicht ziet. Deze week bracht De Volkskrant het nieuws dat Raymond Kesnig, tweeëntachtig jaar, in België is teruggevonden. Dat hij in het kamp geboren was, wist hij wel, dat het Kamp Amersfoort was, wist hij niet.

Dezelfde website noemt de slechte behandeling van de mannen die aan de schietbaan werkten. Omwonenden hielden de gordijnen dicht om de mishandelingen niet te hoeven zien en buurtkinderen probeerden broodpakketjes naar de mannen te gooien, waarbij zelfs is geschoten op een weghollend meisje. Armando herinnert zich hoe hij een dag later ging kijken of de gevangenen er nog waren. Hij ziet een man die achterom kijkt: ik keek even de andere kant op. Hij greep in z’n binnenzak en gooide met een grote boog een brood over het hek. Een gevangene ving het op en liep er mee weg. Verder niks. Wat is dat toch jammer. De onwetendheid. De onmacht. Zo staat het in De straat en het struikgewas.

11 januari 1944 werd het jonge gezin naar Bergen Belsen getransporteerd. Daar is Raymond doof geworden. Elke week werden vijftig kinderen verzameld voor duistere doeleinden omdat die kinderen nooit werden terug gezien. Esther had Raymond verstopt maar die begon na de selectie te huilen. De kleine Raymond werd door een bewaker boos weggesmeten, met een blijvende handicap tot gevolg.

Vijftien jaar na de oorlog werden Esther en Raymond op een Amsterdamse markt herkend door een medegevangene. Die herinnerde zich de selectie van de kleine kinderen en het wrede voorval met de baby van Esther. De vrouw was in de stellige overtuiging dat het jongetje dat niet had overleefd. Toen Esther de juiste toedracht vertelde en op de zwijgende Raymond wees, barstte de vrouw uit in onbedaarlijk huilen.

Armando weet nog dat de schietbaan nooit is gebruikt, hij lag in een uithoek van het kazerneterrein en niemand heeft er ooit naar omgekeken. Het was een schietbaan van niks.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *