Tijdens de Covidpandemie gebeurden er twee dingen met Thomas Rosenboom (1956). Het romanproject waarmee de gelauwerde schrijver van ‘Gewassen vlees’ en ‘Publieke werken’ bezig was, strandde, waarna Rosenboom besloot zijn lier aan de wilgen te hangen, en hij werd op zesenzestigjarige leeftijd vader van Anne. Over die laatste gebeurtenis schreef hij het boek ‘Late vader’ dat vorige maand verscheen. In het slothoofdstuk neemt de schrijver ons mee naar Haarlem, eind jaren zeventig, de beginjaren van zijn schrijverschap. Hij gaat op bezoek bij de dichter Jan E. om een avond over literatuur te praten.
Jan E., dat kan Jan Eijkelboom (1926 – 2008) zijn en Jan Elburg (1919 – 1992). De eerste valt af; de stadsdichter van Dordrecht woont niet in Haarlem, de andere Jan had inderdaad begin jaren zeventig voor 104.000 gulden een tandartswoning gekocht op de hoek van de Van Eedenstraat en de Lakenkopersstraat en woonde daar met zijn vrouw Michèle en Marlina en Rengert, zijn kinderen. Rosenboom schrijft: Hooggestemd belden we aan, in blijde verwachting ook, alsof wij patiënten waren en E. een prop uit onze dichtader ging verwijderen.
Maar in plaats van literatuur begint de gastheer over zijn vakantie; Schotland, haaientanden zoeken op het strand. Kenden we dat? Nee? Nooit gedaan?
Elburgs biograaf Jan van der Vegt (1935) schrijft over de vakantie van 1979: Op 3 juli vertrokken ze uit Haarlem en vier dagen later zagen ze Skye terug, waar ze in Uig de veerboot namen naar Tarbert. Bijna drie weken hebben ze over Lewis gedwaald en naar de overblijfselen uit neolithicum, bronstijd en middeleeuwen gezocht. Er staat een steencirkel die op Stonehenge na de indrukwekkendste is van de Britse eilanden, de Stones of Callanish.
Rosenboom kreeg een blikje bier, E. nam nog een kop koffie, stond op, pakte een kleinood uit een vitrinekast, liet het zien. ‘Hier, van de megalodon, een tand van tussen de 22 en 23 miljoen jaar oud, wel zo’n beetje het summum in haaientandenland. Elburg was een verzamelaar. In zijn werkkamer hing zijn collectie dranketiketten, een wand van de serre was bestemd voor de antieke handvuurwapens, de hal bood plaats aan de hoorns van een gems, een kop met gewei van een edelhert, enkele jachtgeweren en wat oude pistolen, waaronder zijn eerste antieke ruiterpistool. Wie keek nog op van een vitrinekast voor de fossiele vondsten uit Schotland in de woonkamer? En nu willen jullie natuurlijk weten hoe die tanden op het strand gekomen zijn en waar ze vandaan komen, gaat E. verder.
Dat wilden wij helemaal niet weten, wij wilden weten wat literatuur was, schrijft Rosenboom. Jan E. is niet te stoppen, ook als het niet over Schotland gaat. In Zeeland is het ook goed fossielen zoeken; kom, hoe heet dat strandje bij Borssele ook weer… de Kaloot! Ja, ga daar eens heen! Elburgs moeder kwam uit Yerseke, de smaak van mosselen en oesters en de geur van de zee kende hij van de bezoeken aan zijn grootouders.
Als Rosenboom afscheid heeft genomen van Jan E. loopt hij enigszins verward terug naar het station. Had hij wel met een schrijver gesproken? Het dichterschap van E. leek wel helemaal verdwenen, zou dat kunnen, eerst dichter zijn en dan niet meer? Misschien alleen als je vader werd…
Het antwoord op die vragen kwam veertig jaar later.