Een kikker boven een vraagteken

We benutten de meivakantie om een oude belofte in te lossen. Het is wisselend bewolkt met brede opklaringen. Niet te koud en niet te warm, juist goed voor een bezoek aan de Waalse provincieplaats Namen. De Tom-tom leidt ons eenvoudig de stad in naar de Sint Albanuskathedraal, waar we een van de laatst overgebleven parkeerplaatsen vinden. Christus en vier apostelen zien vanuit de hoogte toe op onze bijzondere verrichtingen.

Een kleine twintig jaar geleden waren we er ook. Negentien augustus 2000, om precies te zijn. Het museum Félicien Rops werd verbouwd, de vaste collectie was goeddeels achter slot en grendel geborgen. We kochten een toegangsbewijs voor honderd francs en betraden het herenhuis aan de Rue Fumal. Er hing een aantal riviergezichten met roeiboten; niet bepaald waar men voor komt als men benieuwd is naar het werk van de grote Belgische etser, karikaturist, vrijdenker, illustrator en pornosoof, al mogen we niet vergeten dat Rops ook de drijvende kracht was van de Royal club nautique van Sambre-et-Meuse, voor welke club hij ook wedstrijden heeft geroeid. Nauwelijks een kwartier later verlieten we teleurgesteld het museum. We zouden een andere keer wel eens terugkomen.

Nu staan we voor Satan semant l’ivraie, Satan zaait het raaigras, een heliogravure uit de reeks Les Sataniques uit 1882. De duivel is een reusachtige man, zo mager als een skelet met een grote zwarte hoed op zijn doodshoofd. Zijn pose herinnert aan de beroemde reclame van Turkenburg zaden uit Bodegraven, zoals die tot 1970 overal in het land op emaillen borden te zien was. De zaaier van Rops strooit het kwaad in de vorm van vrouwen over zijn akker: de stad Parijs. De horizon is op ongeveer een derde van de onderkant getrokken, de linkerklomp van de duivel stapt juist op de twee torens van de Notre Dame terwijl de rechterklomp loskomt uit het Quartier Latin aan de andere kant van de Seine. Dus zo is de Franse hoofdstad aan haar reputatie van lichtzinnigheid gekomen.

Rops was er dol op. Hij had zich er in 1874, in zijn eenenveertigste levensjaar, voorgoed gevestigd en genoot van de metropool, de veelheid aan indrukken, de moderniteit. Hij sloot vriendschap met de fotografen Felix Nadar en Etienne Carjat, en maakte het vluchtige van het stadse leven tot het onderwerp van zijn schetsen: scènes uit het uitgaansleven, het theater, de café’s. Parijs klauwt zich van alle kanten aan je vast en je kan deze duivelse stad nooit verlaten, schrijft hij aan zijn vriend Edmond Carlier.

Kort daarna verliest hij zijn belangstelling voor de Parijse achterbuurten om in de vorm van de allegorie in te zoomen op het belangrijkste personage ervan, de vrouw als personificatie van het kwaad. Rops vervaardigt een serie van vier prenten met de titel Les Dames au pantin, de dames met de marionet. De eerste is nog vrij onschuldig; een verleidelijke vrouw in uitgaanskleren houdt een ledepop in haar linkerhand. Ze kijkt hem aan met de blik van een overwinnares. Op de tweede versie staat de vrouw met ontblote borsten aan een altaar. Uit de buik van de trekpop rollen goudstukken in een schaal. Op het altaar staat: Ecce Homo, zie de mens. Op versie drie staat de vrouw bij een waterbekken waar een slang om kronkelt. De harlekijn spartelt nu in de opgeheven rechterhand . In haar linkerhand draagt de vrouw een bebloed mes. Aan de voet van het bekken zit een nar met een macabere zotskolf, de waanzin en de dood. Vrouw, bekken en figuranten bevinden zich op een verhoging met een bas-relief, waarop in kapitalen staat ubi mulier, waar is de vrouw? Een trede lager zit doodstil een kikker boven een vraagteken.

De man is de trekpop van de vrouw, de vrouw het instrument van de duivel. Ingewikkelder was de wereld nog niet.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *