Vraag Maxime Garcia Diaz (1993) wat haar favoriete schrijfgerei is en ze laat haar telefoon zien. Ze schrijft het liefst onderweg, haar mobiel heeft ze altijd bij zich en als ze wil, kan ze de tijd tussen schrijven en publiceren met de smartphone minimaliseren tot nul, terwijl de tekst een ogenblik later alweer kan zijn gewist, al blijven er altijd wel sporen op het net. Pieter-Jan de Paepes favoriete boek van Peter Handke (1942) is ‘De geschiedenis van het potlood’ dat in vertaling van Hans Hom als deel 101 verscheen in de Privédomein reeks. 250 pagina’s aantekeningen, invallen, natuurbeschrijvingen, herinneringen en citaten uit de periode 1979 – 1980. Over het potlood staat niets in het boek, maar De Paepe verklaart de titel met de opmerking: ‘Het potlood is altijd bij de hand, het geeft aan het geschrevene het karakter van directheid en vluchtigheid.’. Maxime Garcia Diaz moest nog geboren worden, de eigenschappen van het favoriete middel om mee te schrijven lijken dezelfde te zijn gebleven.
Is Koos van Zomeren (1946) op pad, dan gaat alleen de hond mee, en de laatste tijd een stok. Om te schrijven kan hij niet zonder een elektrische Olympia schrijfmachine en de nodige linten en correctierolletjes natuurlijk. W. F. Hermans (1921 – 1995) had er aan één niet genoeg, zijn 160 exemplaren zijn te bewonderen in een speciale kamer van Boekhandel Limerick in Gent. Dirk van Weelden (1957) eerde zijn overleden vriend Martin Bril met de roman Het laatste jaar. De vertellers van het boek zijn negen schrijfmachines waarop Bril zijn stukjes tikte. De schrijfmachine van Arthur van Schendel (1874 – 1946) was van het merk ROYAL, maar die kwam pas op tafel als de roman in handschrift voltooid was. De collectie van de Arthur van Schendel stichting bewaart ook de nodige penhouders en potloodstompjes (2HB). Schrijvers waardeerden de schrijfmachine om het mechaniek en de relatie tussen mens en apparaat, uitgevers waren blij dat ze nu makkelijker het manuscript konden ontcijferen.
Als mensen bij lezingen aan Erna Anker, de protagonist van Het einde van Erna Ankersmit, de nieuwe roman van Anna Enquist (1945), vragen hoe ze schrijft, zucht ze en zegt: lieve mensen, ik schrijf met potloden. Ze staan in een bosje op mijn tafel en een goede puntenslijper is goud waard. Potlood is beklijvend en tegelijkertijd ook niet. Dat geeft net een kiertje waartussen je iets op durft te schrijven. Voor Erna zijn de directheid en de vluchtigheid van het potloodschrift geen waarden op zich. Ze dienen om de schaamte te overwinnen. Schrijven is een pretentieuze dekmantel voor een gebrek aan moed. Stel je voor, dit schrijft een tachtigjarige die kan bogen op een breed gewaardeerd oeuvre.
Schrijven met de computer doet ze ook wel, maar net als Van Schendel, helemaal op het laatst. Het zou net zo goed door een ander geschreven kunnen zijn, denkt ze dan, dat het van mij komt is onzichtbaar geworden.
Is het de geur van cederhout, het zachte geluid van potlood op papier, de ergernis van een gebroken punt, de guilty pleasure van het kluiven? Ze schrijft er niets over dan liever het geklooi met potloden die door het veelvuldig slijpen dagelijks slinken, nog even overleven in zo’n handig potloodhoudertje en daarna als nutteloze stompjes in een oud koekblik verdwijnen.
Die potloodhoudertjes. Zijn die eigenlijk nog te koop?