Een betere burger

In de post van zeventien juli op zijn blog De Nieuwe Contrabas neemt Chrétien Breukers ons mee terug naar de jaren tachtig en negentig. Er klinkt weemoed door in zijn herinneringen aan de boekenbijlagen van De Volkskrant, NRC/Handelsblad, Trouw en Het Parool die hij elke vrijdag en zaterdag verslond; aan het ongeduldige wachten bij de kiosk op donderdag tot Vrij Nederland er was met de bijlage De Republiek der Letteren. En hij was de enige niet. De rest van het weekend werd er met de jongens (in de herinnering van Breukers waren het vooral jongens) diepgaand over gedebatteerd. ‘Titaantjes in spe’, noemt hij ze, want Nescio (1882 – 1962) is nooit ver weg.

Wat nu weemoed van het wachten op de weekendkranten? Nu is er internet en kunnen we waar en wanneer we maar willen kennis nemen van het laatste literaire nieuws op de sites van uitgeverijen, sociale media of gespecialiseerde podcasts als Boeken FM en Tzumcast.

Maar Breuker bedoelt iets anders: Wat me wel zorgen baart, soms, is de manier waarop de literatuur zich in het verdomhoekje heeft laten duwen, na een bloeiperiode die begon na de Tweede Wereldoorlog en  ergens aan het eind van de vorige eeuw definitief ten einde liep. Hoe kon het gebeuren dat een kunstvorm zo gemakkelijk afstand deed van zijn maatschappelijke relevantie?

In het vraaggesprek dat Jelle van Baardewijk (1982) voor het platform De Nieuwe Wereld een maand geleden voerde met schrijver en adjunct-hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer Joost de Vries (1983), komen een aantal antwoorden op deze vraag langs. Zo is er meer concurrentie. In Amsterdam zijn er tweehonderd theaters, op televisie kun je naar meer dan honderd kanalen kijken. De culturele piramide die ooit door de grote drie werd aangevoerd, is afgevlakt. De Vries daagt zijn ondervrager uit de grote drie van nu te noemen. Zelf komt hij met Beyoncé, die hij gelijk hors categorie verklaart. Van Baardewijk moet aan Matthijs van Nieuwkerk denken en daarna valt de naam van Linda de Mol.

De Vries voert aan dat eertijds auteurs ambtenaar, diplomaat of arts waren en midden in het maatschappelijk debat stonden, terwijl nu het gemeenschappelijk frame is versnipperd, verbubbeld en verliteratuurd.

Waarom is het auteurschap zo uitgehold geraakt, dat auteurs alleen nog gezien en gelezen worden als ze zich als clown opstellen?, sombert Breukers voort. Volgens De Vries komt het omdat belezenheid en pretentie de afgelopen jaren in een kwaad daglicht zijn komen te staan. Ze zijn synoniem geworden aan snobisme en arrogantie. En, voegt hij eraan toe, dat zou wel eens te maken kunnen hebben met het gegeven dat literatuur nu eenmaal moeilijker toegankelijk is dan film, een tv-show of populaire muziek.

Breukers begint zijn post van vier augustus als volgt: Mijn naam is Chrétien Breukers, ik ben 55 jaar oud en ik lees. Dat doe ik al bijna mijn hele leven en ik ben er geen beter mens van geworden. In het vervolg neemt hij een onderzoek van KVB boekwerk, het wetenschappelijk bureau van het boekenvak, op de korrel dat onder de titel De impact van het boek, het belang van het boek en de boekhandel voor mens, maatschappij en economie in het voorjaar van 2019 verscheen. Uit het onderzoek blijkt dat lezen goed is voor mensen, dat ze er een betere burger en een betere werknemer van worden en zelfs gezonder. Voorts draagt de boekhandel en de bibliotheek bij aan de sociale cohesie en mag ook de economische bijdrage van de hele keten, van schrijver tot lezer/schouwburgbezoeker niet onderschat worden.

Breuker moet er niets van hebben. Als mensen politiek gaan bedrijven met het lezen, en met de handel die rond het lezen van boeken is opgetuigd, en als mensen het lezen gaan inzetten als een instrument waarmee je ideologie bedrijft, kun je maar beter oppassen., schrijft hij. Lezen om een beter en gezonder mens te worden of omdat het beter is voor de buurt, is hem een gruwel. Lezen biedt me een vrijplaats, waar ik kan experimenteren met wat ik denk, durf te denken, ooit zou kunnen denken. Lezen is voor Breukers anarchistisch of in elk geval experimenteel gedrag.

Ik stel vast dat de blogger van De Nieuwe Contrabas een andere persoon is dan de ongeduldige kioskbezoeker uit zijn herinneringen aan de vorige eeuw. Waar de laatste hoopte dat iets van het belang en gewicht van de literatuur met een hoofdletter zou afstralen op de lezer, bewaakt de eerste angstvallig de vrijheid om te lezen en niet te lezen wat hij wil.

Zodat het de eigenwijze lezer is, die de maatschappelijke relevantie van de literatuur heeft ondermijnd.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *