Chefsache

Voor alle mensen die bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen niet zijn gaan stemmen omdat, ongeacht de uitslag en ondanks schandalen, moties van afkeuring en opgezegd vertrouwen, de minister president niet opstapt, is ‘Zee nu’, de nieuwe roman van Eva Meijer (1980) een troostrijk boek. Aan de komst van het water en de zee, gaan verhalen vooraf. Lieke Marsman, ‘Het tegenovergestelde van een mens’ uit 2017,  Marijke Schermer publiceerde ‘Noodweer’  een jaar eerder, ‘Klifi’, van Adriaan van Dis en ‘Hier komen wij vandaan’, van Leonieke Baerwaldt, die allebei vorig jaar verschenen en nu een nieuwe Eva Meijer.

Uitbaters van strandtenten en metaaldetectorspeurders hebben het eerst in de gaten dat na de vloed, de eb uitblijft. Ze maken er een foto van en plaatsen die op internet. Als enige tijd later het water tot aan de duinen staat, trekt dat de aandacht van lokale overheden die wetenschappers aan het werk zetten om gegevens te verzamelen. Vanaf dat moment vloeit de zee elke dag een kilometer verder het land in en begint het een zaak te worden voor burgemeesters, veiligheidsregio’s, de minister van Infrastructuur en Waterstaat, wordt het een Chefsache. De minister president die ons in Zee nu wordt voorgesteld, komt ons vertrouwd voor. Hij stond bekend om zijn pragmatische houding. Sommigen noemden hem daarom een bedrijfsleider in plaats van een moreel leider. Hij lag er niet wakker van: hij deed precies wat er van hem verwacht werd. Soms was het alsof hij het land zelf was.

De volgende dag is er een persconferentie. Als de regeringsleider de stand van zaken en de voorgenomen maatregelen heeft opgenoemd besluit hij met: Dan geef ik nu het woord aan mijn collega van Infrastructuur en Waterstaat over de praktische kant van de zaak. In de achtergrond zien we nog snel de doventolken van plaats wisselen.

De regeringszetel is al twee keer naar hoger gelegen delen van het land verplaatst, als op een stormachtige dag, de premier een taxi belt en zich naar de zee laat brengen. Hij  had het gevoel dat de situatie hem ontglipte en wilde met eigen ogen zien hoe het ervoor stond. Hij was het water ingelopen. Op het moment dat hij weg wilde, eruit, dat de paniek haar gladde koude handen om zijn hart legde, was hij al te ver weg, vermengden zijn gedachten zich al met het water dat zijn longen in kwam, adem werd water, lichaam werd het water dat het altijd al was.

En zo wordt de staatsman een van de personages die een zelfgezocht einde vonden door het water in te lopen. Meiland, de kweker uit Lie Tze spreekt een schedel toe, van Tonnus Oosterhoff (1953). De verlegen jongen op het strand uit Canzone 4711 van Lennaert Nijgh (1945 – 2002), Meneer Sommer uit het verhaal van Patrick Süsskind (1949), Badal van Anil Ramdas (1958 – 2012) en Japi, de uitvreter uit het gelijknamige verhaal van Nescio (1882 – 1961). Een politicus kan slechter terecht komen.

Daarna reizen we mee met Arie, Wilg, Steen en een hond zonder naam. Ze hebben een boot gehuurd waarmee ze tussen boven het water uitstekende kerktorens, schoorstenen en kantoorflats naar  het westen navigeren, op zoek naar de kat van Steen die Wezel heet, de moeder van Wilg en de belofte van een grote liefde voor Arie.

Dit bericht is geplaatst in tussen tuin en wereld met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *