Onorthodox

De studie Nederlandse taal- en letterkunde verkeert dus in zwaar weer. Het aantal studenten is in acht jaar tijd gehalveerd mede doordat leerlingen op de middelbare school de liefde voor de moedertaal onvoldoende krijgen bijgebracht. Deze week mengde Lotte Jensen zich in de discussie. Zij is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis. Het komt door misplaatste beeldvorming, betoogde ze in de Volkskrant van 22 september: ‘We hebben allemaal kunnen zien hoe het Nederlands in rap tempo aan status ingeboet heeft in het academische onderwijs: 74 procent van de masteropleidingen is al in het Engels en het aantal Engelstalige bacheloropleidingen groeit ook snel.’ Scholieren hebben dat ook in de gaten en investeren liever in Engelse taalvaardigheid om hun kansen op een succesvolle vervolgopleiding te vergroten.

Jochem Riesthuis is docent amerikanistiek en Engelse letterkunde en hij merkt niets van toegenomen belangstelling voor de studie anglistiek aan de universiteit. Er is geen crisis in de neerlandistiek, schrijft hij in de Volkskrant van 24 september, er is een crisis in de letteren. Alle talen (…) zijn kleine studies, of dat aan het worden. Hij weet ook dat dat niet komt door misplaatste beeldvorming zoals Lotte Jensen schreef: Net als andere schooltalen heeft het Nederlands last van het feit dat een student zich voor tienduizenden euro’s in de schuld moet steken en na de studie alleen een middelbare-schoolleraar denkt te kunnen worden. Dat is een zware baan die niet bovenmatig goed wordt betaald. Scholieren zien hun jonge docenten in de (financiële) problemen zitten, en bedanken daarvoor.

Kiki (32) – niet haar echte naam – behaalde na vier jaar studeren een master in de filosofie en in de geschiedenis. Ze was hoofdredacteur van het filosofietijdschrift Cimédart van haar faculteit en droomt ervan te schrijven, te creëren en een bijdrage te leveren aan het culturele leven, maar vindt daar maar eens werk in de nasleep van de economische crisis. Dagblad Trouw maakte een interview met haar. Ze somt de baantjes op die ze sinds het einde van haar studie heeft gehad: promotie voor een galerie (gênant slecht betaald), redactie voor een uitgeverij (vrijwilligerswerk), inmiddels staat ze al drie jaar voor de klas. Onlangs stond ze in een galerie met twee andere vrouwen te praten. Een heerlijk gesprek, de kennis die ze had opgedaan bij haar studies geschiedenis en filosofie kwam tot zijn recht. Wat zij eigenlijk deed, werd haar gevraagd. “Na mijn mededeling dat ik in het onderwijs zat, zag ik de teleurstelling van hun gezicht druipen.”

Ze ervaart haar werk als uitgesteld bestaan. Waar blijft die debuutroman? Klaslokaal en lerarenkamer doven haar creativiteit; koffietentjes zijn achter de horizon verdwenen.

Het televisieprogramma Brandpunt + meldde vorige week dat Pieter Jan Leusink, dirigent, oprichter en eigenaar van The Bach Choir and Orchestra of the Netherlands, door vier vrouwen die nauw met hem hebben samengewerkt, is beschuldigd van machtsmisbruik en verregaand seksueel grensoverschrijdend gedrag. Onafhankelijk van elkaar vertellen de vrouwen tijdens de uitzending dat  de dirigent een zeer onorthodoxe aanpak  heeft waarbij hij hun mentale en fysieke grenzen overschrijdt.

Op de site van de NOS lees ik de details, die ik hier om redenen van welvoeglijkheid onvermeld laat. Maar om één ervan kan ik toch niet heen. De vrouwen vertellen dat ze het moeilijk vonden om tegen de maestro in te gaan, bijvoorbeeld toen hij zei dat al mijn andere opties vreselijk zouden zijn (…) dat ik waarschijnlijk zou eindigen als lerares en steeds verder en verder verwijderd zou raken van mijn droom.

Zodat ik mij realiseerde dat de praktijken die aan de kaak worden gesteld via #MeToo mede mogelijk worden gemaakt door de verslonzing van ons onderwijs.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Zoutelande

Volgens Claudia uit Polen is ‘geheugen’ het lelijkste Nederlandse woord. Het is moeilijk, die harde g-klank kent ze niet in haar moedertaal. Myrthe uit de Verenigde Staten noemt als antwoord op dezelfde vraag het woord ‘vruchtbaarheid’ en ze trekt er een vies gezicht bij. Caroline uit Spanje denkt als eerste aan het woord ‘ziekenhuis’, dat is een plaats waar je niet graag zijn wil, voegt ze er aan toe. Trochillo uit Argentinië heeft er lang over gedaan om de Nederlandse uu-klank onder de knie te krijgen. Zij vindt ‘tureluur’ het lelijkste woord. Alle meiden studeren Nederlandse taal- en letterkunde. Begin augustus waren ze op stagebezoek bij het Amsterdamse Meertens Instituut waar de Nederlandse taal en cultuur wordt onderzocht en gedocumenteerd.

We werden deze week wakker met het nieuws dat het aantal studenten dat Nederlandse taal- en letterkunde studeert aan Nederlandse universiteiten schrikbarend is gedaald. Aan de Vrije Universiteit, dat overigens altijd al de kleinste afdeling Nederlands had, hebben zich dit studiejaar slechts zes eerstejaars aangemeld. Op de foto in de Volkskrant zitten ze allemaal op een rij aan evenzoveel aaneengeschoven tafels in een mistroostig zaaltje. Tegenover hen leunt hun docent Johan Koppenol (spijkerbroek, roodgeruit overhemd, het zandkleurige colbert heeft hij over de stoel voor zich gehangen) tegen de muur. Op tafel herken ik het boek Handgeschreven wereld, Nederlandse cultuur en literatuur in de Middeleeuwen uit 1995 van Dini Hogenelst en Frits van Oostrom en een editie van het liedboeck van Bredero (1585 – 1618).

Het klopt dat het aantal studenten Nederlands sinds 2010 ongeveer is gehalveerd en dat voor het voortbestaan van de studie moet worden gevreesd. Marc van Oostendorp (1967) onderzoeker aan het Meertens Instituut en hoogleraar te Nijmegen, denkt dat dat komt omdat leerlingen op de middelbare scholen de liefde voor het vak te weinig krijgen bijgebracht. Hans Bennis (1951) hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en secretaris van de Taalunie, herinnert zich dat toen hij in 1970 ging studeren er vijfhonderd eerstejaars waren.

Ja, dat was zo. Ik begon in 1974 met de studie Nederlandse taal- en letterkunde en ik meen dat we met meer dan driehonderd waren in een overvol Instituut voor Neerlandistiek aan de Amsterdamse Herengracht waar docenten en studenten van de verschillende vakgroepen zich hadden ingegraven in een methodestrijd en elkaar de tent uitvochten.

Een kleine tien jaar later waren we klaar. De jaren tachtig zaten niet op ons te wachten (de jaren tachtig zaten op niemand te wachten). We knipperden met onze ogen tegen het zonlicht, citeerden Nescio (1882 – 1961): Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd, en gingen onze eigen weg.

De tijden van Matthijs Siegenbeek (1774 – 1854) en Johannes Kinker (1764 – 1845), de eerste hoogleraren in de Neerlandistiek zijn voorgoed voorbij, maar de Nederlandstalige rap bloeit als nooit tevoren, Nederlandse poëzie trekt op steeds meer podia steeds meer publiek en dankzij de liedcultuur in dialect weet iedereen waar Zoutelande ligt. Het vak Nederlands is verbrokkeld en opgegaan in disciplines als Communicatie- en informatiewetenschappen, humanities, digital sciences en cultural studies. De missie van een levende eenheidstaal in een krachtige natiestaat is vastgelopen in de dilemma’s van de postmoderne geglobaliseerde samenleving en ik denk dat dat goed is.

In Vlaanderen is de studie Nederlands nog vast geworteld en in Polen, de V.S. en Indonesië melden zich elk jaar meer studenten om aan een studie Nederlands te beginnen.

Überhaupt, is volgens Sara uit Boedapest het lelijkste Nederlandse woord.

Want dat is Duits.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Lijn 13

Waar zijn we? Op de eerste bladzijden van ‘Straks komt het’, de nieuwe roman van K. Schippers (1936), wordt een bezoek aan de lijstenmaker beschreven. De ik-persoon wilde een foto uit het kader nemen om hem in een map te doen, maar de foto bleef aan het glas plakken (‘hoe gebeurt zoiets?’). Hij is bang om de foto te beschadigen en besluit de hulp van een lijstenmaker in te roepen. ‘Ik steek over naar de vroegere Mazzo, dwars door het verkeer.’ Mazzo, dat weet ik, dat was de discotheek die van 1980 tot 2004 was gevestigd aan de Amsterdams Rozengracht op nummer 114. Even later bevinden we ons, met de hoofdpersoon,  in de lijstenmakerswinkel. Er staat: ‘Buiten gaat lijn 13 voorbij. Ik hoor en zie het, op geur en tast wordt geen aanspraak gemaakt.’ Daar stop ik met lezen.

Op 22 juli is de Noord/Zuidlijn in gebruik genomen. Behalve dat er een nieuwe metro door nieuwe buizen onder de oude binnenstad en het IJ heen en weer ging rijden tussen Station Noord en Station Zuid, werd ook het bestaande netwerk van bussen en trams herzien. De lijnen tien en negen werden grotendeels samengevoegd en de tram met het nieuwe nummer 19 rijdt voortaan tussen Station Sloterdijk en Diemen. Lijn 16 verdween van het spoor en voortaan reizen bewoners van Osdorp niet meer met lijn 1 naar het Centraal Station, want lijn 1 rijdt voortaan oostwaarts, naar het Muiderpoortstation. De Gemeente Amsterdam sprak van de grootste verandering sinds de paardentram.

Ik betreurde het verdwijnen van lijn 16, niet omdat ik die tram vaak gebruikte, maar omdat hij een belangrijke rol speelt in Stijloefeningen van Raymond Queneau (1903 – 1976) zoals die door Rudy Kousbroek (1929 – 2010) vertaald en bewerkt zijn. Kousbroek vertelt in zijn inleiding: Exercices de Style is niet een echte roman, maar één zelfde verhaal op 99 verschillende manieren verteld. Het speelt in een Parijse autobus van lijn S, tegenwoordig lijn 84 … . Bus S is door Kousbroek vertaald in tram 16 die het Jan Willem Brouwersplein passeert. De vertaling dateert van 1978. Tien jaar later werd het Jan Willem Brouwersplein omgedoopt tot Concertgebouwplein, veertig jaar later wordt lijn 16 opgeheven. Het zal allemaal weloverwogen en met de beste bedoelingen zijn gebeurd, maar heeft iemand erbij stil gestaan dat en passant Kousbroeks meesterwerk tot historische tekst wordt gemaakt die zonder nadere studie niet meer te begrijpen valt?

Ik kijk op de dienstregeling van het Gemeentelijk vervoerbedrijf (GVB) en constateer verschrikt dat lijn 13 niet langer over de Rozengracht rijdt. De tram gaat via de Leidsestraat naar het Centraal station. Is Schippers’ nieuwe roman dan na één week al historische letterkunde?

Nee, lijn 13 is geen onbetekenend detail. K. Schippers is in Amsterdam West geboren en getogen. Vanaf zijn vroegste jeugd is tram 13 de levensader die West met het Centrum verbindt. K. Schippers zou een andere tram niet eens opmerken.

Ik zoek nog even verder en ontdek dat de veranderde route van de 13 tijdelijk is. Er zijn werkzaamheden op de Rozengracht, men verwacht dat de lijnen 13 en 17 er in oktober weer welkom zijn.

Gelukkig. Anders zou de auteur voor de tweede druk van zijn roman op zoek moeten naar een lijstenmaker in de Kinkerstraat. Maar daar zijn alleen telefoonwinkels en islamitische slagerijen.

En boekhandel Hoogstins natuurlijk.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Tijd om te groeten

In Frankrijk mogen sinds het begin van dit schooljaar op kleuterscholen, basisscholen en collèges (de onderbouw van de middelbare school) leerlingen hun smartphone niet meer gebruiken. President Macron lost er een verkiezingsbelofte mee in en dat is goed voor het vertrouwen in de politiek. De bedoeling is dat  deze maatregel leerlingen tot en met vijftien jaar behoedt voor ‘schermverslaving’ en afleiding in school. In Noord Holland staat een school die doorgaat waar de Franse President is opgehouden. Daar is een ‘pilot’ begonnen om in vier en vijf havo mobieltjes in de klas te verbieden.

Aan mij de taak onze leerlingen daarvan in de eerste les van het nieuwe jaar op de hoogte te brengen. Ik heb hun niet verteld dat we ze zo willen laten ontdekken hoe het is om met lege handen in de les te zitten en ook niet dat ze zo kunnen leren hoe we met sociale media omgaan op school. Ik heb een dia geprojecteerd waarop stond dat na één waarschuwing iedereen die met een telefoon in de weer is bij de afdelingsleidster moet uitleggen wat er aan de hand is. De gemiste lestijd moet daarna worden ingehaald. Een pilot zei ik. Nog voor de herfstvakantie wordt gekeken hoe het gegaan is. En ik heb mijn leerlingen aangeraden bij die evaluatie aanwezig te zijn met een goed onderbouwde mening. Dat er ook nog een mobielvrije week en een studiedag in het vooruitzicht zijn gesteld, zal ik ze later wel vertellen.

De achttienjarige Britt van Baalen uit Rotterdam beviel deze week onverwacht van een zoon terwijl ze op vakantie was in het Egyptische Hurghada. Hulp inschakelen kon Britt niet. “De batterij van haar gsm was plat. ’s Avonds kwam gelukkig een van de jongens van het hotel poolshoogte nemen, omdat ze haar de hele dag nog niet hadden gezien. , aldus de Belgische nieuwssite www.hln.be . Als je zelfs onverwacht kunt bevallen in een Egyptisch hotel zonder telefoon, zal een les Nederlands zonder ook wel te overleven zijn.

Eerlijk is eerlijk, onze school heeft niet de Nederlandse primeur van de telefoonban. Op de site Les and more staat een post van 10 januari van dit jaar, waarin verslag wordt gedaan van ervaringen met maatregelen die zelfs het gebruik van telefoons op de gang verbieden. Leerlingen komen direct je lokaal binnen en nemen nu de tijd om me te groeten., was de observatie van een van de leraren. Het viel een visitatiecommissie op dat leerlingen tijdens de lessen niet werden afgeleid door hun telefoon en de leerlingen geven aan dat het henzelf meer rust geeft en dat vrienden en vriendinnen nu minder op hun telefoon zitten.

Er zijn ook nadelen: Dat je je telefoon niet in de gangen mag gebruiken is heel onhandig, vinden ze. Je kunt dan niet op de rooster kijken. En er wordt veel meer gestoeid op de gangen. Voornamelijk door jongens. Misschien dat we na de pilot voor jongens een uitzondering kunnen maken op het telefoonverbod.

De Volkskrant sprak Franse kinderen over hun ervaringen met volwassenen die opmerkingen hebben over het gebruik van het mobieltje. En wat als je toch echt je mobiel moet checken als dat niet mag? Als ik echt een berichtje wil lezen of sturen, pak ik een boek en verstop ik mijn telefoon daarin. Dan denken mijn ouders dat ik zit te lezen.

Zodat ik hoop dat dit schooljaar meer leerlingen hun boek meenemen naar de les.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Net alsof

Ook toen Leo Vroman nog leefde, was de dood niet ver weg. In 2009 verscheen de bundel ‘Soms is alles eeuwig’ van de dan vierennegentigjarige dichter. Daarin staat het gedicht ‘Als het waar is’. Ik heb het destijds gelezen, maar was het weer vergeten tot het als lied in 2015 op cd verscheen. Frans van Deursen (1962) was de zanger en Bertolf Lentink (1980) had de muziek gecomponeerd. Vanaf dat moment wurmt het bij tijd en wijlen in mijn oor en onderbreken flarden van de tekst zomaar mijn gedachten.

Vier strofen van vier regels en een distichon. Gekruist rijm, vrouwelijk en mannelijk afgewisseld. Vier of drie versvoeten per regel, op de laatste na, die er maar één heeft. Vroman gaat er in het vers vanuit dat hij zijn vrouw Tineke niet zal overleven en is zo vermetel om met haar af te spreken om te komen spoken pakweg drie weken na zijn overlijden. Hoe dat precies in zijn werk zal gaan, zet de dichter uiteen in de derde strofe: Dus wil ik het volgende afspreken. / Zeg maar de derde vrijdagnacht / zal iets je treurslaap onderbreken: / een vers dat je plotseling bedacht.

Zo vreemd is dat niet. Tineke heeft onder haar eigen naam Georgine Sanders (1921 – 2015) drie bundels gepubliceerd en aan verschillende bundels van haar man meegewerkt. Het zal haar wel vaker overkomen zijn dat ze ’s nachts wakker werd met versregels in haar hoofd. Maar dan.

Dan sta je op, schrijft haastig neer / wat al bijna wil verdwijnen, / doet de lamp aan, deze keer / schijnt hij extra hard te schijnen // en je herkent het handschrift weer: /
het mijne.

Het gaat me natuurlijk om die lamp die deze keer extra hard schijnt te schijnen. Wat is het hulpwerkwoord? De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) noemt schijnen in het rijtje van hulpwerkwoorden van modaliteit. ANS verklaart dat een hulpwerkwoord altijd een nadere bepaling is bij de betekeniskern van het zelfstandige werkwoord, maar schijnt zegt evenveel over te schijnen als andersom, zolang we onder schijnen licht geven verstaan. Anders wordt het als we schijnt opvatten als net alsof. Maar waarom zou ik?

Het lost anders wel een hoop problemen op. Dat het maar net alsof is dat de lamp extra hard schijnt, is inderdaad een nadere bepaling. Het drukt bovendien een modaliteit uit. Nu kunnen we aan de slag met twee eenvoudige regels van ANS:

·   in een werkwoordelijk gezegde komt (afgezien van samentrekking) altijd één en niet meer dan één zelfstandig werkwoord voor;

·   bestaat het werkwoordelijk gezegde uit twee werkwoorden waarvan er één persoonsvorm is, dan is het werkwoord dat niet als persoonsvorm voorkomt het zelfstandig werkwoord;

Waarmee schijnt eenvoudig als het hulpwerkwoord kan worden gedetermineerd.

Maar zodra ik dit heb vastgesteld, woelt er protest op in mijn hoofd. Ik sta niet toe dat de mogelijkheid dat de lamp echt extra hard schijnt, en dat het niet net alsof is, zo eenvoudig met een natte lap van tafel wordt geveegd. Van achter de betekenis volgens de grammaticale regels piept hardnekkig het verlangen te voorschijn het gedicht letterlijk te verstaan en zo de mogelijkheid van een postuum gedicht van Vroman waar te maken.

Als dat geen spoken is.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

In het spoor van Linnaeus

Het begint met verwondering. De zon staat hoog boven de velden. Een kleine jongen struint door het gewas. Hij is nergens naar op weg, hij heeft de paden verlaten en richt zijn blikken nu eens naar de grond, dan weer naar omhoog en soms is hij verstopt tussen het hoge gras en kun je hem zien noch horen. Hij volgt de vlucht van de vlinders, probeert het ontluiken van de bloemen te betrappen en voelt het bloed naar zijn hoofd stijgen bij het zien van het gewriemel van de mieren. Råshult, Zweden, begin achttiende eeuw. De kleine jongen heet Carl Linnaeus.

Het Amsterdamse Linnaeuskoor was al twintig jaar oud voor het een gedachte wijdde aan de naamgever van de zanggroep. We dachten vernoemd te zijn naar de Linnaeusstraat in Amsterdam Oost en naar de Linneaushof waar de Hofkerk staat waar we elke woensdagavond repeteren. Toen onze dirigent Jan-Paul van Spaendonck stuitte op een biografie van de beroemde arts, plantkundige, zoöloog en geoloog van de hand van Giancarlo Masini, ontstond het idee van een botanische cantate over de man die met zijn Systema Naturae en Fundamenta Botanica de orde van de schepping een andere wending gaf.

Net als onze naamgever, begonnen wij namen van bloemen te verzamelen: salvia verticillata, atropa belladonna, we volgden de eerste schreden van Linnaeus op het pad van de wetenschap aan de Universiteit van Lund en Uppsala, we huiverden bij het lezen van zijn verslag van zijn eerste expeditie naar Lapland en kregen het te kwaad toen we met Linnaeus vernamen dat zijn beste vriend, de eminente ichtyoloog Petrus Artedi, aan wie hij de beschrijving van de waterdieren had toevertrouwd, was verdronken in de Amsterdamse grachten. We wisten de hand te leggen op de correspondentie van Linnaeus met zijn apostelen, correspondenten die de hele wereld bereisden en terugkeerden met bloemen en zaden van planten die nog niet waren gecatalogiseerd.  Onthutst zagen we hoe de faam van Linnaeus toenam, terwijl zijn lichaamskrachten geleidelijk taanden tot die fatale beroertes die in 1778 tot zijn dood leidden.

In het najaar van 2012 waren we zover dat we de cantate aan het publiek durfden presenteren. Zeven oktober, een zondagmiddag in de Palmenkas van de Amsterdamse Hortus klonk hij voor het eerst, begeleid door Godfried Jansen op piano en Lucas van Helsdingen op sopraansaxofoon en basklarinet. De kas was tot de laatste stoel gevuld, het nazomerlicht scheen op zijn mooist naar binnen en toen de laatste tonen van de finale – Salve, salve Linneo – wegstierven, klonk er een daverend applaus op, dat wij beduusd maar dankbaar in ontvangst namen.

Later hebben wij de Linnaeuscantate nog gezongen in Harderwijk, waar Linnaeus is gepromoveerd, en in de Hortus Botanicus van de Universiteit van Utrecht en Leiden.

Nog vóór de première van de cantate zongen we in de nazomer van 2012 een aantal stukken in de Hortus Botanicus van de Vrije Universiteit. Die Hortus is inmiddels omgedoopt tot Botanische Tuin Zuidas. Wij zijn blij met de gelegenheid om op 23 september de Botanische Cantate Linnaeus in zijn geheel te kunnen laten horen. Zorg dat u erbij bent.

Het Linnaeuskoor  zingt o.l.v. Jan-Paul van Spaendonck: LINNAEUS een botanische cantate. Zondag 23 september 2018 om 14:30 Botanische Tuin Zuidas. Van der Boechorststraat 8 1081 BT Amsterdam. Kaarten kosten € 12,50 aan de zaal of reserveer door € 10,00 over te maken op IBAN NL19 RABO 0118 7035 60 t.n.v. N. van Lieshout

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Uit

De zomer vreet het schooljaar op. Voor de laatste keer gaat de sleutel in het slot om  leerlingen binnen te laten. Maar ze zijn vreemd stil, alsof ze zich niet op hun gemak voelen tussen de tafels en de stoelen in een rommelig lokaal. Op de gangen staan uitpuilende papiercontainers, in de leshuizen is het drukkend warm. Ze komen hun rapport ophalen, maar ze bedoelen te zeggen, ‘geef ons gauw weer terug aan de zomer’. Van een aantal van hen krijg ik een hand voor ze ineens zijn verdwenen.

Het kondigde zich al aan in april. Na de bittere kou van maart brak plotseling de lente door. Korte broeken en spaghettibandjes, open schoentjes, t-shirts en versgelakte teennagels. De dagen werden langer, er kwam kleur terug op de smoeltjes tegenover mij. Tijdens de eindexamens hoorde je alleen het zachte zoemen van de ventilatoren in de hoeken van de zaal. Terwijl de zon alsmaar hoger klom, sloeg het gebouw zijn zonneschermen uit en daaronder openden zich alle ramen. Binnen zwoegden de leerlingen op de laatste toetsen, hun armen plakten aan het tafelblad en als ze opkeken, hoorden ze het lome ratelen van de bladeren van de populieren aan het einde van het grasveld.

Toen ik klaar was met nakijken en de cijfers waren ingeleverd, ging de telefoon in mijn lokaal waar de leerlingen hun werk kwamen inzien. Dat ik het woordrapport nog niet had ingevuld. Het is een goede gewoonte de prestaties van de leerlingen niet alleen uit te drukken in een cijfer, maar ook waardering uit te spreken over werkhouding, planningsvaardigheden en inzicht, met een G van goed, een V van voldoende, een T van twijfelachtig en een O van onvoldoende. Ik klapte mijn laptop open om de omissie goed te maken.

De terrassen raakten overvol. Amsterdamse bruggen werden met water gekoeld om problemen met het hete wegdek te voorkomen. Overal kleurden de bermen geel. De bomen in het park lieten massaal hun schors vallen, van de gazons om de school restten nog wat dorre sprieten. Wanneer roken we voor het laatst de geur van pas gemaaid gras?

Als de leerlingen met hun rapport de school uit zijn, stopt er een bus voor het gebouw. De collega’s zoeken snel een plaatsje. De bus zet koers naar het Noorden en zet ons af bij de boot naar Texel. Op het terras van Paal 9 steekt Chris Froome op de smartphone van mijn collega maatschappijleer, Steven Kruiswijk op drieënhalve kilometer voor de meet voorbij op de flanken van de Alpe d’Huez. Weg kans op een nieuwe naam in het rijtje Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper, Peter Winnen, Steven Rooks en Gert-Jan Theunisse. We smoren ons verdriet daarover in een versgetapt glas Texels Skuumkoppe.

Ze zijn nog even blijven hangen voor het lokaal. Ze staan dicht bij elkaar en vergelijken hun cijferlijsten. Ze zegt: voor alle vakken waar ik naast jou zit heb ik een T voor werkhouding. Hij zegt: en ik een O.

Hij is haar net voor als hij zegt: maar het was wel gezellig.

Geplaatst in bij de les, koers | Een reactie plaatsen

Vijven en zessen

Het was de hele dag bewolkt geweest, maar toen we tegen een uur of vijf het strand op liepen brak het wolkendek en was hier en daar het blauw van de hemel te zien. Er stond een felle bries uit het noordwesten die schuimkoppen op de golven blies die tijdens een opklaring wit oplichtten. We vonden een plaatsje uit de wind aan een van de houten tafels bij het restaurant. Alles was bedekt met een dun laagje zand dat je niet kon zien, maar wel kon voelen als je met je vlakke hand over het tafelblad streek. We bestelden een glas witte wijn, bedachten hoe het leven ook kon zijn en wachtten af.

Op school ging het strand verder. In de aula waren de toneellichten ontstoken en op het podium stond een caravan en een houten bordje met ‘Camping Zonnesteek’ erop. Op grote panelen was een zeegezicht geschilderd dat het Panorama Mesdag naar de kroon stak. Leerlingen van groep acht van de basisschool liepen in fraaie kostuums heen en weer voor de laatste repetities. Ook dit jaar zal de musical weer onvergetelijk worden.

De collega’s van het vak culturele en kunstzinnige vorming  waren druk bezig hun lokaal uit te ruimen. Er stond een mand voor de deur met allerlei hoofddeksels en om elk misverstand te voorkomen was op de mand met grote letters ‘Hoeden’ geschreven. Voor de deur van lokaal 25, waar doorgaans Nederlands wordt gegeven, trof ik een van mijn mentorleerlingen. Hij keek ernstig. Vandaag waren alle cijfers van de afgelopen proefwerkperiode bekend geworden en hij had tot zijn schrik moeten concluderen dat hij met twee vijven en overigens uitsluitend zessen het recht op bevordering naar vijf havo had verspeeld. Het hele jaar had hij gemiddeld voldoende gepresteerd, maar uitgerekend in de laatste toetsperiode had hij het verknald. Of ik er in de aankomende vergadering van alle docenten voor wilde pleiten hem in elk geval tot na de herkansingen in september toe te laten tot het eindexamenjaar.

Hij is de enige niet. Er waren er die voor de laatste proefwerkweken de bui al zagen hangen en mij voorzichtig op de hoogte brachten. ‘Ik wil in de vergadering graag naar voren brengen dat het beter is dat je volgend jaar vijf havo doet,’ antwoordde ik, ‘maar dan heb ik van jou argumenten nodig die dat standpunt ondersteunen.’ Vandaag ontving ik van haar een brief van zes pagina’s die begon met Liefste, beste, leukste docenten! en waarin onder tussenkopjes als inzet dit schooljaar, overtuiging per vak en kans om niet te slagen wordt toegewerkt naar de slotconclusie: Ik hoop ook dat jullie met me mee kunnen leven, want geen enkele leerling wil blijven zitten en zo ook ik niet! Ik nam het epistel in ontvangst, ik zag de trots in haar ogen en ik zei: ik heb het nog niet gelezen, maar ik ben er nu al blij mee.

Als ik later die dag haar ouders bel om aan te kondigen dat aankomende maandag hun dochter besproken zal worden in de vergadering, hoor ik dat ze zich in haar kamer heeft verschanst, op van de zenuwen, heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees.

Ik wilde dat ik de woorden had om haar gerust te stellen.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Half vijf ’s morgens

Een merel floot het thema van ‘Round Midnight’. Niet het hele thema; de eerste vijf noten. Niet in dezelfde ligging; een paar octaven hoger. Niet in hetzelfde tempo; waarschijnlijk flink wat sneller. Het was half vijf ’s morgens. Ik lag op bed en het raam was open en ik had het deze merel de afgelopen week al vaker horen doen op ongeveer hetzelfde uur. En ook die keer had ik bedacht dat het een van de laatste keren zou zijn dat de merel de dageraad luid fluitend tegemoet treedt dit jaar. Twintig minuten later was het voorbij.

Wat hebben vogels met jazz-standards? Het was half vijf ’s morgens in April / (dicht Jan Hanlo (1912 – 1969) in het gedicht ’s Morgens’ dat hij aan zijn moeder opdroeg) Ik liep, en floot de St. Louis Blues / Maar ik floot die op mijn eigen wijze / Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten / gelijken op de zang van de grote lijster / En waarlijk, na enige tijd geleek/ mijn fluiten van de St. Louis Blues / op de zang van de grote lijster: / turdus viscivorus //. Niets. Het is het verlangen van mensen naar een bekende melodie dat de vogels doet zingen op de wijze van W.C. Handy (1873 – 1958) of Thelonious Monk (1917 – 1982).

Wat hebben jazz-musici met vogels? Doet Salt Peanuts van Charlie Parker (1920 – 1955) niet denken aan de roep van de koolmees? Parkers middle name was bird, dat moet toch ergens vandaan komen? In 1949 werd Birdland geopend: een jazzclub die naar Parker vernoemd is. Bij wijze van gimmick was de ruimte versierd met talrijke in kooitjes verblijvende vogeltjes, die echter door de rokerige sfeer al snel het loodje legden. Aldus Wikipedia.

De Nederlandse jazzsaxofonist Ad Colen (1961) trad dit voorjaar in de publiciteit met zijn project a bird’s eye view. Hij heeft de zang van ondermeer de winterkoning, grutto, zwartkop en heremietlijster als vertrekpunt gekozen voor composities waarmee hij en zijn band op zondag drie juni optrad in het programma Vrije Geluiden van de vpro.

Presentatrice Giovanca Ostiana memoreerde dat de spreeuw de lievelingsvogel was van Mozart (1756 – 1791). Ingeborg Seeleman maakte geluidsopnames van spreeuwen rond het Amsterdamse Centraal Station die bedreven waren in het imiteren van het geluid van rolkoffers. Ik kan dus met evenveel recht beweren dat het verlangen van vogels naar een bekende melodie hen doet zingen op de wijze van Monk, Handy of een rolkoffer.

Monk zelf twijfelt tussen een rups en een paard, als wij Lucebert (1924 – 1994) mogen geloven: de duizelingwekkende mandarijn beveelt / afbraak van het porseleinen paleis / wulpse slaven slopen terwijl hij / in zijn jaden grot zich hinnikend inspint //. Het is de klinker i in de zinnen van de dichter, die de dieren verbindt.

Chr. J. van Geel (1917 – 1974) schreef het gedicht ‘Merel in goeden doen’: In ieder woord door hem gezegd / in ieder woord dat op hem lijkt / een blijk met schuingerichte blik / van veel waardering voor de grond. / Geen sein, een antwoord inderhaast / op zoveel grond van vlees waaraan / niet dát ontbreekt, een antwoord op / zijn minst, hij kwettert maar wat raak. //

Hij kwettert maar wat raak, daar geloof ik dus niets van.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

De juiste volgorde

Eva (15 jaar) heeft zich al verkleed als Laura. Ze loopt over het speelvlak met een flesje water en een rietje waar ze in blaast. ‘Laxvox’, roept de dirigent uit, die deze nieuwe techniek van stemvorming kent. Peter Lusse, die de tegenspeler is van Laura, bepaalt zich tot ouderwets toonladders galmen; hij beent op laarzen die hem drie maten te groot zijn tussen de coulissen en de kleedkamers heen en weer. De rietblazer warmt zijn sopraansax en zijn basklarinet op met hees geblaas en een klankenregenboog in allerlei kleuren. Aan de piano oefent het vocaal kwartet nog de finesses van het begeleidingskoor van het meerminnenlied, terwijl de contrabassist  binnenloopt, zijn instrument uitpakt en met een paar gerichte plukgebaren de stemming controleert. Het is half twee, over dertig minuten begint de voorstelling, maar waar zijn de strijkers? ‘Schnabbelaars’, sist Lusse.

De plaats van handeling van de muzikale familievoorstelling De meermin, het monster en de maan is onbestemd, maar niet onduidelijk: in en om de plas die heel goed de Amsterdamse Sloterplas zou kunnen zijn. En waarom niet de blauwe zaal van theater De Meervaart, die immers aan de oever van de Sloterplas gelegen is. Laura is het gekoeioneer van haar ouders zat; ze wil weg, weg, weg. Ze ontmoet een oude visser die alles van haar blijkt te weten en die met een knip van zijn vingers de volle maan aan de hemel laat verschijnen. Laura valt in slaap en als de oude man haar wakker maakt, herinnert ze zich hem uit haar droom, maar als ze in zijn arm knijpt en hem au! hoort roepen, moet ze wel aannemen dat hij echt is. De oude man vertelt Laura een verhaal dat  hij van de vissen heeft gehoord.

Zijn we in het verhaal? In Laura’s droom? Aan de oever van de plas? In het theater soms?

Woorden zijn als noten, aldus Jan-Paul van Spaendonck (1956) die verantwoordelijk is voor het verhaal en de muziek van de voorstelling, het komt erop aan ze in de juiste volgorde te zetten. Het gaat over een boosaardige maar wonderschone zeemeermin die in de wateren ten westen van Amsterdam is terechtgekomen en daar stormen en overstromingen veroorzaakt. De arme boeren en vissers zijn ten einde raad, maar de overheid doet hun zorgen af als bijgeloof. De bevolking weet wel beter: Niks bijgeloof. Het is Selena. Ze jaagt de golven op tot torens van water zo hoog. Een waterbaljuw ontdekt in een oud boek een manier om de zeemeermin in drie minuten onschadelijk te maken. Hoe dat in zijn werk gaat is sinds een dag of vijf op internet te zien; even googlen met de zoekterm redux monstrum, en je vindt het zo.

Wat een mooi verhaal, zegt Laura tegen de oude visser, vlak voor hij afscheid van haar neemt. Zodra hij weg is breekt een onweer los waar Laura van wakker wordt. Van wat er tevoren gebeurd is, kan ze zich weinig herinneren. Ze is alleen met de maan en een zwaan op de plas die als hij haar bemerkt wegvliegt. Dan schiet haar het lied te binnen dat Selena zong en Laura voegt er het hare aan toe op een melodie die in de vorige eeuw klonk op een pleintje in Napels. Daar is nog een foto van.

Een dag later meldt Eva zich op https://www.instagram.com/eva_groenen . Het was een super weekend!! 3 voorstellingen gespeeld van “De Meermin het Monster en de Maan”, heeft ze erbij geschreven.

Misschien is het dus toch echt gebeurd.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen