Hoefgetrappel

Iemand tot lezen bewegen is al schier ondoenlijk, hoeveel moeite kost het dan om iemand aan het schrijven te krijgen. Wij van Nederlands willen het allebei en hebben alles uit de kast gehaald om die ambitie dichterbij te halen. Eerst zijn we met zijn allen naar het Filmhuis gegaan om de film Isabelle van Ben Sombogaart uit 2011 naar het gelijknamige boek van Tessa de Loo (1946) te zien, vervolgens hebben we alle leerlingen voorzien van een leenexemplaar van het boek en daarna zijn we het boekje tijdens de les gaan lezen.

Onze aanpak spoort met de bevindingen en aanbevelingen van Jeroen Dera (1986), dichter, neerlandicus en docent aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Tijdens een op 16 november jl. gehouden symposium Literatuur voor de klas, maakte hij bekend dat leerlingen uit eigen beweging gemiddeld één uur per week lezen, tijdens de vakanties zeven uur. Het bracht hem tot de conclusie dat klassikaal lezen belangrijk is voor de leerlingen om leeskilometers te maken. Begin volgend jaar zal hij zijn onderzoek publiceren in een onderzoeksrapport bij Stichting Lezen.

In hoofdstuk vier van de kleine roman van Tessa de Loo kijkt de aartslelijke kunstenares Jeanne Bitor tevreden terug op haar ontvoering van de beeldschone actrice Isabelle Amable. Enig vooronderzoek naar de dagelijkse routine van Isabelle; haar wandeling naar de lagune tussen de bergen in de Auvergne om er te zwemmen en te zonnen en twee even gehoorzame als meedogenloze pitbulls volstonden. Jeannes eigen onverschrokken koelbloedigheid deed de rest.

Ik maak een rondje door de klas om te inventariseren welke onderwerpen om over te schrijven naar aanleiding van Isabelle, inmiddels zijn ontdekt. Ik heb gewezen op de rode schoentjes van de actrice en dat hun rol in het verhaal wel lijkt op die van het glazen muiltje in Assepoester. Trouwens gaat dat sprookje ook niet over de tegenstelling tussen een lelijke onbetekenende vrouw en de prinses van het bal? En welke rol spelen schoenen in The Wizard of Oz? Ik vond op You Tube korte suggestieve reportages over het beest van Gévaudan, dat tussen 1764 en 1767 huishield in de Auvergne en tussen de 60 en de 123 slachtoffers maakte. De precieze identiteit van het dier is nooit opgehelderd. En wie is die Markies de Sade naar wie Isabelle verwijst als ze over haar tweede echtgenoot komt te spreken?

Tot ik bij een meisje met een flegmatieke blik en lange blonde haren kom, van wie ik weet dat ze van paarden houdt. Ik durf het bijna niet te zeggen, begin ik, maar wat als Isabelle de beschikking had gehad over een goed paard? Zou ze dan aan haar belaagster hebben kunnen ontkomen? Ze kijkt me ongelovig aan, maar is even later over haar papier gebogen om in enkele aantekeningen de mogelijkheden van een dergelijke onderzoeksvraag in beeld te brengen.

Ook als ik voorlees, lees ik sneller dan de meeste van mijn leerlingen. Steeds als het einde nadert van een rectopagina versnel ik een beetje, om na het omslaan vanuit mijn ooghoeken te zien hoe men zich haastig oriënteert op de nieuwe bladzijde. Tien regels verder is iedereen weer bij. Had ik die suggestie wel moeten doen, met dat paard, bedenk ik,  in het hele boek komt  zo’n beest niet voor.

Tot ik er op bladzijde 102 achter kom dat mijn vraag minder absurd is dan gedacht. Jeanne Bitors onderneming dreigt te stranden, ze vlucht haar huis uit en is ineens bang. Ze zullen me komen halen, dacht ze ineens. Ze schoot overeind en spitste haar oren. En ja… in de verte klonk het geluid van motoren… het getrappel van paardenhoeven op de weg… ze voelde de heimelijkheid van een geruisloze omsingeling. En het houdt niet op. Twee bladzijden later staat: Nog steeds hoorde ze het hoefgetrappel. Het rommelde als een naderend onweer onder haar schedeldak.

Het paard hoefde niet sneller te zijn dan de moordzuchtige honden. Jeanne is als de dood voor de edele viervoeter, ze was nooit aan haar snode onderneming begonnen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Dubbel leven

Hij is gekomen met de lange, warme zomer waarin het maar niet wilde regenen en hij is gebleven nu een gure wind uit het oosten de winter naar ons toe blaast. Of hij er het vorig schooljaar ook al was, durf ik niet te zeggen, maar na de vakantie lag hij vaak languit op de koele stoeptegels van de cour voor de glazen schuifdeuren. Hij maakte zijn ochtendtoilet, bleef hooghartig liggen waar hij lag, wie de school wilde betreden,  moest een kleine omweg maken. Maar wacht,  ik schrijf wel ‘hij’, maar eerlijk gezegd weet ik niet of het een kater, een poes of een je-weet-wel is. De kleur heeft hij in elk geval gemeen met de grote rode kater uit Jan Kruis’ Jan, Jans en de kinderen.

Toen het buiten kouder werd,  kwam hij de school binnen. Wekenlang heeft hij gebivakkeerd op de droogloopmat voor de toegangsdeuren. Dat honderden leerlingen binnen dromden of zich naar buiten spoedden, stoorde hem niet noemenswaardig. Op een dag stond er een bakje water en een bakje brokjes klaar. Collega’s die ruim op tijd waren voor hun eerste lessen, bukten zich om het beest te aaien.

 Man + kat = literatuur. Vrouw + kat = poezenvrouwtje., schrijft Vilan van der Loo, om er aan toe te voegen: De oneerlijkheid grieft mij. Ze heeft gelijk. Talrijk zijn de beroemde auteurs die zich met hun kat hebben laten portretteren; Raymond Chandler, Charles Dickens, William S. Burroughs, George Perec, Ferdinand Céline, T.S. Eliot, Mark Twain, Herman Hesse, Boris Vian, maar ook Patricia Highsmith die ik toch geen poezenvrouwtje zou willen noemen. Dichter bij huis zijn Gerard Reve, Willem Frederik Hermans, Midas Dekkers, Remco Campert en Belcampo,  met hun poes op de gevoelige plaat vastgelegd, maar ook Renate Rubinstein, Ethel Portnoy (of zou het de poes van Rudy Kousbroek zijn?), Anja Meulenbelt, Elly de Waard en Mensje van Keulen.

Kees Buddingh’ (1918 – 1985) had een soortgelijk geval aan de hand. Hij schrijft er midden jaren zeventig over in een column in NRC Handelsblad: Een vreemde kat in de tuin: met een air van rustige zelfverzekerdheid alsof het plekje waar hij lag en de omgeving daarvan hem al jaren geleden bij Koninklijk Besluit waren toegewezen. De vanzelfsprekendheid van zijn aanwezigheid beperkte zich niet alleen tot de menselijke bewoners van het huis aan de Bankastraat In Dordrecht, ook kater Sam scheen vrede te hebben met de indringer.

Het duurt niet lang of de vreemde kat, die inmiddels ‘Peerke’ is gedoopt, heeft de mooiste kattenplekjes in de woonkamer bezet. De tuin laat hij aan Sam, constateert de heer des huizes. Maar zo tegen elf uur ’s avonds staat hij voor de keukendeur te draaien. Dan wil hij eruit., en Buddingh’ vraagt zich af: zou hij dan toch een dubbel leven leiden?

Waar zou de schoolkat in de nachtelijke uren huizen? Weet hij in een van de omliggende woningen nog een schoteltje melk te staan? Is dan het struweel om het schoolgebouw zijn jachtterrein?

Van de week zag ik dat hij de droogloopmat heeft verlaten. Hij is de aula aan het verkennen en is gevorderd tot de klapdeuren naar de leshuizen bij de reproruimte. Het zachte spinnen moet een broeden zijn op mogelijkheden die blokkade te nemen.

Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping / is U de zachte nacht bevallen ..  Laat het toch maar een poes zijn, want van alle papieren poezen is de Hemelse mevrouw Ping van F. Harmsen van Beek (1927 – 2009) de grootste.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Klimmen en dalen

‘Werkdruk is een raar iets’, sprak onze schoolleider, ‘iedereen ervaart hem anders.’ Om het wat concreter te maken, startte hij een kleine enquête. Daar klonk al het muziekje van Kahoot, het digitale quizprogrammaatje, door de aula en op het scherm verschenen de namen van de eerste deelnemers. Enkele minuten later bleek dat we het eigenlijk opvallend eens waren. Het waren niet de lestaken die ons de das omdeden, al is correctiewerk niemands hobby. De contacten met leerlingen en, vooruit, met hun ouders resulteerden doorgaans in meer begrip over en weer en kwamen de samenwerking ten goede. Nee, het was ‘de rest eromheen’, die ons regelmatig teveel werd. Studiedagen, lange vergaderingen, oplossingen bedenken waar het probleem ontbreekt, ongevraagd verlengstuk worden van beleid dat buiten ons gezichtsveld was bedacht.

Het gerucht van een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs waarde al een tijdje door de gangen. Tussen twee lessen door en boven de dampende koffie en thee vroegen we elkaar tekst en uitleg over maatregelen die onder het kopje Werkdruk/ontwikkeltijd in de CAO waren opgenomen, maar omdat geen van ons zich er nog in had verdiept, leverde dat alleen maar nieuwe geruchten op, al hadden enkelen van ons deelgenomen aan een Webinar.

Het bleek te gaan om de volgende zes regels op pagina 42 van de nieuwe arbeidsovereenkomst: Indien de maximale lestaak op een instelling op jaarbasis 750 klokuren of hoger is, wordt deze met ingang van 1 augustus 2019 met 30 klokuren verminderd. Deze klokuren worden verhoogd met de opslagfactor zodat daarmee in totaal 50 uur vrijkomt. De vrijkomende uren komen beschikbaar als ontwikkeltijd en tijd voor verdere verbreding en verdieping van de wijze waarop de invulling wordt gegeven aan de lestaak.

Onze rector wees erop dat de nieuwe CAO niet voorzag in financiële middelen om het verlies aan lestijd te compenseren. De arbeidsovereenkomst, waarmee ook het schoolbestuur niet mee had ingestemd, was echter bindend, zodat er niets anders opzat dan met elkaar een mouw te passen aan de naamsverandering van onze werktijd.  Het gemor in de aula wees er ondertussen op dat het tot menigeen begon door te dringen dat we vanaf het volgend schooljaar minder tijd mogen besteden aan wat we het liefste doen, lesgeven, om die tijd vervolgens te besteden aan ontwikkelen, verbreden en verdiepen, woorden die een labyrintisch tafereel opriepen dat aan de geest van Maurits Cornelis Escher (1898 – 1972) ontsproten kon zijn en waarin we liever niet verdwaalden.

De bijeenkomst was vijftien minuten bezig en het was duidelijk dat we iets moesten doen waar het schoolbestuur tegen is, waar onze rector grote bedenkingen bij heeft, en waar niemand van ons zin in heeft.

We kunnen toch niet zomaar onze leerlingen een week geen les geven?, riep onze collega Frans vertwijfeld uit.

Mij schoot het tegeltje van de vorige staatssecretaris van onderwijs te binnen: Als je dingen moet doen waarvan je denkt dat ze geen zin hebben, stop ermee! Doe alleen dingen waarvan je zeker weet: dit helpt mijn leerlingen vooruit. Doe de rest niet! Ik kan niet zo goed tegen de klaagcultuur in het onderwijs, tegen het: ik zie het nut er niet van in, maar… Stop er gewoon mee! Kom in actie! Zeg: ik wil mijn tijd besteden aan de kinderen. Zeg dat op school tegen je collega’s, tegen je baas.

Was getekend: Sander Dekker.

Zei Escher niet: ik speel een vermoeiend spel?

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Gedoodverfd

Als ik per jaar drie films zie, is het veel, maar afgelopen maandag zag ik er één wel twee keer. We hadden de leerlingen van vijf havo op de onchristelijke tijd van tien uur des ochtends uitgenodigd in Filmhuis De Fabriek in Zaandam om naar ‘Isabelle’ te kijken. Om twaalf uur zou de tweede groep van vijfenzeventig leerlingen komen voor de volgende voorstelling. We hebben de film naar het boek van Tessa de Loo (1946) nodig voor een grote opdracht gedocumenteerd schrijven. Als het zaallicht uitgaat en de film is gestart, stommelt nog een verlate groep naar binnen. Ze laten haastig hun jas achter op het podium en zoeken op de tast of met het licht van hun mobiele telefoon een plaatsje op rij één of twee.

Niet lang geleden verdween in Auvergne, een streek in Frankrijk die vermaard is om zijn uitgedoofde vulkanen, groene kratermeren, met amethist geplaveide wegen en huizen van zwarte Volvicsteen, op klaarlichte dag de beroemde filmster Isabelle Amable. Het boek begint als een sprookje. In de openingsscène van de film is meester Bernard met zijn leerlingen in de weer als hij in de verte iets gewaar wordt. Als hij zijn Canon spiegelreflexcamera met zoomlens heeft scherpgesteld zien we met hem dat het gaat om het naakte lichaam van Halina Reijn. Ze ligt op te drogen in de zon aan de rand van het meer waarin ze net heeft gezwommen.

De film speelt niet in de Auvergne, maar in de Belgische Ardennen. Isabelle Amable heet Isabelle Bos. Jeanne Bitor heeft maar één pitbull en die luistert niet naar Jules noch naar Jim, maar naar George Cloony. De ouders van Isabelle komen niet uit de streek, maar hebben een vakantiehuisje gehuurd in de heuvels. Meester Bernard Buffon wordt in de film niet gedreven door een ereschuld jegens de beroemde filmster (Isabelle heeft hem eens gered toen hij in het nauw was gedreven door jongens die hem pestten omdat hij zo dik was.), maar door lust en geilheid. Tot zover de verschillen. In film en boek kijkt men, terwijl Jeanne Bitor in haar afgelegen hoeve het stervende lichaam van Isabelle vereeuwigt, in het café naar de Tour de France.

Ik zat in de tweede klas van de middelbare school en Pater Ritchi had een filmclub opgericht. Voor een klein bedrag liet hij ons kennis maken met hoogtepunten van de cinematografie. In het grootste lokaal was een projector opgesteld en een scherm opgehangen. We zagen er MASH van Robert Altman (1925 – 2006), die toen net uit was, Wilde aardbeien en De maagdenbron (uit 1957 en 1960) van Ingmar Bergman (1918 – 2007) – ik kan me er niets meer van herinneren –  maar het meeste indruk maakte de toverachtig mooie, onbegrijpelijke film Guilietta degli spiriti van Federico Fellini (1920 – 1993) uit 1965. Ik heb nooit meer zoiets gezien.

De jetset verdringt zich op de trappen van filmtheater Tuschinski. De film Zondagskind, met in de hoofdrol de beeldschone Isabelle, wordt er aan de pers gepresenteerd. Onder de journalisten bevindt zich Janine Abbring die de filmster een reactie probeert te ontlokken met de opmerking dat ze zelf ook wel een zondagskind is; mooi, succesvol, gelukkig …? Isabelle spreekt de hoop uit dat haar succes ook een beetje met kwaliteit te maken heeft.

Zeven jaar later zou Janine Abbring een stervende burgemeester van Amsterdam op de Nederlandse televisie interviewen. Dat  wil niet meer uit mijn hoofd terwijl op het doek met elke penseelstreek van Jeanne Bitor het leven wijkt uit het lichaam van Halina Reijn.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Lang niet gezien

Voor hij me aanschiet, groet hij de meisjes. ‘Dag Zelda, dag Kyra’. De meisjes zijn al bijna weggelopen, kijken nog even achterom voor ze opgaan in de drukte van de aula tijdens de middagpauze. Hij is een jongen uit mijn vijf havoklas met twee benen die elk wat anders willen. Het ene wil mee met de meisjes en hem laten verdwijnen in de menigte, het andere zet een stap in de richting van zijn leraar Nederlands. Hij wil me nog wel even spreken over het schoolexamen spellen en formuleren dat hij die ochtend heeft gemaakt. ‘De directe rede’, vraagt hij, ‘dat is toch gewoon met aanhalingstekens en een dubbele punt en zo?’ Ik bevestig het, terwijl hij om mij heen danst, even afstand neemt en weer terugbeweegt. Een choreografie als die van Rudolf Noerejev (1938 – 1993) en Columbo samen. Maar snel.

Dit is het derde schooljaar dat ik hem in de klas heb. Vorig jaar sprak ik zijn ouders op een ouderavond. Jurre zucht onder de vreugden van de jeugd, heb ik gezegd en zijn ouders begrepen wat ik bedoelde. Hij behoort tot de jongsten van de klas, voetballen is zijn lust en zijn leven, hij heeft bijna al zijn energie nodig om te kijken hoe zijn oudere klasgenoten het leven aanpakken en de nood is hoog om even na te vragen als een en ander niet direct duidelijk is. Zijn rug en achterhoofd zijn de lichaamsdelen die mij het bekendst zijn, maar tegen de tijd dat de rest van de klas over hun werk gebogen zit, steekt zijn hoofd daar bovenuit en vraagt: ‘wat moeten we doen?’.

Wie is die jongen / in het midden van de klas / zijn mond en ogen met een lach / alsof het zomer was / wie is die knaap die aarzelt / waar een keuze wordt gevraagd (…), zingt Boudewijn de Groot (1944), het is van alle tijden en het gaat over bijna alle jongens. Je moest toch twee beknopte bijzinnen in je brief verwerken?, informeert hij. Het is een retorische manoeuvre als opmaat moeten voor het moment van trots dat hij zijn oplossing voor de opdracht naar voren kan brengen: om af te koelen, gingen we zwemmen in jullie eigen zwembad. Dat smaakt naar meer, en ik informeer naar de tweede beknopte bijzin. Om voetbal te kijken, kunnen we naar een wedstrijd van Ajax, klinkt het triomfantelijk.

Twee jaar lang is hij voor me weggekropen. Een gevoel van betrapt te zijn, was het eerste dat uit zijn ogen sprak als hij me zag en nu wervelt hij om mij heen; een windhoos van bladeren in de herfst.

Schrijf een verzonnen brief van vierhonderd woorden aan een familielid dat in een ander land woont, luidde de opdracht van het schoolexamen. Jurre richt zich tot zijn neef Dani en verheugt zich op diens aanstaande komst naar Nederland: Als je aankomt dan halen mijn oma en ik jou samen op. Ze zal wel zeggen: “Wat ben je groot geworden!’, maar dat zegt bijna iedereen die je lang niet gezien heeft.

Als ik hem in de ogen zie merk ik dat ik omhoog moet kijken.

Geplaatst in bij de les | Getagged | 2 reacties

Eerlijkheid als paniekreactie

Dagboeken zijn bepaald aan mij besteed. Ik noteer sinds drie november 1981 min of meer regelmatig een en ander in boekjes met een zwartgemarmerd omslag. De oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis (1922 – 2007), die in 2016 en 2017 verschenen, boeiden me tot het einde (bijna tweeduizend pagina’s). Hoe minder er gebeurde hoe nieuwsgieriger ik werd. De ‘dynamische zelfbeschrijving’ die Daniël Robberechts (1937 – 1992) in 1969 onder de titel ‘De grote schaamlippen’ publiceerde, las ik nooit van kaft tot kaft, maar ik mag er graag in bladeren. De dagboeknotities die Kees Buddingh’ met tussenpozen van 23 november 1967 tot zijn dood in 1985 maakte, horen tot het mij dierbaarste uit de naoorlogse letteren, al doe ik dan  Privédomeindeeltjes als Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere (1928 – 2016) en Een jaar in scherven van Koos van Zomeren (1946) misschien tekort.

Aan mijn kleine collectie dagboeken is afgelopen week het boek Dorst toegevoegd. Kroniek van een ‘romantische’ obsessie is de ondertitel en de auteur is Jan-Paul van Spaendonck (1956), toonkunstenaar, zanger, schrijver en theatermaker. Ik  ken hem als de dirigent van het Linnaeuskoor, de zangvereniging waar ik lid van ben. Op zondag 14 januari 2007 noteert hij: Het laatste jaar was een cruciaal jaar. Een jaar van vele dronkenschappen. Een jaar waarin dronken zijn eerder regel dan uitzondering was. Waarin iedere nuchtere dag werd geteld als een bijzondere. De notities in Dorst bestrijken de periode van 13 januari tot maandag 2 juli 2007 en beschrijven in flarden en fragmenten de pogingen van de auteur en hoofdpersoon om van zijn alcoholverslaving af te komen. Ik moet eerlijk zijn, verzucht hij meer dan eens.

Waar komt die fascinatie voor het lezen van dagboeken vandaan? In de eerste plaats natuurlijk van het stiekeme genot iets te lezen wat eigenlijk niet voor mijn ogen is bestemd. Het behoort tot de conventies van het dagboek dat lezer en schrijver een en dezelfde persoon zijn. Elke andere lezer is een voyeur. Daar komt de charme van nog een conventie van het dagboek bij; die van de nietsontziende en schaamteloze eerlijkheid. Omdat het onverdraaglijk is zichzelf voor de gek te houden, is alles wat er in een dagboek staat waar.

Jacq Vogelaar (1944 – 2013) rekende met beide vaststellingen af in een tekst die in 1982 in Raster 20 verscheen onder de titel: Oefeningen in het dagboekschrijven (augustus ’81, tweede keus). Hij schrijft: De schrijver vermomt zich voortdurend. Dus maken ook zijn confidenties deel uit van het spel. en: Eerlijkheid – vaak een vorm van domheid, in elk geval van gemakzucht, omdat je dan geen rekening meer hoeft te houden met situaties. Eerlijkheid als paniekreactie. – Wie besluit altijd eerlijk te zijn laat voor zichzelf beslissen en ziet toe wat zijn eerlijkheid aanricht – en dat dan voor een onontkoombaar feit aanzien. Wie moeten we dan geloven? Vogelaar schrijft: Vertellen kan alleen iemand die zich op zijn gemak voelt en zichzelf vertrouwt.

Laten we aannemen dat dat laatste waar is. De verteller van Dorst voelt zich allerminst op zijn gemak en van vertrouwen in zichzelf is nauwelijks sprake. Gevolg is dat noch de ik-persoon van het boek, noch de persoon die als auteur op het omslag is vermeld in staat zijn het verhaal van de ‘romantische’ obsessie te vertellen.

Kijk hem daar eens zitten: de lezer, die, niet zonder schaamte, is verdiept in de bekentenissen van de met zichzelf worstelende alcoholist. Wie anders dan hij moet nu de verteltaak op zich nemen? Dorst dwingt hem de ongemakkelijke rol van voyeur te combineren met de al even impopulaire positie van klikspaan.

Mooie boel!

Lees Dorst zelf. Het boek is hier te bestellen

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

Bladeren

Ik ging op een zomernacht naar school. Het was half zeven in de ochtend en de hemel was helder. Ik sloot de deur, draaide me om en zag hoog in het zuiden Mintaka, Alnilam en Alnitak, de drie oplichtende sterren, dicht bij elkaar, waaraan je Orion herkent. Het was windstil en ik bedacht: ‘ik wil best zonder jas naar school, maar dan moet het wel licht zijn’. Of nee: ‘ik wil best in het donker naar school, maar dan moet het wel koud zijn’.  En daarna schoten me de eerste regels te binnen van het gedicht ‘We verdampen’ van Lieke Marsman (1990): ‘Het zijn rare tijden, jaargetijden / veranderen en vermijden een confrontatie / met vakantie.’ Want de herfstvakantie was niet ver.

O hushed October morning mild, / Begin the hours of this day slow., dichtte Robert Frost (1874 – 1963). Het was hem te doen om de druiven. Er zijn al kraaien boven het bos. Weldra zullen ze zich groeperen om weg te vliegen. Dan is de kou niet ver meer. Frost vreest dat de vorst de druiven tegen de muur fataal zal worden. Ze hebben nog maar een paar uurtjes zon nodig. Hij vraagt de natuur ons te bedotten en de dag iets langer te laten duren: Retard the sun with gentle mist; / Enchant the land with amethyst. / Slow, slow!

Vanuit het raam van zijn zolderkamer ziet Paul de Wispelaere (1928 – 2016) de herfst naderen: De tuin, bedropen met oktoberverf, begint weer weg te zinken in de tuin. Het grasveld doet zich tegoed aan rottende stoofperen, appels, bottels, bessen en bladeren. Het zuigt de reddeloze zomerdagen in de drassige grond.

Zevenentwintig jaar eerder heeft Leo Vroman (1915 – 2014) de tuin in zijn hand: Ik heb een afgestoten blad waarin / dicht langs de aderen, het smaragd nog leeft, / alsof het nog een kans, een toekomst heeft, / een wonderbaarlijk nieuw begin. / Voorgoed sterft het in mijn hand.

Dat het zaad moet sterven eer het weer kan kiemen, is een dichterlijk cliché, maar niettemin een zekerheid waar ik me aan vastklamp, schreef De Wispelaere. Hij kan niet anders. Hij is in oktober 1927 verwekt. Hij is het resultaat van het zaad dat in oktober is geplant. Het verkoolde alfabet, zijn dagboek 1990 – 1991 dat in 1992 in de reeks privé-domein verscheen, begint in oktober, net als zijn Brieven uit Nergenshuizen  uit 1986 en En de liefste dingen nog verder uit 1998. Beginnen niet al zijn boeken in oktober? De Wispelaere was een van die schrijvers die zijn hele leven aan hetzelfde boek schreef. Het zou dus makkelijk kunnen. Gebouwen worden gesloopt, bossen worden omgehakt, maar aan oktober kan niet worden geraakt. Zie: de bomen houden zich bladstil en beven alleen maar een beetje.

Het bleef geen nacht. De dag kwam met mist en nevel over de velden. De lage zon scheen loodrecht op de ramen van het lokaal. Daar hielp geen zonnescherm tegen, warm licht kwam er eenvoudig onderdoor. Goed dat ik toen het nog donker was, de knoppen aan de radiatoren had toegedraaid.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Buiten lezen

Nathalie Huigsloot interviewde voor HP/De Tijd drie Nederlandse uitgevers: Oscar van Gelderen, uitgever van Astrid Holleeder, Mizzy van der Pluijm, die ondermeer Dimitri Verhulst en Hanna Bervoets uitgeeft en Joost Nijssen van uitgeverij Podium, die Renate Dorrestein en Alex Boogers in zijn fonds heeft. Boven het artikel staat de omineuze titel ‘Wie redt het boek?’. Van der Pluijm is niet zo somber. Ze is juist op internet een serie interviews begonnen waarin Joris Luyendijk schrijvers ondervraagt over hun ambacht. Van Gelderen doet iets soortgelijks; hij maakt podcasts ‘Lopen met Lebowski’ waarin verslag wordt gedaan van een bezoek aan een locatie van een boek. ‘Ik ben ook helemaal niet somber.’ zegt Nijssen:, maar vervolgt even later: ‘het is nú vijf voor twaalf wat het lezen betreft. Het is ook een gevolg, las ik in de krant, van een totaal afgebrokkeld literatuuronderwijs op de middelbare school. Dat is misschien een sombere conclusie, maar het is nu wél heel urgent.’

Vijf voor twaalf, dat is veel te laat in de Noord Hollandse gezinnen vlak boven het Noordzeekanaal. Daar klinkt nog het klokje van zeven uur als de ouders hun kroost naar bed brengen. Hun kinderen herinneren zich tien, twaalf jaar later nog goed hoe dat ging.  Er werd mij veel voorgelezen uit boeken zoals Nijntje, De gruffalo, Dikkie Dik en Pluk van de Petteflet, weet Bara nog. Terwijl mijn vader of moeder iets aan het voorlezen was, kon ik ondertussen meekijken en probeerde ik mee te lezen, schrijft Iris in haar leesautobiografie. Edward beleefde dat anders, hij schrijft: Eigenlijk vond ik het voorlezen niet echt leuk, maar ik deed alsof ik het leuk vond, zodat ik dan het slapen kon uitstellen. Liever had ik nog even gespeeld.

Nee, met de leesbevordering thuis zit het wel snor. Niet alleen papa en mama lezen voor, ook opa en oma vertellen hun kleinkinderen sprookjes of komen met een boek aanzetten voor hun verjaardag. En als ze in groep drie of vier van de basisschool zelf hebben leren lezen, worden boeken dubbel zo leuk. Ik weet er niet veel van, maar wel dat ik met een klasgenootje  en een ouder ging lezen uit een dun boekje. Dat vond ik leuk aangezien mijn moeder zo’n ouder was., vertelt Roana, en Bara schrijft: Ik was al heel snel op school AVI-uit omdat ik echt genoot van het lezen. Mijn moeder moest altijd blijven zeuren dat ik moest gaan slapen, omdat ik altijd verder wilde lezen.

Vier jaar later is het uit met de pret. In groep zeven begon ik veel minder te gaan lezen, omdat ik andere dingen ging doen die ik veel belangrijker vond, zoals met vrienden en vriendinnen sporten. In groep acht was ik helemaal gestopt met lezen, eigenlijk was ik het liefst de hele dag buiten.

Mijn moeder is een boekenwurm, mijn vader leest alleen op vakantie. Welke genen heb ik gekregen?, vraagt Ot zich af. Ook hij merkte dat zijn leeshonger was gestild zodra hij begon te puberen. De Donald Duck was het laatste wat hij uit vrije wil las. Maar er zijn ook leerlingen die worden aangestoken door de thrillerverslaving van hun ouders en die zodra het kan een boek van Saskia Noort proberen. Of kinderen die worden meegenomen door het enthousiasme van hun ouders voor de Harry Potterreeks, al zijn de meesten daarop na deel één en twee wel uitgekeken. Nicole ontdekte na het overlijden van haar vader wat fictie voor haar kon betekenen: Na deze ervaring is het lezen van een fictieboek voor mij een moment geworden waarbij ik even tot mezelf kan komen.

Voor ouders en kinderen geldt dat de vakantie de meeste gelegenheid biedt tot het lezen van boeken. Op vakantie zal ik sneller een boek pakken en ermee in de zon liggen dan dat ik een boswandeling zal maken., zegt Roana. En is buiten lezen niet ook de oplossing voor het dilemma waar Bara zich voor geplaatst zag?

Leesbevordering heeft minder te maken met literatuuronderwijs, dan met arbeidstijdverkorting en inkomensverbetering.

(De leerlingen bestaan echt en de namen ook, alleen heten ze niet zo.)

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Rottend blad en cantharellen

Het was oktober geworden en het was gaan regenen. De ochtend was donker en koud. Het klaslokaal trilde in schel kunstlicht en rook naar natte haren. Buiten bewogen de bomen in de wind die bij vlagen handenvol bladeren rondstrooide. Ze bleven even later liggen op het natte gras of in een plas. ’s Middags klaarde het op en in het laatste licht zag ik dat de lampionboom (‘koelreuteria paniculata’) goudbruin begon te kleuren en dat de wilde wingerd (‘Parthenocissus’) van gisteren op vandaag vuurrood geworden was. Ik liep de tuin in en rook de geur van natte aarde en cantharellen.

Godenspijs of duivelsbrood heet het boek dat Ton Lemaire (1941) in 1995 publiceerde over de vliegenzwam. Terwijl de schrijver antwoord probeert te vinden op de vraag waarom de kabouters bij rode paddenstoelen met witte stippen wonen, geeft hij een overzicht van de rol die paddenstoelen in de mythologieën van Siberië, Amerika en Europa hebben gespeeld van de oudheid tot nu. Fungilore noemt Lemaire de verzamelde kennis van de verschillende volkeren over elfenbankjes, eekhoorntjesbrood, boleten, russula’s, hanenkammen, bundel-, inkt-, stuif- en hoe-ze-ook-maar-mogen-hetenzwammen. Wie vervolgens de fungilore tot object van studie maakt, betreedt het terrein van de etnomycologie.

De cantharel kwam in mijn leven toen ik verliefd werd op A. Zij groeide op aan de rand van het bos op de Veluwe. Als eind augustus de zon nog fel schijnt op de vochtige grond en je voor het eerst de naderende herfst kunt ruiken in het bos, zei ze: ‘ik ga even kijken of ze er al zijn’, om anderhalf uur later met een emmer vol hanenkammen, glanzend als goud en geurend naar peper en pijnbomen, terug te keren.

Godenspijs, zonder twijfel, als wij moesten beslissen in de keuze die Lemaire in de titel van zijn boek voorlegt. Maar paddenstoelen, die soms in één nacht, als uit het niets, opschieten, boezemden de mensen ook angst in. De plant bewaart onderaardse geheimen en wie de vliegenzwam eet, begint eerst hevig te trillen, dan in zichzelf te praten en te murmelen om uiteindelijk vriendelijk glimlachend in volledige lethargie te verzinken.

In De Gallische ziekte onderzoekt Louis Ferron (1942 – 2005) de ontstaansgeschiedenis van het nationaalsocialisme in Duitsland. Hij beschrijft de coming of age van de jonge student Nathanael Prohaska in een samenleving die is getekend door armoede, decadentie, estheticisme, nihilisme, rancune, kleinburgerlijkheid en militarisme. Op de avond van de dag dat Prohaska heeft besloten zich volledig aan zijn dichterschap te wijden, belandt hij, stomdronken, in de armen van een vrouw met een cyclaamrode jurk en witte kousen. Haar zwarte, onnatuurlijk glanzende haar kriebelde tegen mijn wang. Het rook naar een mengeling van kamfer en goedkoop parfum. Schnutzi zelf rook naar rottend blad en cantharellen.

En daar blijft het niet bij.

Schnutzi trok mijn broek uit en vroeg of ik haar uit wilde kleden. Met bevende handen maakte ik haar kousen los en stroopte ze van haar benen. De geur van rottend blad en cantharellen werd nog sterker.

En een bladzijde verder:

Schnutzi deed iets waarvan ik voordien niet had geweten dat het mogelijk was. Het bracht geuren met zich mee die nog erger waren dan die van rottend blad en cantharellen.

Een klontje roomboter in de koekenpan, een gesnipperd uitje en zodra die glazig zijn de grofgesneden cantharellen toevoegen. Een paar ferme halen aan de pepermolen om de smaak op te tillen tot hoog in de neus. Heerlijk op een versgeroosterde bruine boterham.

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Onorthodox

De studie Nederlandse taal- en letterkunde verkeert dus in zwaar weer. Het aantal studenten is in acht jaar tijd gehalveerd mede doordat leerlingen op de middelbare school de liefde voor de moedertaal onvoldoende krijgen bijgebracht. Deze week mengde Lotte Jensen zich in de discussie. Zij is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis. Het komt door misplaatste beeldvorming, betoogde ze in de Volkskrant van 22 september: ‘We hebben allemaal kunnen zien hoe het Nederlands in rap tempo aan status ingeboet heeft in het academische onderwijs: 74 procent van de masteropleidingen is al in het Engels en het aantal Engelstalige bacheloropleidingen groeit ook snel.’ Scholieren hebben dat ook in de gaten en investeren liever in Engelse taalvaardigheid om hun kansen op een succesvolle vervolgopleiding te vergroten.

Jochem Riesthuis is docent amerikanistiek en Engelse letterkunde en hij merkt niets van toegenomen belangstelling voor de studie anglistiek aan de universiteit. Er is geen crisis in de neerlandistiek, schrijft hij in de Volkskrant van 24 september, er is een crisis in de letteren. Alle talen (…) zijn kleine studies, of dat aan het worden. Hij weet ook dat dat niet komt door misplaatste beeldvorming zoals Lotte Jensen schreef: Net als andere schooltalen heeft het Nederlands last van het feit dat een student zich voor tienduizenden euro’s in de schuld moet steken en na de studie alleen een middelbare-schoolleraar denkt te kunnen worden. Dat is een zware baan die niet bovenmatig goed wordt betaald. Scholieren zien hun jonge docenten in de (financiële) problemen zitten, en bedanken daarvoor.

Kiki (32) – niet haar echte naam – behaalde na vier jaar studeren een master in de filosofie en in de geschiedenis. Ze was hoofdredacteur van het filosofietijdschrift Cimédart van haar faculteit en droomt ervan te schrijven, te creëren en een bijdrage te leveren aan het culturele leven, maar vindt daar maar eens werk in de nasleep van de economische crisis. Dagblad Trouw maakte een interview met haar. Ze somt de baantjes op die ze sinds het einde van haar studie heeft gehad: promotie voor een galerie (gênant slecht betaald), redactie voor een uitgeverij (vrijwilligerswerk), inmiddels staat ze al drie jaar voor de klas. Onlangs stond ze in een galerie met twee andere vrouwen te praten. Een heerlijk gesprek, de kennis die ze had opgedaan bij haar studies geschiedenis en filosofie kwam tot zijn recht. Wat zij eigenlijk deed, werd haar gevraagd. “Na mijn mededeling dat ik in het onderwijs zat, zag ik de teleurstelling van hun gezicht druipen.”

Ze ervaart haar werk als uitgesteld bestaan. Waar blijft die debuutroman? Klaslokaal en lerarenkamer doven haar creativiteit; koffietentjes zijn achter de horizon verdwenen.

Het televisieprogramma Brandpunt + meldde vorige week dat Pieter Jan Leusink, dirigent, oprichter en eigenaar van The Bach Choir and Orchestra of the Netherlands, door vier vrouwen die nauw met hem hebben samengewerkt, is beschuldigd van machtsmisbruik en verregaand seksueel grensoverschrijdend gedrag. Onafhankelijk van elkaar vertellen de vrouwen tijdens de uitzending dat  de dirigent een zeer onorthodoxe aanpak  heeft waarbij hij hun mentale en fysieke grenzen overschrijdt.

Op de site van de NOS lees ik de details, die ik hier om redenen van welvoeglijkheid onvermeld laat. Maar om één ervan kan ik toch niet heen. De vrouwen vertellen dat ze het moeilijk vonden om tegen de maestro in te gaan, bijvoorbeeld toen hij zei dat al mijn andere opties vreselijk zouden zijn (…) dat ik waarschijnlijk zou eindigen als lerares en steeds verder en verder verwijderd zou raken van mijn droom.

Zodat ik mij realiseerde dat de praktijken die aan de kaak worden gesteld via #MeToo mede mogelijk worden gemaakt door de verslonzing van ons onderwijs.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen