Een vleug van ontbinding

Dat verlies van geur en smaak een van de effecten is die het coronavirus op het menselijk gestel heeft, is mij bekend. Er is geen lol meer aan uit eten gaan, zo dat nog mocht, als je niets proeft, en als er al een restje van de reuk is overgebleven, dan zorgt dat er voor dat koffie naar uitlaatgassen ruikt. Ik heb het maar van horen zeggen, ik heb het niet ondervonden. Men traint honden om het virus te ruiken. Het zou de ultieme sneltest zijn. Ik heb foto’s gezien van honden die kwispelend langs verschillende trechters lopen die zijn verbonden aan slangen die aan de muur zijn bevestigd. Maar het is vooralsnog onbekend of het virus wel een geur heeft of een geur teweeg kan brengen.

Ik moest achter in de klas wezen. We bespraken het gemaakte schoolexamen. Mijn klassikale uitleg over de waardering van het werk van mijn leerlingen hield aan duidelijkheid te wensen over. Interpretaties blijven er altijd.

Had ik mijn masker op?

Waagde ik het om achter het spatscherm vandaan te komen en mij te storten in het gewoel van dertig opgeschoten puberlijven?

Het was het tafeltje bij het raam, tegen de verwarming. Men had het zich comfortabel gemaakt. Tafels aaneen geschoven. Om op het werk te kunnen kijken moest ik mij over de lijven van een twee andere leerlingen heen buigen. Ik voelde warme lucht langs mijn gezicht strijken, transpiratiegeuren met tonen van zure appeltjes, het muffe van rotte bladeren, een vleug van ontbinding. Lag er ergens een dode muis? Ik dacht: ik heb het virus geroken.

Het werd weekend. Ik verloor mezelf in de onherbergzame landschappen van Asturië waar de Vuelta doorheen trok en huiverde bij de taferelen van de beklimming de gevreesde Alto de El Angliru. Het voorbereidingswerk van Movistar had ertoe geleid dat witte-truidrager Enric Mas in de voorste gelederen was afgezet. Ik maakte kennis met de capaciteiten van Jonas Vingegaard, een jonge Deen in dienst van team Jumbo Visma, die ervoor moest zorgen dat Primoz Roglic van voren bleef. Richard Carapaz, de Ecuadoriaanse uitdager van titelverdediger Roglic, klampte aan, liet een paar meter, keerde terug, viel aan, werd teruggehaald, de twee fietsten zij aan zij op het kleinste verzet, toen een graatmagere Brit in een roze tricot demarreerde die luisterde naar de naam Hugh Carthy. De vogel is gaan vliegen hoorde ik de commentaarstem zeggen. Vijfhonderd meter verder, maar minuten later, stak de renner van Education First als overwinnaar beide handen in de lucht.

Nog voor de les begint, staat de afdelingsleider naast mijn bureau voor vijf havo. De stoel bij het raam aan het tafeltje bij de verwarming is leeg. De GGD heeft gebeld dat de leerling in kwestie coronagerelateerde symptomen vertoonde en positief heeft getest. Toen hij al besmettelijk was heeft hij gedurende de lessen contact gehad met verscheidene leerlingen. De afdelingsleider sommeert de leerlingen voor en naast het lege tafeltje direct naar huis te gaan en daar tien dagen te blijven.

Een half uur later is hij terug om de rest van de klas mee te delen dat ook zij tot maandag in quarantaine moeten. Vijftien seconden later is het lokaal leeg. Ik zet de tafels en de stoelen recht, veeg het bord schoon neem een bekertje koffie en constateer tevreden dat die niet naar uitlaatgassen ruikt.

Geplaatst in bij de les, koers | Een reactie plaatsen

Terecht

Aan het eind van het vierde uur klinkt de stem van een van de medewerksters van de administratie via de intercom. Of de leerlingen van vijf en zes atheneum in het lokaal willen blijven zitten als straks de bel is gegaan. Daar hebben wij van vijf havo geen boodschap aan. De aandacht voor wat er op de schermpjes van de mobiele telefoons gebeurt, verslapt minder dan een ogenblik. Een deel is er door de mededeling aan herinnerd dat de les bijna is afgelopen en begint de tas in te pakken om alvast positie in te nemen bij de deur van het lokaal.

Na de bel, als de klassen zijn leeggestroomd en het leshuis weer leeg is, blijft er een groepje over dat bij de deur in overleg is met de collega aardrijkskunde. Dat er drie leerlingen van het atheneum positief zijn getest, dat zij waarschijnlijk al besmettelijk waren tijdens de afgelopen schoolexamenweek. Wie het zijn, dat mag en wil de collega niet zeggen – de algemene verordening gegevensbescherming en zo – maar voor nu is het beter dat alle leerlingen van vijf en zes atheneum tien dagen in quarantaine gaan. Als je klachten krijgt, kun je een test aanvragen, adviseert de aardrijkskundige, die eraan toevoegt dat hij zal proberen over een half uur online te zijn via Teams. Hopelijk is iedereen eind volgende week dan weer in goeden doen op school.

We begonnen het schooljaar met de geruststellende vaststelling van de overheid en de deskundigen dat kinderen onder de achttien jaar nauwelijks besmetting met het covid-19virus opliepen en zo goed als niet besmettelijk waren. Een week of tien later verschijnen er grafieken (bron: datagraver) waaruit blijkt dat van alle vijf- tot negentienjarigen die de afgelopen tijd zijn getest, ruim twintig procent een positieve uitslag kreeg. Voor alle overige testen is dat percentage minder dan vijftien.

Dat onze besturen  en vertegenwoordigers het inmiddels ook niet meer weten, bleek deze week. De VO-raad en de vakbonden stuurden een open brief aan iedereen die in het voortgezet onderwijs leert of werkt. Aanleiding was het persmoment van de premier en de minister van volksgezondheid van 27 oktober. De redacteur van dienst put uit een arsenaal van oud nieuws en verschanst zich achter een verdedigingswal van hautain paternalisme: We zitten inmiddels in de tweede golf. Een fors aantal leerlingen en personeelsleden is dagelijks op school afwezig. De zorgen bij leerlingen, ouders en onderwijspersoneel nemen daardoor toe. Zorgen over de veiligheid en gezondheid, over de werkdruk en over de onderwijskwaliteit, om er maar een aantal te noemen. Die zorgen zijn natuurlijk terecht.

Dat roept de vraag op wat de raden en bonden daaraan gaan doen. Minder mensen op school? Lessen in leegstaande theaters, bioscopen en concertzalen? Nationale schooltelevisie? Onderwijsvouchers voor alle leerlingen en studenten die in tijden van pandemie geen waar voor hun geld krijgen? Gelukkig laat het antwoord niet lang op zich wachten: Wij, als onderwijsorganisaties, houden continu de vinger aan de pols en vragen hier aandacht voor bij het kabinet. In het belang van iedereen die op school leert en werkt.

Een zucht van verlichting woei door het onderwijsveld.

Opnieuw kraakt de box van de intercom in het lokaal. Een van onze schoolleiders laat weten dat vanaf morgen elke leerling die geen gezichtsmasker draagt zonder pardon naar huis zal worden gestuurd.

De minister van onderwijs hoopt over een dag of zeven zijn werkzaamheden te hervatten. Hij is voorlopig in quarantaine.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Qschool

De teamvergadering was ‘hybride’. Zeven collega’s zaten op ruime afstand van elkaar verspreid door het biologielokaal (wasbak naast een werkbank, opgezette vogels in de vitrinekast), de andere collega’s waren elders en verschenen een voor een op het ‘digischerm’ dat naast het whiteboard stond, er waren er ook die nog door ‘teams’ dwaalden op zoek naar een kanaal dat leidde tot de geplande bijeenkomst. De afdelingsleider zat met zijn rug naar ons toe in het scherm van zijn laptop gedoken om maar zo dicht mogelijk bij zijn teamgenoten thuis te zijn. De collega aardrijkskunde die de taak van technisch voorzitter naar zich had toe getrokken, danste heen en weer tussen zijn laptop en die van zijn direct leidinggevende om te proberen in beeld te komen van de collega’s thuis. Hun respons zong rond en mengde tot een brij waarin nauwelijks betekenis viel te onderscheiden.

Het laatste uur was voor de uitslagen van het tevredenheidsonderzoek  gereserveerd. Ik vind het niet eenvoudig om uit te leggen wat dat is. Trend rapportage staat er op de voorkant van het document, en het gaat inderdaad om een verslag dat elke twee jaar wordt uitgebracht. Wie de samenstellers van het rapport zijn, is niet vermeld. In de inleiding spreekt men van het instrument Qschool waarmee de kwaliteit van de school en/of het schoolbestuur in kaart wordt gebracht. Dan volgt nog meer bestuursbargoens waarbij woorden vallen als dialoog, domein, ambities, maatschappelijke opdracht en stakeholders. Als we door de vijfendertig pagina’s bladeren blijkt het te gaan om een kleine dertig tabellen waarin reacties van schoolleiding, personeel, ouders en leerlingen zijn verzameld op een vragenlijst die hun in het voorjaar is voorgelegd.

Dat was niet zo’n gelukkig moment. Er was een onbekend virus uit Wuhan uit een skihut in Oostenrijk ontsnapt dat zich in ijltempo via overvolle carnavalscafé’s over Zuid Nederland verspreidde en dreigde de grote rivieren over te steken. De Minister President stelde het uitgaansleven op non-actief en beperkte reisbewegingen tot een minimum. Onderwijsminister Slob sloot de scholen en universiteiten. Mijn leerlingen en ik zwaaiden naar elkaar via een krakende internetverbinding.

Het goede nieuws uit de Trend rapportage (de overbodige spatie is van de anonieme samenstellers) is dat onze leerlingen zich tijdens de intelligente lockdown net zo veilig voelden als voorheen. Ook vonden onze leerlingen dat de ict goed werkte. Maar daarmee is het goede nieuws wel op. Ze waren minder gemotiveerd, vonden de regels onduidelijk en de kwaliteit van de excursies was achteruit gehold. De mogelijkheden om zonder rooster te werken waren tot bijna nul gereduceerd; dat klopt, wie niet was ingelogd tijdens de lessen op afstand had een absentiemelding aan zijn broek.

De leerlingen maakten zich zorgen over hun brede ontwikkeling. Ook dat is de logica zelve, wanneer men met huisarrest achter het raam naar het ontluikende voorjaar zit te koekeloeren. Het rapportcijfer dat onze leerlingen de school geven tijdens de gedwongen schoolsluiting is een 6,1. Dat was twee jaar eerder nog een 6,8.

Het oordeel van onze leerlingen over het onderwijs tijdens de lockdown is bepaald geen echo van de succesverhalen over de snelle aanpassingen die we voor de grote vakantie hoorden van besturen, schoolleidingen en een aantal van de collega’s. Maar laat ik voorzichtig zijn. Slechts drie op de tien leerlingen heeft gereageerd op de vragenlijst. Zeventig procent heeft hem als irrelevant terzijde geschoven.

Wat au fond de verstandigste reactie is.

Geplaatst in bij de les | 1 reactie

Slotakkoord

Twee weken lang trokken buien over het land. Uitlopers van stormen die in de kuststreken van Les Alpes Maritimes en Liguria voor serieuze problemen hadden gezorgd. Door de ramen van het lokaal zag ik de bomen heen en weer zwaaien en het verbaasde me dat de werveling van losgewaaide bladeren uitbleef. Was de herfst dan nog niet gekomen? De jagende wolkenluchten waren er ook de volgende dagen. Daarna woei de wind de straten droog, ook waar daarnet nog plassen waren. Ik zag mijn kans schoon en pakte de kooimaaier uit het schuurtje om het gras te maaien, dat was tenslotte ook al veertien dagen geleden.

De regen heeft het grasveld goed gedaan. Het huivert niet meer van voorjaarskou en herinnering aan een droge zomer. Voor de maaicilinder springt een bruine kikker op. Ik stop en volg het beestje met mijn ogen, verzeker mij ervan dat hij een goed heenkomen heeft gevonden tussen het blad van de ooievaarsbekken onder de fazantenbes voor ik de messen weer laat draaien.

Van alles het laatste, denk ik. De heliantus lemon queen, van de honderden bloemen zijn er nog maar een paar over, de kleinbloemige zonnebloem en de rode dahlia ‘bishop of landalf’ die door de wind zijn omgewaaid en nu hun kop opsteken uit het gras. De blaasjesboom (koelreuteria paniculata) die zijn bladeren nog even laat oplichten in goud en rood, voor hij ze vallen laat. Tegen de muur het slotakkoord van wingerd met kleuren van groengeel en donkerrood, een zweem van blauw. Daarboven de aanstaande herfsttooi van de valse christusdoorn (gleditia sunburst).

De volgende ochtend is het zeven graden. Zonnestralen projecteren een regenboog tegen de loodgrijze noordwestelijke hemel. Ik zie hem oplichten door een glasgordijn van pijpenstelen. Als het later weer droog is geworden is er een roodborstje op het plaatsje. En tegen de houten schutting, tussen de ranken van de clematis, vermoed ik een winterkoning. Een spreeuw ontfermt zich over de laatste bramen, koolmezen inspecteren de kroon van de appelboom op wat er van hun gading is. Bij zeven graden groeit het gras niet meer.

De kou op mijn wangen, koele lucht om te ademen. Was ik de lethargie van de zomer beu? Was het verlangen naar de geur van aarde en van rottend blad, cantharellen en stekelzwammen op het bord, knolselderij en eekhoorntjesbrood, of gewoon de herinnering aan de kou uit een tijd dat de paniek, het virus en wij nog niet samen waren.

De laurier moet worden gesnoeid. Twee groenbakken vol en daarna aan je handen ruiken. Kruidig en vol, niet scherp, niet groen, niet aan drop denken. Denk aan de frisheid van water (waar ruikt water naar?), denk ook aan de geur van je huid. En dan nog niet je handen  wassen.

Met een zwaai breng ik een lange tak over mijn hoofd naar de snoeischaar die hem kort zal knippen in de container. Dan sta ik ineens in een roze wolk van rozenblaadjes. De laatste bloemen van de New Dawn die bloeien waar de zon dit jaar niet meer zal komen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Een reactie plaatsen

De Dijle

Black and White werden ze genoemd op het Middelbaar, Emma en Malika. Onafscheidelijk waren ze, stiefzusjes bovendien. Emma, mooi, sexy en slim volgens de eerste zin van het recente boek van Kristien Hemmerechts waarvan ze de hoofdpersoon is. Ze is de dochter van Babs Zwaenepoel en Jan Houthuys. Malika is de dochter van Victorine, de tweede vrouw van Jan Houthuys. Victorine komt uit Ghana en heeft, in tegenstelling tot haar dochter, nooit in België kunnen aarden. Het huwelijk houdt geen stand, Malika gaat terug naar Ghana om te studeren, maar trekt daarna bij Emma in die als ze eenentwintig is, het koetshuis naast het huis van haar vader in Leuven betrekt. Vader Houthuys is met zijn nieuwe vrouw Hope naar Geneve gegaan. Sindsdien staat het ‘vaderhuis’, zoals Emma het noemt, leeg.

Kristien Hemmerechts heeft aan één samengestelde familie, vier buren en een straathond genoeg om haar nieuwe roman Ik ben Emma te bevolken. In hoofdstuk 39 geeft Frederik, de enige zoon van Babs huidige partner Guido, een barbecue in het vaderhuis. Zijn vrienden uit Parijs zijn gekomen, buurvrouw Joni en haar grootmoeder zijn uitgenodigd, net als buurman Gabriël, die de verbouwing van het koetshuis heeft helpen realiseren, en zijn geliefde Nanette, producent van het televisieprogramma Trendwatch. Emma was natuurlijk van de partij en nog wat jongedames die Frederik en co hadden opgescharreld. Malika zou aansluiten zodra ze klaar was met haar vrijwilligerswerk voor de evangelische kerk. Straathond Jack kwispelt al die tijd kwijlend rond de vleesroosters.

Aan het feest komt een abrupt einde als Malika overstuur arriveert. Ze is van de fiets getrokken door een stel onbekenden. Ze kreeg haar fiets terug als ze één negerwielrenner kon noemen. Eén. Zij konden haar niet helpen, want zij kenden er geen. Misschien bestond er geen. Daarna hadden ze haar fiets in de Dijle gegooid.

Amanuel Ghebreigzabhier, schiet me gelijk te binnen, omdat de Eritreeër met rugnummer 153 op dit moment de Giro d’Italia rijdt in steun van Louis Meintjes, al kan ik het Malika ook niet kwalijk nemen dat ze, in de situatie waarin ze verkeerde, niet gelijk deze naam over haar lippen kreeg. Kévin Reza dan. Hij leidde het peloton van de Tour de France dit jaar in de laatste etappe uit Mantes-la-Jolie als een statement van de renners tegen racisme.

Maar toen had Kristien Hemmerechts haar boek al geschreven. De gasten op het feestje weten van geen coronaregels en zijn elkaar ouderwets nabij. Malika moet een renner noemen van voor 2020.  Daniel Teklehaimanot dan toch, hij veroverde in de Tour de France van 2015 in de zesde etappe van Abbeville naar Le Havre de bolletjestrui. Hij was de eerste Afrikaan die ooit het bergklassement aanvoerde en hij wist de trui vier dagen lang om zijn schouders te houden.

Of verder terug, de Algerijn Abdel-Kader Zaaf, in de jaren vijftig ploeggenoot van tourwinnaars als Charly Gaul en Federico Bahamontes. Over hem gaat het verhaal dat hij op donderdag 27 juli 1950 in de dertiende etappe van Perpignan naar Nîmes op tweehonderd kilometer van de meet samen met zijn landgenoot Marcel Mollines ten aanval trok. Vanwege de grote hitte en de riante voorsprong stopte Zaaf om een fles wijn aan te nemen en zijn dorst te stillen. Een tweede fles volgde. Hij stapte daarna weer op zijn fiets en dronken vervolgde hij, al zigzaggend, zijn weg, waarna hij afstapte om onder een boom zijn roes uit te slapen. Het maakte hem op slag tot publiekslieveling die op geen enkel criterium mocht ontbreken.

Vooruit, het zijn geen van allen flandriens, maar was er nu niemand uit de grote Zwaenepoel-Houthuysclan die Malika tijdig koerswijs had kunnen maken?

Geplaatst in koers | Getagged | Een reactie plaatsen

Korte lontjes

Ik schuif de tafels en stoelen uit elkaar zodat er tussen de meubels ruimte ontstaat van anderhalve meter. Dadelijk begint de sectievergadering, de openslaande ramen zijn wagenwijd open en ook de bovenlichten staan op de maximale kier. Buiten ritselen droge bladeren in een zoele wind, de zon strooit haar licht in brede banen tot halverwege het lokaal. Ik kies een plaatsje buiten de tochtstroom in de zon, koester me aan de warmte en wacht op wat er komen gaat.

Het schooljaar is zes weken oud en valt langzaam in een plooi. Nieuwe leerlingen worden bekende gezichten, ik leer elke les meer namen, de uren rijgen zich aaneen tot dagen, de dagen worden korter en de weken vliegen voorbij. Ik ben vergeten hoe we elkaar bij het begin van het nieuwe schooljaar vreemd aankeken na ruim vijf maanden afwezigheid en ons afvroegen hoe het dit jaar zou gaan.

Op de drempel blaast de tocht me tegemoet. Mijn collega pakt zijn spullen bij elkaar en doet ze in zijn tas. Hij wenkt met zijn hoofd naar het plafond waar een van de platen uit het frame is gewaaid. Hij duidt het als een anti-coronamaatregel. Ik knik begrijpend.

  • Meneer, mag ik mijn jas halen, het is hier koud.
  • Het is hier niet koud, het is hier goed geventileerd. En ja, haal jij je jas maar.

De zonneschermen klapperen voor de ramen, de wind giert naar binnen, over de vloer schuiven losse vellen papier. In drie rijen van tien zitten ze dicht tegen elkaar op het scherm van hun telefoon te turen. Er zijn er die hun capuchon hebben opgezet. Met mooi weer gaat dat wel, dat lesgeven met open ramen, maar wat nu de herfst nadert. Ik kijk naar buiten en denk aan regels van Herman de Coninck (1944 – 1997): Hij had gehoopt dat het zonder verzuren kon. / Maar de hele tuin ligt te gisten van uren / regen, en bijna te sissen van één minuut zon. / O, toen alles nog voorbij kon gaan en niets hoefde te duren.

Op vierhonderd scholen in het land zijn collega’s of leerlingen positief getest op het virus. De Telegraaf becijferde dat tien procent van de scholieren thuis zit. Uit voorzorg, in quarantaine, met een snotneus of erger. Ook onze school heeft een klas naar huis moeten sturen nadat een van de leerlingen positief reageerde op de coronatest.

Is het eigenlijk wel te doen, onderwijs zonder nabijheid? Het antwoord lezen we af aan elkaars korte lontjes. Dan piept de lage zon ineens binnen en schittert in het spatscherm op het bureau naast het digibord. Kijk eens hoe vies dat scherm is. Warempel, rondwaaiend stof heeft zich in druppelpatronen verspreid op het plexiglas. Tijdens de plensbuien van vorige week had het flink ingeregend. De plassen stonden op de vloer. En leerlingen verplaatsen naar een droog plekje in een klas van dertig, kon ook niet.

We blijven dan maar bij elkaar uit de buurt. Komt iemand op ons toe voor een vraag of overleg, dan zetten we snel de stoelen uit elkaar en deinzen beleefd terug. Meekijken in een boek of op het scherm is er niet bij. De lege stilte na afloop – geen hand, geen schouderklopje – interpreteren we als een akkoord. Direct daarna weten we niet wat we hebben afgesproken.

Geplaatst in bij de les | Getagged | 2 reacties

Oud alfabet

Toen Gusta/vs moeder overleden was, nam hij haar voorzichtig uit de boot en legde haar op het strand. Zij had de overtocht van het Rijk naar de Archipel niet overleefd. Van verdwaalde balken en verweerde planken maakt hij een soort van baar. Het hout knoopt hij met plantenslierten aan elkaar. Als hij meent dat het plankier klaar is, test hij voorzichtig de stevigheid van de constructie. Eerst kijkt hij naar de zee, dan naar het bouwsel op het strand, daarna legt hij het dode lichaam van zijn moeder erop. Van het overgebleven hout maakt hij een vuurtje. Het lijk bedekt hij met grassen, takken en bloemen die hij aan de bosrand vond. Terwijl hij dit allemaal deed, heeft hij geen woord gesproken. Dat we er toch van weten, komt omdat Henk van der Waal (1960) het heeft opgeschreven is zijn recente boek ‘De Uitbraak’.

Waar komt taal vandaan? Voor elk van ons is die vraag gemakkelijk te beantwoorden. Het was onze moeder die ons de eerste woorden in de mond legde en ons lachend en kirrend aanmoedigde er nog een woordje bij te doen en nog een. Toch is dit maar een voorlopig antwoord. Hoe kwam onze moeder aan haar taal? Het antwoord: ‘van de hare’ bevredigt ons niet.

Johannes heeft dus gelijk als hij aan het begin van zijn Evangelie schrijft: In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het is geen antwoord op de vraag, maar gek veel meer valt er niet over te zeggen. In het boek Genesis wordt de oorsprong van de taal in verband gebracht met de eerste mens. God vormde uit aarde alle in het wild levende dieren en vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. De menselijke taal begint met namen.

Filosoof en sanskritist Frits Staal (1930 – 2012) gaat nog verder terug. Vedische geschriften uit de achtste eeuw voor de jaartelling beschrijven rituele gezangen die geen betekenis hebben, maar wel een structuur: ka hva hva hva hva hva / phal phal phal phal phal /  hau hau hau hau hau /  bham bham … (achttien maal). Het brengt Staal tot de veronderstelling dat de menselijke taal niet begint met woorden en betekenis, maar bij grammatica, zinloze herhaling die we ook herkennen in het getjirp van de krekels, het fluiten van de vogels of het kwaken van de kikkers.

H.C. ten Berge (1938) doet in ‘Neuriën op Nippisak’ verslag van het ritueel van Inuit dat is verbonden met het ijsvissen. Het begint met neuriën, keelklanken die de een van de ander overneemt. Daaruit ontstaan woorden, regels: Buiten is het winters / buiten is het koud die worden herhaald en hernomen door de verschillende groepjes vissers op het ijs: Ay! In de herfst, / op jong ijs – / de forel! Waarop met een zwiep van de hengel een vis uit het water op het ijs belandt. Zoals een konijn uit de hoed van een goochelaar, voegt Ten Berge eraan toe.

Gusta/v steekt met een stok uit het vuur de grassen aan die het lichaam van zijn moeder bedekken. Dan drijft de baar weg met het tij. Vanuit het niets produceert Gusta/v ineens nasale klanken. Ik huil het zingen van de blauwe vinvis en snik het tjilpen van dolfijnen terwijl de branding bruist en spat. Het lichaam van zijn moeder verdwijnt ondertussen verder in zee, terwijl haar zoon op het strand zich afvraagt: wie of wat heeft dat gedaan en welk oud alfabet beroert ineens mijn tong?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Geen balspel

De methodemakers van schoolboekenuitgever Noordhoff menen dat er tekstdoelen bestaan. Ik moest daaraan wennen. Een tekst is toch geen balspel? In het stadion staan doelen, op het handbalveld en ook bij waterpolo tref je ze aan. Mijn taalintuïtie komt in opstand als onbezielde substantiva verantwoordelijk woorden gemaakt voor een doel dat toch onmogelijk anders begrepen kan worden als een bedoeling, hetzij van de schrijver, hetzij van de lezer. Wie teksten verantwoordelijk maakt voor het doel dat ermee gediend wordt, rommelt de communicatieve functie ervan in de coulissen.

Meneer, mag hij ook in de les? Hij heeft een tussenuur. Het is september, ik weet nog nauwelijks namen, maar uit de vraag maak ik op dat de knaap die naast haar staat niet tot een van mijn lesgroepen behoort. Om niet meer moeilijkheden op mijn hals te halen, vraag ik niet hoe hij heet. Ik zie dat er nog een plaatsje vrij is en heet hem welkom.

Het boek blijft nog even dicht. We beginnen aan een nieuw hoofdstuk dat Lezen heet. Ik heb het even doorgekeken en geconcludeerd dat de eerste paragraaf gesneden koek is voor de leerlingen van vier havo. Om toch even te controleren of dat zo is vraag ik hun het boek voorlopig dicht te laten en op te schrijven welke tekstdoelen ze kennen.

Of we wàt kennen?, klinkt het van de achterste rij. Maar anderen bewijzen snel dat de eerste drie klassen van het havo bepaald aan hen besteed zijn. Ik pak mijn bordstift en schrijf mee: amuseren, informeren, activeren, uitleggen, opiniëren – dat woord moet worden uitgelegd – overtuigen, verbieden, amuseren, toejuichen, we krijgen er warempel aardigheid in, zodat ik vraag naar het doel van een liefdesbrief,  versieren, flirten, of die van een tweet, dissen, nodeloos kwetsen, bedreigen. En van een losgeldbrief?, vraag ik; verzoeken om betaling, hoor ik, en chanteren – ook dat woord krijgt een toelichting.

Het kan niet op, zodat we tenslotte teleurgesteld zijn als we het boek open doen en ontdekken dat men daar niet verder komt dan vijf. Als ik vervolgens vertel dat dat vijftal tot het eindexamen nog gereduceerd wordt tot drie; informeren, overtuigen en opiniëren, voelen we ons toch een beetje bekocht.

In de pauze tref ik collega Buitenhuis bij de koffieautomaat. Had jij Kars in de les?, vraagt ze. Ik ga in gedachten alle jongensnamen af van de klassenlijsten. Die van Kars is er niet bij. Hij zei dat hij bij jou in de les was, gaat mijn collega verder, en dat er bij jou wel dertien tekstdoelen op het bord stonden of meer. Ach ja, hij heet dus Kars, mijn gastleerling.

We doen er nog een om het af te leren, de laatste dan, wie noemt er nog een tekstdoel? Bang maken, klinkt het van achter een tafel vooraan. Ik schrijf het op en vraag of hij een voorbeeld weet van een tekst die dat doel heeft.

Hij antwoordt: De Griezelbus, meneer.

Geplaatst in bij de les | 1 reactie

Tant pis

Tik ‘kwart’ en ‘laaggeletterd’ in de zoekbalk van Google en binnen een halve seconde poppen er 25.900 resultaten op die wijzen op de gebrekkige leesvaardigheid van vijftienjarigen in Nederland. Een op de vier van hen zou niet in staat zijn een eenvoudige mededeling te begrijpen, er zijn bronnen die niet terugdeinzen hen functioneel analfabeet te noemen. Dat gaat Helge Bonset (1944), die jarenlang lerarenopleider, vakdidacticus en leerplanontwikkelaar Nederlands was, veel te ver. Volgens hem zijn Nederlandse jongeren zeer goed in staat informatie uit een tekst te halen en ontbreekt het hen alleen aan de vaardigheid om hun leeswerk in verband te brengen met hun eigen leven en de gelezen tekst op waarde te schatten. Tant pis, zeggen de Fransen dan.

In februari van dit jaar interviewde Ad Verbrugge Kees Vernooy (1945), die geldt als een autoriteit op het gebied van effectief leesonderwijs. Op tafel lag de tekst In Barcelona begon de vakantiepret en Vernooy kon desgevraagd bevestigen dat een op de vier jonge lezers stokt bij woorden van meer dan twee lettergrepen. Tot groep vier is er nog niet veel aan de hand. Nederlandse kinderen leren vlot spellend lezen en nemen daarna de vaardigheid van het technisch lezen voortvarend ter hand. Het gaat mis bij het onderhoud en de oefening van die vaardigheden, zodat een groeiend aantal kinderen het nooit brengt tot begrijpend lezen. In 1995 gold dat voor een op de tien kinderen, inmiddels kan dertig procent dat niet aan het eind van groep drie. In plaats van meer tijd te besteden aan oefening om vlot en vloeiend te leren lezen, is er een dyslectie-industrie opgetuigd die gedijt bij de status quo. Leerlingen die de competentie missen om door te kunnen dringen tot de betekenis van de tekst, trekken de conclusie dat boeken lezen saai is. Dat is de logica zelve.

Elk jaar vraag ik mijn leerlingen van havo vier mij met een tekst te informeren over hun leesgeschiedenis. En elk jaar lees ik de herinneringen aan Rupsje Nooitgenoeg en de mol die op zijn kop is gepoept. Het voorlezen op schoot bij ouders en grootouders. Zelf leren lezen, Geronimo Stilton en Het dagboek van een muts, Carry Slee; en dan wordt het stil. Ik ben nooit echt een grage lezer geweest, ik lees niet veel boeken, omdat ik het gewoonweg niet leuk vind, wel vind ik een krant, online artikelen of het laatste nieuws over mijn favoriete games erg interessant.

Toen kwam de pandemie. Langer dan vier maanden waren we opgesloten in wat de minister president een intelligente lockdown noemde. Mandy schrijft: Zittend op een stoel bij een meer op een warme dag zat ik te lezen. Het was voor het eerst dat ik echt uit mezelf een boek was begonnen. Ik was klaar met het kijken naar You Tube en Netflix. Ik wilde eens wat anders doen. En niet alleen Mandy. Haar moeder heeft Lucinda Riley ontdekt en kan niet meer stoppen met De zeven zussen, terwijl vader is verdiept in de Elsevier en zijn motorboekjes.

Veel van mijn generatie (millenials) lezen niet echt, maar ze ‘skimmen’, schrijft Mees, en dat komt volgens haar door de technologie om ons heen, denk aan uw telefoon, i-pad en laptop. Deze technologieën zorgen ervoor dat vooral jongeren, maar ook ouderen niet meer weten wat een boek lezen inhoudt. Kayleigh is wat minder zwaar op de hand en schrijft: ik ben best wel een lezer, omdat ik het een leuke bezigheid vind. Sarah gaat nog een stapje verder: Ik zou me ook niet kunnen voorstellen hoe het is om geen boeken te lezen. Haar favoriete boekwinkel is Boekhandel Dominicanen in Maastricht; een van de mooiste boekenwinkels waar ik ooit ben geweest.

Helge Bonset vestigt zijn hoop op de nieuwe leerdoelen voor het vak Nederlands die in het kader van Curriculum.nu worden ontwikkeld. Kees Vernooy wijst op het belang van samen hardop lezen en daar de tijd voor nemen. Mijn leerlingen gebruikten de verveling van de zomer van de pandemie om een goede gewoonte weer op te pakken.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Vreemde gloed

Twee maanden later dan gebruikelijk – corona – is dan de ronde van Frankrijk van start gegaan. De regio om Nice kleurt oranje op de covidkaarten, de Franse overheid en de wielerorganisaties hebben protocollen en procedures opgetuigd die tot geen andere conclusie leiden dan dat Parijs verder is dan ooit, de deelnemende ploegen verschansen zich in hun bubbel, renners leveren hun ‘quotes’ af van achter een gezichtsmasker. Boven de stad cirkelt de helikopter die ons laat zien hoe blauw de Middellandse zee is, hoe pittoresk de Vieux Port, hoe wijds de Boulevard des Anglais, waar de meet er verlaten bij ligt.

Ik installeer mij in een gemakkelijke stoel voor de televisie en laat de beelden tot mij komen. Het is er allemaal. Het veelkleurig peloton, de kastelen op de bergen, de wouw op de thermiek, het shot over de grindvlakte van een opgedroogde rivier dat opstijgt opdat  de kopgroep weer in het vizier komt, de bergen in de verte, een verlaten kerkje op de top. Ik herken het en het is me vreemd.

Het komt niet door de mondkapjes van de wielerfans langs de weg, ik zag wel vreemdere uitdossingen van wielergekkies. Het was niet de regen van de naderende herfst. Elke Tour kent wel zijn natte dagen; ik herinner mij de lofzang van Bert Wagendorp (1956) op het licht van de koplampen van de volgauto’s op de natte gesoigneerde benen van de renners, de weerspiegeling van plassen op de weg, de druppels op de lens. Nooit is een koers mooier theater.

De glijpartij afgelopen zaterdag op de flanken van de Côte de Rimiez was spectaculair genoeg, van koersen kon geen sprake zijn. Maar ik herinner me een etappe in de Ardennen tijdens de Tour van 2010 waar Sylvain Chavanel en Fabian Cancellara in figureerden en die eveneens moest worden geneutraliseerd. Of de Passage du Gois uit 1999, de spekgladde natuurlijke verbindingsweg tussen de Vendee en het eiland Noirmoutier. Michael Boogerd verspeelde er zijn klassement.

Zou het de stad zelf zijn, waarover Louis Couperus (1863 – 1923) schrijft: Nice is heel vrouwelijk, Nice is de vrouwelijke sultane-stad, die niets heeft te doen dan mooi te zijn, te glimlachen en toe te lonken, àan te lokken, droomstarende over hare blauwe zee, die tintelt van gouden pailletten en parel-omzoomde golfjes, onder een diep transparanten hemel, waaruit overvloedig de zegen van de zonnegod neêr over haar zinkt.

Het is waar Nice heeft geen trap gedaan, maar wij kennen haar van de voorjaarskoers die in de Franse hoofdstad begint en die vlak voor de pandemie door Maximilian Schachmann werd gewonnen. Nice is ons geen vreemde.

En ook het Vlaamse commentaarkoppel Michel Wuyts en José de Cauwer geven het toe: het maakt niet veel uit of je de koers verslaat onderaan een berg in Frankrijk of vanuit een studio in Brussel. In beide gevallen is er geen uitzicht op de streep.

De middag verstrijkt, de beelden komen van de helikopter die recht boven de renners hangt. Lange schaduwen snellen met de renners mee …, en dan weet ik het. Het is het licht. Het is het licht dat alles in een vreemde gloed zet. De Tour baadt in het licht van de Vuelta, dat is wat me verwart.

En ik mis de zonnebloemen.

Geplaatst in koers | Getagged , | Een reactie plaatsen