Vreemde gloed

Twee maanden later dan gebruikelijk – corona – is dan de ronde van Frankrijk van start gegaan. De regio om Nice kleurt oranje op de covidkaarten, de Franse overheid en de wielerorganisaties hebben protocollen en procedures opgetuigd die tot geen andere conclusie leiden dan dat Parijs verder is dan ooit, de deelnemende ploegen verschansen zich in hun bubbel, renners leveren hun ‘quotes’ af van achter een gezichtsmasker. Boven de stad cirkelt de helikopter die ons laat zien hoe blauw de Middellandse zee is, hoe pittoresk de Vieux Port, hoe wijds de Boulevard des Anglais, waar de meet er verlaten bij ligt.

Ik installeer mij in een gemakkelijke stoel voor de televisie en laat de beelden tot mij komen. Het is er allemaal. Het veelkleurig peloton, de kastelen op de bergen, de wouw op de thermiek, het shot over de grindvlakte van een opgedroogde rivier dat opstijgt opdat  de kopgroep weer in het vizier komt, de bergen in de verte, een verlaten kerkje op de top. Ik herken het en het is me vreemd.

Het komt niet door de mondkapjes van de wielerfans langs de weg, ik zag wel vreemdere uitdossingen van wielergekkies. Het was niet de regen van de naderende herfst. Elke Tour kent wel zijn natte dagen; ik herinner mij de lofzang van Bert Wagendorp (1956) op het licht van de koplampen van de volgauto’s op de natte gesoigneerde benen van de renners, de weerspiegeling van plassen op de weg, de druppels op de lens. Nooit is een koers mooier theater.

De glijpartij afgelopen zaterdag op de flanken van de Côte de Rimiez was spectaculair genoeg, van koersen kon geen sprake zijn. Maar ik herinner me een etappe in de Ardennen tijdens de Tour van 2010 waar Sylvain Chavanel en Fabian Cancellara in figureerden en die eveneens moest worden geneutraliseerd. Of de Passage du Gois uit 1999, de spekgladde natuurlijke verbindingsweg tussen de Vendee en het eiland Noirmoutier. Michael Boogerd verspeelde er zijn klassement.

Zou het de stad zelf zijn, waarover Louis Couperus (1863 – 1923) schrijft: Nice is heel vrouwelijk, Nice is de vrouwelijke sultane-stad, die niets heeft te doen dan mooi te zijn, te glimlachen en toe te lonken, àan te lokken, droomstarende over hare blauwe zee, die tintelt van gouden pailletten en parel-omzoomde golfjes, onder een diep transparanten hemel, waaruit overvloedig de zegen van de zonnegod neêr over haar zinkt.

Het is waar Nice heeft geen trap gedaan, maar wij kennen haar van de voorjaarskoers die in de Franse hoofdstad begint en die vlak voor de pandemie door Maximilian Schachmann werd gewonnen. Nice is ons geen vreemde.

En ook het Vlaamse commentaarkoppel Michel Wuyts en José de Cauwer geven het toe: het maakt niet veel uit of je de koers verslaat onderaan een berg in Frankrijk of vanuit een studio in Brussel. In beide gevallen is er geen uitzicht op de streep.

De middag verstrijkt, de beelden komen van de helikopter die recht boven de renners hangt. Lange schaduwen snellen met de renners mee …, en dan weet ik het. Het is het licht. Het is het licht dat alles in een vreemde gloed zet. De Tour baadt in het licht van de Vuelta, dat is wat me verwart.

En ik mis de zonnebloemen.

Dit bericht is geplaatst in koers met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *