Zoutelande

Volgens Claudia uit Polen is ‘geheugen’ het lelijkste Nederlandse woord. Het is moeilijk, die harde g-klank kent ze niet in haar moedertaal. Myrthe uit de Verenigde Staten noemt als antwoord op dezelfde vraag het woord ‘vruchtbaarheid’ en ze trekt er een vies gezicht bij. Caroline uit Spanje denkt als eerste aan het woord ‘ziekenhuis’, dat is een plaats waar je niet graag zijn wil, voegt ze er aan toe. Trochillo uit Argentinië heeft er lang over gedaan om de Nederlandse uu-klank onder de knie te krijgen. Zij vindt ‘tureluur’ het lelijkste woord. Alle meiden studeren Nederlandse taal- en letterkunde. Begin augustus waren ze op stagebezoek bij het Amsterdamse Meertens Instituut waar de Nederlandse taal en cultuur wordt onderzocht en gedocumenteerd.

We werden deze week wakker met het nieuws dat het aantal studenten dat Nederlandse taal- en letterkunde studeert aan Nederlandse universiteiten schrikbarend is gedaald. Aan de Vrije Universiteit, dat overigens altijd al de kleinste afdeling Nederlands had, hebben zich dit studiejaar slechts zes eerstejaars aangemeld. Op de foto in de Volkskrant zitten ze allemaal op een rij aan evenzoveel aaneengeschoven tafels in een mistroostig zaaltje. Tegenover hen leunt hun docent Johan Koppenol (spijkerbroek, roodgeruit overhemd, het zandkleurige colbert heeft hij over de stoel voor zich gehangen) tegen de muur. Op tafel herken ik het boek Handgeschreven wereld, Nederlandse cultuur en literatuur in de Middeleeuwen uit 1995 van Dini Hogenelst en Frits van Oostrom en een editie van het liedboeck van Bredero (1585 – 1618).

Het klopt dat het aantal studenten Nederlands sinds 2010 ongeveer is gehalveerd en dat voor het voortbestaan van de studie moet worden gevreesd. Marc van Oostendorp (1967) onderzoeker aan het Meertens Instituut en hoogleraar te Nijmegen, denkt dat dat komt omdat leerlingen op de middelbare scholen de liefde voor het vak te weinig krijgen bijgebracht. Hans Bennis (1951) hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en secretaris van de Taalunie, herinnert zich dat toen hij in 1970 ging studeren er vijfhonderd eerstejaars waren.

Ja, dat was zo. Ik begon in 1974 met de studie Nederlandse taal- en letterkunde en ik meen dat we met meer dan driehonderd waren in een overvol Instituut voor Neerlandistiek aan de Amsterdamse Herengracht waar docenten en studenten van de verschillende vakgroepen zich hadden ingegraven in een methodestrijd en elkaar de tent uitvochten.

Een kleine tien jaar later waren we klaar. De jaren tachtig zaten niet op ons te wachten (de jaren tachtig zaten op niemand te wachten). We knipperden met onze ogen tegen het zonlicht, citeerden Nescio (1882 – 1961): Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd, en gingen onze eigen weg.

De tijden van Matthijs Siegenbeek (1774 – 1854) en Johannes Kinker (1764 – 1845), de eerste hoogleraren in de Neerlandistiek zijn voorgoed voorbij, maar de Nederlandstalige rap bloeit als nooit tevoren, Nederlandse poëzie trekt op steeds meer podia steeds meer publiek en dankzij de liedcultuur in dialect weet iedereen waar Zoutelande ligt. Het vak Nederlands is verbrokkeld en opgegaan in disciplines als Communicatie- en informatiewetenschappen, humanities, digital sciences en cultural studies. De missie van een levende eenheidstaal in een krachtige natiestaat is vastgelopen in de dilemma’s van de postmoderne geglobaliseerde samenleving en ik denk dat dat goed is.

In Vlaanderen is de studie Nederlands nog vast geworteld en in Polen, de V.S. en Indonesië melden zich elk jaar meer studenten om aan een studie Nederlands te beginnen.

Überhaupt, is volgens Sara uit Boedapest het lelijkste Nederlandse woord.

Want dat is Duits.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *