Zevenhonderd euro

Vier dagen geleden verzond Pascal Cuijpers, docent in het voortgezet onderwijs, faalangstreductietrainer en auteur van het boek Woordenwisseling, een tweet waarin stond: ‘Het valt me op dat leerlingen uit de onderbouw (!) hun huiswerk soms niet kunnen inleveren omdat ze moesten werken… Zorgelijke tendens. Schoolzaken lijken in te boeten aan urgentie. Herkenbaar?’. Zelf geef ik al jaren geen les meer aan leerlingen uit leerjaar een en twee. Uit het uitroepteken achter ‘onderbouw’ maak ik op dat we het bij leerlingen in de bovenbouw veel gewoner vinden dat hun schoolwerk lijdt onder betaalde werkzaamheden. En ja, dat herken ik. Voor menigeen is het bijbaantje al lang geen bijbaantje meer.

De eerste maanden van de intelligente lockdown was ik bevangen door een verwarrende woede. Ik zag hoe onze samenleving een unieke kans voorbij liet gaan om een basisinkomen in te voeren. Onze volksvertegenwoordigers kozen ervoor het verlies aan inkomen van werkende mensen door de coronacrisis te compenseren met ruimhartige vergoedingen aan werkgevers, Schiphol, KLM en Booking.com voorop. Onderwijsminister Slob gebood alle scholen de deuren te sluiten. Mijn eerste gedachte was dat dit de nekslag was voor de acties van onderwijsgevenden voor betere beloningen, terugdringen van de werkdruk en herstel van de positie van meesters en juffen , om te beginnen voor de collega’s van het primair onderwijs. Mijn tweede gedachte was dat alle scholieren hard nodig waren in de supermarkten waar het weekend ervoor alle schappen waren leeg gehamsterd. Een paar dagen later maakte ik kennis met Teams en online lesgeven.

Hebben we het op school over de wenselijkheid van een basisinkomen? Daar gingen wel twee van de vier teksten over die de havo-kandidaten tijdens hun examen Nederlands onder ogen kregen. De ene tekst vond het basisinkomen geen goed idee, de andere stond er welwillender tegenover, maar zag voorlopig nog de nodige mitsen en maren. Wie dit antwoord gaf op vraag 39 kon daarmee twee punten scoren.

Vlak voor de laatste tweede Kamerverkiezingen, afgelopen maart, stelde de regering acht en half miljard euro beschikbaar om de leer- en kennisachterstanden die waren ontstaan door de maatregelen van de regering tegen de covid-pandemie weg te werken. Dat onze leerlingen al twintig jaar elk jaar een beetje minder leren lezen en rekenen is omstandig aangetoond in achtereenvolgende pisa-onderzoeken. Niemand weet welk deel van die achterstanden komt door de pogingen van de regering om het aantal ziekenhuisopnames van covid-patiënten te verlagen. Of een eenmalige investering van acht en half miljard euro het juiste medicijn is tegen de veronderstelde achterstanden, staat niet vast. De Algemene rekenkamer waarschuwde al wel dat de kans aanzienlijk is dat de miljarden wegstromen zonder een spoor achter te laten.

Aan de mensen die op school werken, is niets gevraagd. Die hebben, voordat het virus de samenleving in de ban hield, bij diverse acties en stakingen naar voren gebracht dat de problemen in het onderwijs niet met eenmalig geld zijn op te lossen, dat de oplossing gezocht moet worden in structurele verbetering van de positie van mensen in het onderwijs, het afschaffen van de lumpsumbekostiging, betere opleidingsmogelijkheden en kleinere lesgroepen. Het zou best kunnen dat er zo ook een einde komt aan lerarentekort.

Deze agenda heeft plaats gemaakt voor gekibbel over de verdeling van acht en half miljard euro. Naar verluid zou het gaan om een bedrag van zevenhonderd euro per leerling. Gelijk uitkeren in klinkende munt asjeblieft. Dan hebben onze leerlingen misschien meer tijd voor hun huiswerk. Al is het maar voor een maand.

Al is het maar voor een week.

Dit bericht is geplaatst in bij de les. Bookmark de permalink.

Een reactie op Zevenhonderd euro

  1. Peter schreef:

    Hear hear,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *