Waarmee ik u ontzie

‘Leraren en leraressen, ik begrijp dat uw leerlingen grappige fouten maken (deden wij lang geleden ook), maar publiceer die niet via sociale media om er de spot mee te drijven. Not cool.’ Sarah Bond twitterde dit negentien december jl. en ik nam er kennis van via een retweet door Hester IJsseling, die eraan toevoegde dat wat voor het bespotten van leerlingen geldt, ook geldt voor vertedering. Ze verwees daarbij naar Het geminachte kind (1980) van Guus Kuijer.

Ik ken Hester IJsseling van haar bijdrage aan Het alternatief. Weg met de afrekencultuur in het onderwijs, de bundel met kritische artikelen over onderwijs, die in 2015 onder redactie  van Rene Kneyber en Jelmer Evers verscheen. IJsseling schreef over de verantwoordelijkheid van leraren en leraressen, niet alleen voor goed onderwijs aan hun leerlingen, maar ook voor de organisatie van de verhalen over het onderwijs dat wij verzorgen. Zolang scholen niet in staat zijn in eigen huis het gesprek over goed onderwijs te voeren, kan de overheid de ruimte opeisen die we daarmee openlaten, schreef ze, en ze voegt de daad bij het woord met haar mooie blog http://hesterij.blogspot.nl en met het netwerk van gelijkgestemden dat ze via haar twitteraccount voedt en onderhoudt. Hester IJsseling is doctor in de filosofie en geeft les op basisschool De kleine reus in Amsterdam. Dat ze daarbij ook nog het nichtje is van Samuel IJsseling (1932 – 2015) die mij, toen ik studeerde, de weg wees in het Denken in Parijs, nam mij eens te meer voor haar in.

Ik heb een kerstvakantie lang gekauwd op de via twitter afgekondigde publicatietaboes. Dat je met leerlingen niet de spot drijft, lijkt me evident. Not cool, is wel het minste wat je daarover kunt zeggen. Dat doe je niet via de sociale media en ook niet in de klas. Met het taboe op het delen van vertedering had ik meer moeite. Dat komt omdat vertedering mij, anders dan het bespotten van iemand, overkomt. Het staat in het rijtje van schaamte, ontroering en schuld en niet in rijtje van beoordelen, complimenteren of bekritiseren. Vertedering gaat gepaard met een zekere verlegenheid;  de momenten dat vertedering mij bevangt, reken ik niet tot de beste in mijn leven.

Guus Kuijer (1942) benadert de problematiek vanaf de eerste regel van zijn pamflet Het geminachte kind vanuit een ander perspectief. Vertedering is een merkwaardig woord. Het klinkt naar tederheid, maar het gaat over een tederheid die je wordt aangedaan door het gedrag van een ander. Zo had ik het nog niet bekeken, al vraag ik me onmiddellijk af of je iemand wel tederheid kunt aandoen. Als ik spreek over vertedering, heb ik het enigszins beschaamd over mezelf. Vertedering is ook geen gedrag, het is een toestand van het gemoed.

Ton Lemaire (1941) debuteerde in 1968 met De tederheid Gedachten over de liefde. Komt hij over vertedering te spreken, dan definieert hij die als de schroom waarmee ik u ontzie. Dat is mooi gesproken, maar in de klas zijn schromen en ontzien doorgaans niet de werkwoorden waarmee we onze doelen dichterbij brengen.

Omdat vertedering alleen daar ontstaat waar ongelijkwaardigheid bestaat en dan nog bij de gratie van het decoratieve uiterlijk van de zwakste, kan vertedering voor een voorlopige wapenstilstand zorgen, maar niet voor vrede., concludeert Kuijer. Dat klinkt me teveel naar de radicale polarisatie en de oorlogstaal van de vroege jaren tachtig, al moet ik erkennen dat vertedering voor mij wel het verlangen naar stilstand inhoudt en naar schuilen in de eeuwigheid van een moment.

Tegen beter weten in.

 

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *