Voor iets wat nog moet komen

‘Meneer, het is de laatste les van het jaar hè …’ Hij heeft gelijk, hij moest het zeggen nog voor hij zijn tas heeft geparkeerd en aan zijn tafel is gaan zitten. Nog even en 2017 is voorgoed voorbij om nooit meer terug te komen. Het volgende jaar zal bijna hetzelfde zijn, of dat een troost is durf ik niet te zeggen.

Tijdens het laatste uur met mijn mentorleerlingen hebben we het lijstje gemaakt voor het eindejaarsontbijt op vrijdag. Sigara böregi uit Turkije en suikerbrood uit Friesland. Donuts uit de Verenigde Staten, kerstkransjes van koek en chocolade, brownies, croissants uit Frankrijk en duivekater uit de Zaanstreek. Toen is de voorpret begonnen voor het jaarlijkse kerstgala en vooral de after party in de Bataaf. Het hoofd staat niet meer naar schrijflessen, proefteksten en leren documenteren; het vorige uur zijn ze met een spel begonnen dat nog niet is afgelopen en dat moet worden voortgezet. En wel onmiddellijk.

Twee leerlingen vertrekken naar de gang. In de klas breekt een overleg los waarvan de uitkomst is dat de wijze waarop men de scheiding in het haar draagt bepalend zal zijn voor de manier waarop men zodra zal reageren op de vragen van de nu afwezige leerlingen. Als de gemoederen te hoog oplopen is er altijd wel iemand die de groep tot stilte maand omdat ze het anders horen op de gang. Omdat er niet onmiddellijk iemand is die de gemaakte afspraken snel kan recapituleren, neemt het enige tijd voordat ze tot iedereen zijn doorgedrongen. Later zullen nog drie van dergelijke overleggen volgen, nu niet met de haardracht als inzet, maar het merk van de smartphone of de kleuren van truien, shirts en sokken.

Tijdens de zelfmoordgolf die in de eerste dagen na de Duitse bezetting door Nederland rolde, maakten onder meer de Amsterdamse wethouder Emanuel Boekman (1889 – 1940) en de letterkundige Menno ter Braak (1902 – 1940) een einde aan hun leven. Ook Jacques Presser (1899 – 1970) , op dat moment leraar geschiedenis aan het Amsterdamse Vossiusgymnasium deed een zelfmoordpoging, maar die mislukte. Hij zou de oorlog overleven en later het bekende werk Ondergang: de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940 – 1945 publiceren.

Ik sla de verrichtingen van vier havo met belangstelling gade en ik constateer dat het spel vooral wordt aangegrepen om elkaars verlies en winst te betwisten, de regels naar de hand te zetten, om mee te doen én het spel te veranderen, posities in de groep te herverdelen en te oefenen voor iets wat nog moet komen, al weet niemand wat. Als ze na de les de klas verlaten, hoor ik één van hen zeggen: zullen we kijken of het straks bij natuurkunde ook lukt?

In klas zes atheneum kunnen we nog een presentatie afwerken over drie dichters: Jacques Bloem (1887 – 1966), Jan Hendrik Leopold (1865 – 1925) en Johan Andreas Dèr Mouw (1863 – 1919). Maar de halve klas is aan het helpen om de aula te versieren voor het gala (er schijnt een selfiemachine te komen, zoals die ook wel op station Amsterdam Centraal staan) en onder de overgebleven leerlingen gaat de aandacht meer uit naar het toilet voor vanavond dan naar het eloquente somberen van genoemde vooroorlogse zangers. Of misschien wel naar nog iets anders.

Op maandag 20 mei 1940 noteert Hanny Michaelis (1922 – 2007), leerling van klas zes van het Vossius in haar dagboek: In plaats van Presser hadden we Van der Zee, de les was buiten verwachting gezellig; toen voor het eerst zochten Elderts ogen de mijne en toen we elkander glimlachend aankeken, voelde ik een golf van blijdschap en verwachting door me  heen gaan.

Toen moest de oorlog nog beginnen.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *