Toen zingen nog mocht

Misschien zou het tegen het weekend gaan regenen. De nieuwe planten voor de lange border waren donderdag voor Pinksteren al bezorgd. voor die de grond in konden, moest ik eerst plaats maken. De ooievaarsbek met de onheilspellende naam Black Widow (Geranium phaeum) was alle perken te buiten gegaan. Zijn bijna zwarte bloempjes zweefden als vliegen boven de bodembegroeiing van zevenblad, heermoes, dovenetel, distel, winde, opschietende hop, hier en daar een brandnetel en paardenbloem. De afgelopen twee maanden hadden ze hun gang kunnen gaan, tussen de tulpen, onder de aliums en rondom de blauwe aren van de indianenbloem.

Zahra had zich gemeld via de mailservice van Magister, de digitale parallelle werkelijkheid van school. Zij en Hagar wilden graag nog wat vragen stellen over het aanstaande schoolexamen poëzie. Ze waren nog niet zo zeker van hun zaak. We maakten een afspraak voor een digitale ontmoeting van ons drieën. Zodra ze zijn ingelogd zetten ze hun camera aan en kunnen we elkaar in de ogen kijken. Hagar vroeg of we samen het mini-oefenexamen zouden kunnen maken. Waarom niet? Natuurlijk kunnen we dat.

Behoedzaam beweeg ik me laag bij de grond. Op mijn hurken, op mijn knieën waar dat kan. Tussen het zevenblad ontdek ik een dahlia die in blad is gekomen en al twintig centimeter hoog is, en die fijne blaadjes daar zouden heel goed van een verloren gewaande aster kunnen zijn. De ene na de andere container vul ik met losgetrokken scheuten en bladeren, soms geheel ontwortelde planten. Een merel houdt, dicht bij me in de buurt, veel dichterbij dan anderhalve meter, elk stukje vrijgekomen zwarte aarde nauwkeurig in de gaten en schiet toe zodra hij meent iets te zien bewegen. Twee uur later is de groenbak tot de rand toe vol.

Het gedicht waarmee we oefenen is We verdampen van Lieke Marsman (1990), uit de bundel De volgende scan duurt vijf minuten uit 2018. De dichteres wordt behandeld voor kanker, vandaar die titel. Ook dit gedicht gaat over haar ziekte. Maar eerst maar eens kijken wat we voor ons hebben: veertien regels, twee terzinen, twee kwatrijnen. Dan is de conclusie van een sonnet snel getrokken. Maar dit gedicht begint met het sextet en eindigt met het kwatrijn. Dat is de wereld op zijn kop. Zou dat iets zeggen over de gemoedsgesteldheid van Lieke Marsman?

Tweede Pinksterdag neem ik een schop mee uit de schuur en spit ik alle vrijgemaakte grond een steek diep om. Nu ja, niet natuurlijk daar waar ik sneeuwklokjes (Galanthus nivalis) weet te staan die elk jaar uitbundiger het einde van de winter verkondigen. Dit jaar al eind januari. Dan besluit ik waar ik de nieuwe aanwinsten zal zetten. Bergamot en ijzerhard achterin, die kunnen wel meer dan een meter hoog worden, kattenkruid en muurbloem, die zo lang doorbloeit met paarse aren, meer vooraan, net als de salie, salvia nemorosa, die we met het Linnaeuskoor zo vaak bezongen in de ouverture tot de Linnaeuscantate. Toen zingen nog mocht en niemand had gehoord van aerosolen.

We onderwerpen de eerste strofe aan een nader onderzoek: Het zijn rare tijden, jaargetijden / veranderen en vermijden een confrontatie / met vakantie. Eindrijm, halfrijm, alliteratie, het is er allemaal en als we goed lezen kunnen we het aanwijzen. Met de ij-klank wordt regel twee aan regel een geschakeld, met de alliteratie van veranderen, vermijden en vakantie, maakt regel drie zich vast aan twee. Het minimale eindrijm confrontatie, vakantie doet de rest.

Nog elf regels te gaan. Daarna moet ik met een gieter naar de nieuwe planten want de aangekondigde regen laat op zich wachten.

Dit bericht is geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *