Oude bekenden

Of ik verstand van planten heb. Een oudere vrouw met gele huishoudhandschoenen aan, staat bij het graf van haar man. Ze heeft primulaatjes gekocht in rood en geel dat fel afsteekt tegen het groen en vraagt zich af of die met plantpotje en al in de grond moeten worden gezet, of niet. Ze krijgt de plantjes trouwens met geen mogelijkheid uit de potjes. Of ik haar kan helpen.

Ik heb net het Museum für Naturkunde verlaten. Onder de dertien leerlingen die voor dit museum kozen, zijn een aantal verstokte dino-fans. Zij vergaapten zich aan Tristan, een van de best bewaarde skeletten van een Tyrannosaurus rex. Ik liet ondertussen mijn blik dwalen over het achttiende-eeuwse interieur, de kabinetkasten, trappartijen, de granito vloeren, het glimmend gepoetste glas waarachter fossielen schitteren in een uitgekiende belichting. Het mooist vond ik het spel van licht en donker op de stellingen weckpotten met visachtigen op sterk water.

Nee mevrouw, de plantjes gaan met hun blote wortels in de grond, zeg ik, zodat op deze begraafplaats tenminste nog enig wezen ademt, drinkt en groeit. Ik deuk en kneed de potjes dat ze kraken en wurm de doorwortelde gewassen als uit een tube tevoorschijn. Ik doe voor hoe ik de wortels uit elkaar trek en ontwar zodat ze meer vat hebben op de voedingsstoffen in de bodem en herhaal die handeling voor alle acht of twaalf primula’s die ze heeft meegenomen voor haar man. Liever had ze een struikje voor hem gekocht, maar dat was er nog niet. Struiken worden pas vanaf mei aangeboden.

De kleine begraafplaats, die voluit Der Friedhof der Dorotheenstädtischen und Friedrichswerderschen Gemeinden heet, is niet ver van het Museum für Naturkunde, in de Chausseestraße. Ik was er een paar jaar geleden voor het eerst en mij beviel het contrast tussen de hectiek van de grootstad Berlijn en de stilte onder de bomen van deze dodenakker. Al dwalend ontmoet ik oude bekenden als Herbert Marcuse (1898 – 1979). Weiter machen, staat er op zijn steen. Tussen het klimop ligt een kleine plaquette voor de componist Paul Dessau (1894 – 1979). Ik lees de namen van de auteurs Heinrich Mann (1871 – 1950), Christa Wolff (1929 – 2011) en Anna Seghers (1900 – 1983). Daar valt mijn oog op een opschrift: Ruhestatte Tucholski in kapitalen en ik denk het zal toch niet het graf zijn van de dichter Kurt Tucholsky (1890 -1935) die zijn gedicht Asyl für Obdachlose! besloot met de regels: Wohltaten, Mensch, sind nichts als Dampf. / Hol dir dein Recht im Klassenkampf – ! Op een slanke, rechthoekige, marmeren zuil, iets hoger dan de stenen ernaast, staat de handtekening van Gisela May (1924 – 2016), maar eerder dan de handtekening herken ik haar portret, het blonde pagekapsel, wit overhemd, zwarte das, die ogen waarmee ze elke tekst die ze zong tot leven bracht. Ik heb haar nog gezien in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Ik was vergeten dat ze was doodgegaan.

Negenentachtig is hij geworden. Net geen negentig. Ze zegt dat het hem op zijn oude dag aan niets heeft ontbroken, maar het spijt haar dat hij er niet meer is. Ze wil weten wie ik ben en of ik hier uit de buurt kom. Ik stel me voor. Uit de buurt kom ik niet. Ik woon in de omgeving van Amsterdam, leg ik uit. Ik ben hier om twee van mijn idolen te bezoeken: Bertolt Brecht (1898 – 1956) en Hanns Eisler (1898 – 1962).

Dit bericht is geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld, zaliger nagedachtenis met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *