Oud zweet

Behalve de excursie naar het voormalig concentratiekamp Sachsenhausen en de workshop Street Art, was een bezoek aan de Gedenkstätte Hohenschönhausen een vast onderdeel van de werkweek naar Berlijn, die de school waar ik werkte, aanbood aan leerlingen van de voorexamenklassen havo en vwo. Een halve eeuw was het een witte plek op de kaart van de DDR. Na de val van de muur in 1989 bleek het een omvangrijk gevangeniscomplex, cellen, verhoorkamers, arbeidsvoorzieningen, exercitieruimtes, kantoren, garages en een hospitaal, verborgen achter een blinde muur met een wachttoren die uitzicht bood naar alle kanten. Tussen 2016 en de uitbraak van de covidpandemie bezocht ik het drie keer.

Er is de herinnering van gestolde tijd. Het was er nog steeds 1965. De bakelieten telefoons op houten bureaus met fineer, zware schrijfmachines, het verkleurde behang, op de grond zeil dat gescheurd was en bij de drempels afgebrokkeld. Boenwas, lysol, ethanol misschien, met een vleug van oud zweet, die me terugvoerden naar mijn vroege jeugd. Verlaten gangen met gesloten deuren, langs de muren een kabel waarmee alarm geslagen werd, zoals die vroeger in de bus hing om de chauffeur te vragen bij de volgende halte te stoppen. Deze muren liegen niet sprak onze gids. Hoezo niet? Waarover niet?

Vanaf het einde van de oorlog tot ongeveer 1950 was het complex een Sovjetgevangenis, daarna is het in gebruik genomen door de Staatssicherheitsdienst van de DDR. Pasten de Sovjetautoriteiten vooral fysiek geweld, of de dreiging daarmee, toe om hun gedetineerden tot bekentenissen te verleiden, de Stasi bekwaamde zich in moderne psychologische technieken om burgerschap in de socialistische heilstaat in wording te bevorderen. Technieken met beperkt lichamelijk letsel, maar verwoestend voor het individu dat er het slachtoffer van was.

Lena Bürger, een van de hoofdpersonen van Het koor van de driehonderd moordenaressen, de nieuwe roman van Willem du Gardijn (1964), had geen schijn van kans. Ze maakte deel uit van een groep die zich had verzameld in de kelder van de slagerij in afwachting van het moment dat de tunnel die vanuit het westen onder de muur door gegraven werd, zich onder de winkel zou openen naar de vrijheid. Voor het zover was, daalden gewapende VOPO’s de trap af. In de schermutselingen die volgen brengt Lena een van de agenten ten val. Zijn geweer gaat af en zijn collega wordt dodelijk getroffen.

Na de val van de muur hebben ex-gedetineerden ervoor gezorgd dat de stasi-gevangenis een gedenkplaats werd. Zij verzorgen ook de rondleidingen, herinneren ons eraan dat de ondervragers van toen niet zijn vervolgd, maar gewoon van baan veranderd. Dat je hen, bij wijze van spreken, dagelijks kon tegenkomen in Berlijn. Ze vertellen van de slechte hygiëne, de vernederingen, de ontmenselijking en het nie wieder is ze in de mond bestorven. Ze openen een gecapitonneerde celdeur. Niet alleen de deur, ook de muren zijn onzichtbaar achter een opbollend kussen. Onmogelijk om zich hier te bezeren. Elk geluid wordt geabsorbeerd nog voor het de mond verlaten heeft.

De ondervrager laat Lena een film zien van een haar onbekende vrouw die Lena’s echtgenoot tot seks verleidt. Nog voor het zover is, trapt ze de projectietafel omver. Bewakers overmeesteren haar en werken haar hardhandig in de cel. Ik voel aan de deur, die is beplakt met rubber, overal is rubber, ook de vloer is van rubber, er is geen bed, geen licht, alleen duisternis.

Doof, blind en stom, maar liegen? Nee.

Dit bericht is geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *