Nog een fijne avond

‘Meneer, u mag niet meer bellen hoor!’ Ze heeft haar jas nog aan, haar tas is haastig op het tafelblad gesmeten en ze kijkt me priemend aan. Ze was zich dood geschrokken. Telefoon van haar mentor, zou er wat gebeurd zijn? Toen ik naar haar huis belde en er werd opgenomen, wist ik niet precies wie ik aan de lijn zou krijgen. Ik stelde me voor en vertelde waarvoor ik belde, maar voor ik was uitgesproken werd al duidelijk dat ze zelf aan de lijn was. ‘Meneer …’, zei ze, meewarig?, verlegen?, smalend?, en ze beloofde me haar vader te geven.

Het grootste deel van het vorig schooljaar had ik geen mentorgroep. Ik had mijn leerlingen achtergelaten op mijn oude school en op mijn nieuwe waren alle leerlingen al voorzien van een mentor. Maar dit schooljaar zit ik weer eerste rang om het vallen en opstaan van vierentwintig leerlingen uit vier havo te volgen en er, waar nodig, iets aan proberen te doen. In de taakomschrijving staat: de mentor verdiept zich in de leerling, volgt de studieresultaten, overlegt met ouders en collega’s en ondersteunt de leerling zoveel mogelijk . Voor de meeste leerlingen hoeft dat niet, voor sommigen is het bij lange na niet genoeg.

De eerste lesperiode van tien weken zit erop. Deze week is het grootste deel van de middagen vrij gemaakt om met de collega’s en de afdelingsleider naar de resultaten en het welbevinden van onze leerlingen te kijken en elkaar en de mentor waar nodig van informatie te voorzien om te kunnen bijsturen. Mijn klas was maandag als eerste aan de beurt.

Ik had al gehoord van leerlingen voor wie Wiskunde b een maatje te groot was en die de volgende periode met de a-variant verder willen. De eerste luistertoets voor Duits was een slagveld geworden, gelukkig kon met een vervolgtoets de schade nog beperkt worden. De collega geschiedenis merkte op dat de meeste leerlingen braaf hun leerwerk doen, maar dat hun vaardigheden om een vraagstuk te begrijpen en van een samenhangend en volledig antwoord te voorzien tekortschoten. Onze collega Engels verzuchtte dat ze niet kon begrijpen waarom deze groep zoveel minder presteerde dan de andere vier-havogroepen.

Ik wist genoeg en ben ’s avonds, naar oude gewoonte, gaan bellen om alle ouders te vertellen hoe hun spruit ervoor stond. Gelukkig vertelde ik niemand iets nieuws; ik voer het liefste overbodige telefoongesprekken. Sommige ouders reageerden verrast, alsof een telefoonbericht naar huis iets nieuws was, anderen vreesden aanvankelijk onheilstijdingen, maar uiteindelijk overwoog de vreugde van de herkenning zodra we merkten dat we over hetzelfde kind spraken. Al grensde herkenning soms aan wanhoop en berusting.

In die gevallen was er aanleiding voor een snelle vervolgafspraak, diverse ouders vertelden me dat ze over twee weken naar de ouderavond komen voor een tien-minutengesprek, alle anderen beloofde ik na periode twee weer te spreken.

Wat heeft u allemaal met mijn vader besproken?, wil ze weten. Het kan haar niet schelen dat iedereen het kan horen als ik antwoord: dat jouw meeste cijfers tussen de vijf en de zes zijn, dat we zien dat je vier havo moeilijk vindt maar ook dat je hard werkt en veel moeite doet om te leren. En dat we er verdrietig om zijn als resultaten tegenvallen terwijl je er zo goed voor hebt gewerkt. Daar heb ik samen met je vader om gehuild.

Ze hoort het met een glimlach aan en zegt: ja, dat zag ik.

Dit bericht is geplaatst in bij de les. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *