Niks fanfarecorps

Het is mij afgelopen week niet gelukt de amfibrachys uit te leggen aan mijn leerlingen uit vier havo. Dat in een regel als ‘Valencia lokt hem met haar kathedraal’, vier versvoeten staan van drie lettergrepen met een klemtoon op de middelste, kan nog op weinig herkenning rekenen. Ook niet als ik er voorbeelden uit Jan Hanlo’s ‘wij komen ter wereld’ bij voeg, zoals: ‘De helende kogel, gezocht door geweren,’. Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw wel anders. Het Amsterdamse Spinozalyceum organiseerde elk jaar een declamatiewedstrijd voor scholieren uit de hoofdstad.

Huub Mous (1947), naar eigen zeggen geboren als dwarsligger, bewaart er levendige herinneringen aan. In een post van 28 februari 2014 op www.huubmous.nl schrijft hij:  Op woensdagmiddag 17 november 1965 werd ik namens het Ignatiuscollege afgevaardigd naar de declamatie-wedstrijd in het Spinozalyceum, die jaarlijks werd georganiseerd voor alle middelbare scholen in Amsterdam. Ik nam deel met het gedicht Scheppinkje van Leo Vroman.

De bundel 126 gedichten (ook mijn kennismaking met Leo Vroman) was een jaar eerder uitgekomen. Scheppinkje was een begrijpelijke keuze voor een katholieke jongere in geloofstwijfel. Vroman (1915 – 2014) oppert de mogelijkheid van meer dan levenslang zwijgen uit bewondering voor de leegte van de schepping als hij schrijft: als ik op een teken / Jouw werk voorzichtig zou ontbloten / nimmermeer zijn uitgekeken / op mijn lege handpalm, grote / God / en nooit meer spreken. //

Mous vervolgt: De hoofdprijs was niet voor mij weggelegd. Die ging naar Martine Bijl, de zingende doktersdochter uit Amsterdam Zuid, die dat jaar door Willem Duys was ontdekt. Ze was even oud als ik, maar in mijn beleving was zij een vedette, die chansons zong van Anne Sylvestre en Barbara. Als leerling van het Spinozalyceum speelde zij die middag een thuiswedstrijd met het gedicht Fanfarecorps van Vasalis.

De zingende doktersdochter herinnert zich dat anders. In juli 2005 krijgt ze een column in het blad Zin dat bij die gelegenheid een groot interview met haar plaatst. Daarin lezen we:  Martine Bijl weet weinig zeker, maar wel dit: alles in het leven is toeval. Dat ze in 1965 in ‘het vak’ terecht kwam was niet meer dan een samenloop van omstandigheden. De Amsterdamse doktersdochter speelde een beetje gitaar en piano en won een voordrachtswedstrijd op het Spinozalyceum met het gedicht Mens is een zachte machine van Leo Vroman.

Niks Fanfarecorps ! En het gedicht met de openingsregel Mens is een zachte machine, heet gewoon Mens en komt uit dezelfde bundel als die waaruit Mous die woensdagmiddag declameerde. Logisch ook dat een jonge doktersdochter kiest voor dit gedicht waarin Vroman schrijft: Mens is een zachte machine, / een buigbaar zuiltje met gaatjes, / propvol tengere draadjes / en slangetjes die dienen / voor niets dan tederheid / en om warmer te zijn dan lucht.

Martine Bijl:  Dat was heel goed voor mijn nogal geringe zelfvertrouwen. Ik bleek ook aardig te kunnen zingen en toen kwamen er van die ervaren mannen die zeiden: ‘Martine, je hebt talent!’ En dat het een groot verlies voor de wereld zou zijn als ik niet meteen het podium op zou klimmen. Als tiener ben je daar natuurlijk wel gevoelig voor.

De rest is geschiedenis. Martine Bijl ging van school, trad op in zaaltjes en zalen, schitterde in One Womenshows en op het witte doek, was het zonnetje in huis met vader en zoon Kraaijkamp en werd het gezicht van Heel Holland Bakt en de conserven van Hak.

Ze is gisteren begraven

Dit bericht is geplaatst in bij de les, zaliger nagedachtenis met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *